Toen Elena Dubinets dit voorjaar artistiek directeur werd van het Concertgebouworkest, een van de belangrijkste orkesten ter wereld, was ze voor veel Nederlanders een onbekende. Zes maanden later deelt ze haar eerste ervaringen met de Volkskrant.
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Een dag na het interview vertrekt Elena Dubinets (56) naar haar andere huis – in Seattle. De nieuwe artistiek directeur van het Concertgebouworkest (begonnen in mei) verruilde in 1998 haar geboorteplaats Moskou voor de stad in het Amerikaanse noordwesten toen haar man een baan kreeg bij Microsoft. Haar kinderen wonen nu in Seattle en Barcelona, en zij in Amsterdam, waar ze probeert alle concerten van haar nieuwe werkgever te bezoeken.
‘Als we een programma twee of drie keer doen, ben ik altijd benieuwd hoe de muziek zich verdiept’, zegt Dubinets, wier kantoor uitkijkt over het grasveld van het Museumplein.
Wat is uw smaak?
‘Ik weet het meest van eigentijdse muziek. Ik hou van avontuurlijke, onverwachte stukken die je aan het denken zetten. Niet dat Mahler en Mozart dat niet doen, maar daar zijn we al zo vertrouwd mee.’
Wie zijn uw favoriete componisten dan?
‘Als je het over de klassieke hebt, dan Mahler en Sjostakovitsj. En Bach, die we helaas – afgezien van de Matthäus-traditie – bij het Concertgebouworkest niet veel meer uitvoeren omdat daar tegenwoordig gespecialiseerde groepen voor zijn. Qua componisten van nu schiet me Mark-Anthony Turnage te binnen, die in Nederland nog vrij onbekend is. En George Benjamins muziek vind ik heel verfijnd, zo goed georkestreerd en emotioneel.’
Wie is Elena Dubinets?
‘Ik wil graag denken dat ik musicus ben, maar ik ben musicoloog. In de Sovjet-Unie werd je als musicoloog geacht ook piano te kunnen spelen, wat ik sinds mijn 4,5de doe. Het was nooit mijn intentie om op het podium te staan. De Sovjet-Unie was een uitdagende plek om te leven, maar een van de voordelen was dat er gratis muziekonderwijs was. Ik kom niet uit een omgeving waar het normaal was om musicus te worden: mijn ouders waren ingenieurs die voor het spoor werkten. Maar mijn zus is ook de muziek ingegaan.
‘Ik ben gepromoveerd aan het conservatorium van Moskou. Vanaf 2000 heb ik in Seattle bij ensembles gewerkt, in 2019 kwam ik bij het Atlanta Symphony Orchestra, in 2021 werd ik artistiek directeur van het London Philharmonic Orchestra.
‘Ik ben altijd blijven publiceren. Mijn laatste boek gaat over Russischtalige componisten in de diaspora en over hoe je identiteit verandert als je emigreert. Dat is mij ook overkomen. In Rusland was ik een van de weinigen die over Amerikaanse eigentijdse muziek schreef. Toen ik naar de Verenigde Staten ging, werd ik steeds gevraagd om artikelen over Russische componisten.’
Hoe groot was de cultuurschok toen u emigreerde?
‘Die was groot. In iedere winkel was het aanbod overweldigend. Je had melk in veel verschillende verpakkingen. In de muziekwereld leerde ik dat je je moet aanpassen aan de smaak van de luisteraars. In Rusland speelde het orkest gewoon, mensen kwamen hoe dan ook. Ik heb de vaardigheden van een marketeer moeten trainen.’
Wat zijn de grootste verschillen tussen werken bij orkesten in de VS, Londen en hier?
‘In Amerika wordt alles bepaald door afspraken met de vakbonden. Als een stuk wat meer repetitie vereist en er moeten nog acht maten worden gespeeld als de bel gaat, dan gaan de musici weg, tenzij er meer wordt betaald. Er is daar geen subsidie. In Londen zijn de musici in de orkesten de baas, de aandeelhouders.
‘Het Concertgebouworkest zit daar een beetje tussenin. Formeel is er management, maar de stemmen van de musici zijn enorm sterk. Er is geen besluit mogelijk zonder dat de artistieke commissie wordt betrokken. Dat vind ik heel fascinerend.’
Ik kan me voorstellen dat het ook frustrerend kan zijn. U komt met uw visie, ideeën, en dan moet alles worden overlegd.
‘Dat is ook goed. We kunnen geen muziek maken zonder musici, toch? Wat zij vinden en willen dat ik doe, is essentieel; zij kennen hun vak beter dan wie dan ook. En musici zijn altijd mijn beste vrienden geweest, waar ik ook kwam.’
Hoeveel vrijheid heeft u om te programmeren wat u wilt?
‘Mijn rol is tot op heden vooral dat ik help om de musici beter te kunnen laten spelen. Dan heb je het over roosters, zorgen dat de condities op het podium optimaal zijn, dat ze genoeg tijd hebben zich voor te bereiden. Programma’s maken we natuurlijk ook in samenspraak met dirigenten, zeker de gearriveerde, die stellen zelf veel voor. Dan buigt de artistieke commissie zich daarover. Musici weten als geen ander wat welke dirigent goed kan.’
Hoe staat u tegenover filmmuziek?
‘We moeten het talent van filmcomponisten niet onderschatten, dat zijn hoogopgeleide, creatieve mensen. Bij de Opening Night hebben we nog muziek gespeeld van Star Wars. John Williams vind ik een fenomenaal componist, we kijken er nu naar of we een nieuw stuk van hem kunnen programmeren volgend jaar. Heb je Succession gezien? Ik heb nog het meest genoten van de muziek, die zich de hele serie door blijft ontwikkelen. Ik wil heel graag iets van hem (componist Nicholas Britell, red.) aanvragen.’
Uw voorganger, Ulrike Niehoff, brak een lans voor meer vrouwelijke componisten.
‘Ik ben het eens met haar missie om meer vrouwelijke muziek te spelen, maar ik ben er misschien wat subtieler in. Het moet geen dogma worden, we moeten er niet mee pronken. Quota werken niet in deze wereld. We kunnen wel zeggen dat zoveel procent van de stukken van vrouwen moet zijn, maar zij hebben nu eenmaal weinig symfonische muziek geschreven. Dus in speelduur zullen mannen ook dan altijd winnen.’
Als er nieuwe muziek gespeeld wordt, blijft het vaak bij kortere stukken, het zijn zelden de dragende stukken ná de pauze.
‘Ja, dat is lastig. Je wilt je publiek er de hele avond bij hebben, en veel mensen gaan gewoon weg als ze een onbekende naam zien in tweede helft. De lat voor componisten in de tweede helft ligt hoger: je moet veel ervaring hebben en een statement kunnen maken. Maar we moeten wel kansen geven aan nieuwe componisten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant