Home

Nu was het tijd voor mijn kinderen om mij gezamenlijk belachelijk te maken

Tegen alle voornemens in die ik al de hele geschiedenis van mijn ouderschap hooghoud, schreeuwde ik vanochtend op zeker moment: ‘IK GA ZO EN DAN MOET JE ZELF MAAR NAAR STEENWIJK ZIEN TE KOMEN.’

Zoals iedereen weet heb je mensen die altijd te laat zijn, mensen die altijd te vroeg zijn en mensen die meestal op tijd zijn maar soms vijf minuutjes te laat omdat de poes op hun regenjas geplast heeft.

Ik behoor tot die laatste groep, al vind ik op tijd komen fijner dan vijf minuten te laat, omdat ik in het geval van vijf minuten te laat altijd heel veel hersencapaciteit moet benutten om te bepalen of het sympathiek is om te appen dat ik vijf minuten te laat ben, of dat dat belachelijk is.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Dezelfde verdeling in persoonlijkheidstypes geldt voor een trein halen – zo heb ik een zeer goede vriend die het fijn vindt om vlak voordat de trein vertrekt nog een Kiosk in te duiken voor twee koffie verkeerd waarvan een met havermelk, omdat hij er gelukkig van wordt om een trein nét op tijd te halen. Tijdens het fluitje. Ik vergiet in die tijd veel zweet, want ik wil er al in zitten.

Mijn eigenschap om op tijd bij de trein te willen zijn is niet erfelijk. Ik ging met mijn zoon en dochter naar Steenwijk, want dicht bij Steenwijk is mooie natuur, herfstvakantie en een huis vol andere pubers. Mijn dochter wilde op tijd naar de trein. Ik wilde heel erg op tijd naar de trein.

Mijn zoon sliep uit, ging uit allerlei hoeken en gaten dingetjes inpakken, vroeg zich af welke tas hij eens zou gebruiken, zei luchtig ‘Ja, doe maar een gebakken ei’ en op zeker moment hoorde ik mezelf bovenstaande zin over Steenwijk uitroepen.

Het erge, en tegelijkertijd het mooie, is dat mijn zoon weet dat ik niet gauw zonder hem in de trein naar Steenwijk zou stappen. En het erge, en tegelijkertijd mooie, is dat ik gek word van zijn ongehaaste houding, en toch een ei voor hem bak.

Uiteindelijk stonden we vijf minuten voor vertrek op het perron, ik bezweet, mijn zoon ontspannen als altijd. Nu was het tijd voor mijn kinderen om mij gezamenlijk belachelijk te maken. ‘Nou, dat hebben we allemaal maar net gehaald!’ En dan, samen, lachen om mij. Ik vind dat fijn, want ik zie het als bonding tussen broer en zus.

Ik had kunnen zeggen dat we zonder mijn gejaag, ingepakte boterhammen en thermosfles nooit de trein zouden hebben gehaald, honger hadden geleden en de hele herfstvakantie zonder herfstige natuur opmerkingen van mij over het prachtige bladerdek hadden moeten stellen.

Maar het erge, en tegelijkertijd mooie, aan het ouderschap is dat ik inmiddels wel weet dat ik dat allemaal niet hoef te zeggen.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next