In de aanloop naar de verkiezingen onderzoekt de Volkskrant uitspraken van politici. Wat zeggen ze en waarom? Vandaag: de BBB en de uitzendbureaus.
is chef van de politieke redactie.
BBB-minister Mona Keijzer liet deze week aan tafel bij Eva Jinek weinig ruimte voor twijfel over haar standpunt over arbeidsmigratie. ‘Er zijn misstanden. Daar moeten we ook echt wat aan doen met elkaar. Dat betekent bijvoorbeeld dat de vrijwillige certificering voor uitzendbureaus verplicht moet worden. En dat iemand die een arbeidsmigrant in dienst wil nemen, dat alleen kan doen bij zo’n gecertificeerd uitzendbureau. Dus dát moet je doen.’
Daar keken in de Tweede Kamer nogal wat mensen van op. Zo verdeeld als de volksvertegenwoordiging is over het asielbeleid, zo eensgezind ziet die er vaak uit als het gaat over arbeidsmigratie: die heeft Nederland veel gebracht, maar het mag inmiddels wel wat minder – dat is in grote lijnen de stemming.
Die consensus bestaat al geruime tijd, maar een concrete aanpak stuit op twee aanzienlijke hindernissen. Ten eerste: onder de arbeidsmigranten van buiten de EU zijn veel hoogopgeleide kennismigranten die bij bedrijven als chipmachinefabrikant ASML (122 nationaliteiten op de werkvloer) een grote meerwaarde hebben. Niet veel partijen vinden het een goed idee om dat te dwarsbomen.
Ten tweede: de arbeidsmigranten van binnen de EU komen in veel grotere aantallen terecht in zeer bedenkelijke arbeidsomstandigheden bij slachterijen, distributiecentra, de logistiek en in de land- en tuinbouwsector, maar omdat de Europese Unie het vrij verkeer van arbeid garandeert is het ingewikkeld om daar een dam tegen op te werpen.
Het in juni gevallen kabinet-Schoof had niettemin een ijzer in het vuur: de aanpak van de uitzendsector, de drijvende kracht achter de toestroom van goedkope bulkarbeid uit voornamelijk Oost-Europese landen. Het probleem is bekend: er zijn te veel malafide uitzendbureaus die arbeidsmigranten uitbuiten en die, als er al tegen wordt opgetreden, gewoon weer makkelijk doorstarten met nieuwe constructies die de arbeidswetgeving omzeilen.
Voortbouwend op het werk van het vierde kabinet-Rutte kwam NSC-minister Eddy van Hijum daarom met zijn Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta): alleen bureaus met een officiële toelating mogen nog actief zijn in Nederland; bedrijven die gebruikmaken van niet-toegelaten bureaus riskeren boetes.
Toelating vereist onder meer een Verklaring Omtrent het Gedrag, een waarborgsom van 100 duizend euro en naleving van de arbeidswetgeving. Onderbetaling, overschrijding van de arbeidstijden en illegale tewerkstelling worden bestraft. Periodieke controles zijn verplicht en komen voor rekening van de sector. Overtreders kunnen worden vervolgd. Een speciale Toelatingsautoriteit gaat de vergunningen verlenen, schorsen of intrekken.
Over dat wetsvoorstel werd uitgebreid gedebatteerd. De BBB, met een achterban in nogal wat sectoren die op arbeidsmigranten draaien, sprak zich uit voor een aanpak van malafide bureaus, maar zag toch grote bezwaren tegen de wet. Vooral omdat de nieuwe regels ook gelden voor ‘alle ondernemers die het wel heel goed doen, die wel hun beste beentje voorzetten en die er wel voor zorgen dat de regels netjes worden nageleefd’.
Bovendien vond de fractie dat de wet te weinig mogelijkheden biedt aan bedrijven om hun leven te beteren voordat hun toelating wordt ingetrokken. De tegenwerping van Van Hijum dat vergunningen alleen bij ‘zware misstanden’ meteen worden ingetrokken, stelde de meeste Kamerleden gerust. Maar niet iedereen, zo bleek bij de stemming.
In moties, Kamervragen en talkshows kunnen partijen vrijblijvende standpunten innemen. Wetgeving heeft wel consequenties, ook voor de eigen achterban, en werkt daarom als een politieke contrastvloeistof: waar liggen de echte prioriteiten van partijen? Niet eerder in deze eeuw besloot de Kamer over zulke concrete wetgeving tegen misstanden in de uitzendsector als bij de stemming over de Wtta op 15 april 2025. Dertien fracties stemden voor, FvD en de BBB stemden tegen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant