Is ‘grip op migratie’ realistisch of niet? Hoe moet de landbouw verduurzamen en het onderwijs verbeteren? NRC heeft de belangrijkste verkiezingsthema’s samengevat en schetst de politieke scheidslijnen.
Op 29 oktober kiest Nederland een nieuw parlement dat voor grote uitdagingen staat. Opeenvolgende kabinetten hebben grote maatschappelijke problemen niet aangepakt, is veelgehoorde kritiek. De woningnood bijvoorbeeld en het stikstofprobleem, de druk op de zorg of het cellentekort in het gevangeniswezen.
In verkiezingstijd roepen lijsttrekkers om het hardst dat zij wél oplossingen hebben voor al die problemen. In werkelijkheid zijn het natuurlijk complexe vraagstukken die vragen om zorgvuldige belangenafweging en politieke samenwerking.
Meer grip krijgen op migratie bijvoorbeeld, zoals veel partijen willen, is makkelijker gezegd dan gedaan. Het aantal asielzoekers is gedaald, maar het afhandelen van aanvragen gaat traag. Er is weerstand tegen de spreiding van asielzoekers en veel statushouders blijven in azc’s omdat er geen vrije woningen zijn.
Het onderwijs kampt met een lerarentekort, teruglopende prestaties van leerlingen én met bezuinigingen. De landbouw vraagt om een balans tussen boerenbedrijven en voedselproductie, en natuurbehoud en dierenwelzijn. De urgentie van klimaatmaatregelen lijkt in verkiezingsprogramma’s te zijn verdwenen, terwijl de gevolgen van klimaatverandering steeds duidelijker worden.
NRC heeft de belangrijkste verkiezingsthema’s samengevat en geschetst hoe de politieke scheidslijnen hierbij lopen. De oplossingen liggen bij een nieuwe Tweede Kamer, een nieuw kabinet, en allereerst bij de kiezer.
„Ik kan me goed voorstellen dat de moed bij woningzoekenden weleens in de schoenen zakt”, zei demissionair woonminister Mona Keijzer (BBB) deze zomer in de Tweede Kamer. Niemand kan nog om het gebrek aan woningen heen, ook de minister niet. Een snelle oplossing is er om een heleboel redenen niet.
Allereerst groeit de bevolking in Nederland, waardoor de vraag naar woonruimte stijgt. Momenteel wonen er 18,1 miljoen mensen in Nederland, dat is 2,3 miljoen meer dan in 2000. Voor 2050 wordt een bevolkingsaantal van ongeveer 20 miljoen mensen verwacht.
De vraag naar woningen stijgt ook omdat huishoudens kleiner worden: dit jaar zijn er 3,4 miljoen eenpersoonshuishoudens op een totaal van 8,4 miljoen) en dat is bijna de helft meer dan in 2000. Daardoor zijn er meer – kleinere – woningen nodig, terwijl nu nog relatief veel eengezinswoningen worden gebouwd.
Tegelijkertijd lukt het nog steeds niet om de beoogde honderdduizend woningen per jaar te bouwen. De productie ligt al jaren onder de tachtigduizend woningen, en ook voor de komende drie jaar lijkt honderdduizend een onhaalbaar aantal.
Een van de redenen voor het achterblijven van de woningbouw is personeelsgebrek bij veel aannemers. Dit tekort speelt niet alleen op de bouwsteigers een rol, maar ook onder projectleiders, stedenbouwkundigen en vergunningverleners. Inflatie heeft de kosten van arbeid en materialen in de bouw bovendien opgedreven, wat het financieren van een woning weer moeilijker maakt.
Bezwaarprocedures van bijvoorbeeld omwonenden of milieuorganisaties tegen bouwprojecten – al dan niet terecht – werken ook vertragend.
De woningbouw heeft ook last van het volle elektriciteitsnet en stikstofbeperkingen. Tijdens de bouw komt stikstof vrij en met name in de buurt van natuurgebieden kan dat een reden zijn om een vergunning te weigeren. De bouwsector werkt aan elektrificatie van zwaar materiaal, maar eenmaal gebouwd zorgt een nieuwe wijk ook voor de uitstoot van meer stikstof.
„De woningcrisis is hét grootste probleem van deze tijd. Dat voelt iedereen”, schrijft de VVD in haar verkiezingsprogramma. Toch zijn er de afgelopen jaren weinig baanbrekende beslissingen genomen door de landelijke politiek.
Het voortdurende tekort aan woningen krijgt wel veel aandacht in de verkiezingsprogramma’s. De VVD wil vooral snijden in het aantal regels. Minder regels voor de huurmarkt, minder beperkingen voor bouwen in het groen en ook hogere griffierechten bij het maken van bezwaar.
De vele bezwaren tegen bouwprojecten zijn ook een issue bij D66. Die partij stelt voor dat de Raad van State selectiever wordt in de behandeling van bezwaren. Op lange termijn wil D66 tien nieuwe steden ontwikkelen, om te beginnen ‘IJstad’ op nieuw land in het Markermeer. Wie een kamer wil verhuren, mag dat van D66 doen zonder daarover belasting te betalen.
GroenLinks-PvdA wil snel veehouders uitkopen, zodat „binnen een half jaar” (stikstof)ruimte beschikbaar komt om te gaan bouwen. De partij wil dat driekwart van de Nederlanders in aanmerking komt voor sociale woningbouw.
Daarnaast wil GroenLinks-PvdA de aftrek van hypotheekrente beperken en op termijn zelfs afschaffen. Zo worden de maandlasten van een koopwoning hoger en kunnen kopers minder lenen, wat de huizenprijzen structureel moet doen dalen. Ook het CDA, de SP en D66 willen het mes zetten in deze subsidie: de 11 miljard euro die dit de staat scheelt, kan in woningbouw worden gestoken.
VVD, BBB en NSC willen juist de aftrek in stand houden, net als de PVV. Deze laatste partij wil ook de huur van sociale woningen flink verlagen: door de winstbelasting voor woningcorporaties te schrappen, hoeft dit niet tot minder sociale woningbouw te leiden.
Net als de VVD pleit de PVV voor het toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen. Dit moet zestigduizend mensen aan een dak boven hun hoofd helpen.
De strafrechtketen piept en kraakt al jaren, maar loopt nu ook zichtbaar vast. Het meest tastbaar is de crisis in het gevangeniswezen. Door een cellen- en personeelstekort worden criminelen vrijwel standaard twee weken voor het einde van hun straf vrijgelaten. Dat tast de rechtsstaat aan, omdat rechterlijke vonnissen niet worden uitgevoerd.
Ook de politie slaat alarm. Er staan duizenden vacatures open en veel agenten gaan binnenkort met pensioen. Klassiek politiewerk – zoals opsporing en wijktaken – schiet erbij in. Een belangrijke oorzaak is dat de ME steeds vaker wordt ingezet bij demonstraties. En achter het blauwe pak schuilt een wijkagent of rechercheur die zijn normale werk laat liggen. Bovendien heeft de politie-organisatie forse investeringen nodig in ICT. Onlangs waarschuwde de korpsleiding dat de politie zonder extra financiële middelen koerst op een structureel tekort van 850 miljoen euro in 2030.
De hack bij het Openbaar Ministerie maakte deze zomer pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar de overheid voor cyberdreiging is. Maanden later zijn de verouderde ICT-voorzieningen bij het OM nog steeds niet volledig hersteld en moeten officieren improviseren om verdachten op te sporen en te vervolgen.
Statistisch gezien is er weinig reden tot optimisme. De jarenlange criminaliteitsdaling is voorbij. Een groot deel van de Nederlandse criminaliteit is drugsgerelateerd. Jaarlijks vinden meer dan duizend aanslagen plaats op woningen en bedrijfspanden, vaak gelinkt aan het drugsmilieu. Politie en justitie hebben moeite daar grip op te krijgen.
In de Rotterdamse haven werd in 2024 weliswaar minder cocaïne onderschept (25.900 kilo, bijna de helft minder dan een jaar eerder), maar het aanbod is nog onverminderd groot, zo blijkt uit de lage groothandelsprijs. En Nederland vervult nog steeds de rol van draaischijf in de Europese cocaïnehandel.
De rechtsstaat kent ook een andere dreiging: de leegloop van de sociale advocatuur omdat het werk financieel zeer onaantrekkelijk is. In sommige regio’s is nauwelijks nog een advocaat beschikbaar voor asiel- of schuldenzaken. Daarmee komt de toegang tot de rechter – en dus de rechtsbescherming van de meest kwetsbaren – in gevaar.
Vrijwel alle partijen erkennen de problemen in de strafrechtketen, maar de genoemde oplossingen lopen sterk uiteen.
Aan de rechterkant van het politieke spectrum ligt de nadruk op repressie. VVD, PVV, JA21 en BBB willen zwaardere straffen en meer politiecapaciteit. De PVV pleit, net zoals BBB, opnieuw voor invoering van minimumstraffen, een gevoelig thema omdat dit de straftoemetingsvrijheid van de rechter inperkt. Onder meer het CDA benadrukt dat celstraffen daadwerkelijk moeten worden uitgezeten en dat de huidige vroegtijdige invrijheidstelling de geloofwaardigheid van het systeem ondermijnt.
Centrum- en linkse partijen leggen meer nadruk op preventie en rechtsbescherming. D66 en GroenLinks-PvdA willen investeren in wijkagenten en reclassering, maar ook de sociale advocatuur versterken om te voorkomen dat kwetsbare burgers de dupe worden. De SP hamert daar al langer op.
Over de politie is er brede consensus dat structurele investeringen noodzakelijk zijn, maar over de precieze hoeveelheid geld en bestemming zijn partijen het niet eens. Waar de VVD en CDA vooral hameren op meer agenten en opsporingscapaciteit, wijst D66 op digitalisering.
Veel partijen benoemen het gevaar van georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Daarbij ligt de nadruk op het afpakken van crimineel vermogen. GroenLinks-PvdA stelt dat opbrengsten van drugs- en fraudecriminaliteit moeten worden afgepakt en herbestemd voor maatschappelijke doelen. De VVD gaat verder en pleit voor uitbreiding van de mogelijkheden om vermogen af te pakken, ook zonder voorafgaande veroordeling. D66 wil de Europese confiscatierichtlijn snel implementeren, zodat crimineel geld „sneller en vaker” kan worden ontnomen. Een ander twistpunt is de inzet van alternatieve straffen, zoals elektronische detentie via een enkelband. GroenLinks-PvdA en D66 zien de enkelband als een serieuze hoofdstraf, die rechters meer ruimte geeft om korte celstraffen te vervangen en recidive te voorkomen. Zo zou ook de druk op het gevangeniswezen verlicht worden. VVD, PVV en JA21 vinden dat de enkelband geen echte straf is.
Demissionair minister van Defensie Ruben Brekelmans (VVD) zei het vorig jaar al: „We leven niet in oorlog, maar ook niet meer in vrede”. De Russische dreiging heeft Defensie – voor het eerst sinds de Koude Oorlog – tot een belangrijk verkiezingsthema gemaakt.
Tijdens de NAVO-top in Den Haag stemde Nederland eind juni in met het verhogen van de defensie-uitgaven van 2 tot 5 procent van het bruto binnenlands product (bbp). De toezegging is goed nieuws voor de krijgsmacht, maar heeft vergaande financiële gevolgen.
In de afgelopen decennia heeft Europa zijn defensie ernstig verwaarloosd. Ook Nederland behoorde tot de grote groep landen die bij lange na niet voldeden aan de oude NAVO-norm van 2 procent van het bbp. Sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne is de achterstand ingelopen: in 2026 bedragen de defensie-uitgaven (militaire hulp aan Oekraïne niet meegerekend) 21,4 miljard euro – 2,02 procent van het verwachte bbp.
De komende jaren zullen de uitgaven echter verder moeten worden verhoogd. Binnen de NAVO is afgesproken dat de bondgenoten de uitgaven voor de strijdkrachten ophogen tot minstens 3,5 procent, de rest mag worden uitgegeven aan defensie-gerelateerde behoeften, zoals het versterken van de fysieke en digitale infrastructuur en maatschappelijke weerbaarheid. Dat betekent nog altijd dat de Defensiebegroting verder zal moeten stijgen tot tenminste 32 miljard euro, een structurele toename met 10 miljard. Om 5 procent te halen moet daar nog eens 22,1 miljard bij.
Maar geld is niet het enige probleem. Om het NAVO-grondgebied te kunnen verdedigen moet ook het aantal militairen fors omhoog: van zeventigduizend nu tot honderdduizend in 2030. Daar bovenop moet een reservebestand komen van nog eens honderdduizend oud-militairen die in tijden van crisis kunnen worden gemobiliseerd. Tot nu toe houdt het ministerie van Defensie vol dat dit mogelijk is zónder het activeren van de dienstplicht, die sinds 1996 is opgeschort.
Over de noodzaak van het verhogen van de defensie-uitgaven bestaat grote consensus: alleen op de uiterst linker- (SP) en uiterst rechterflank (FvD) trekt men de NAVO-norm in twijfel. Maar politieke partijen zijn tot nu toe niet erg concreet over de manier waarop al deze miljarden zullen moeten worden opgehoest.
Grofweg zijn daarvoor drie routes. Nederland kan de staatsschuld laten oplopen, de belastingen kunnen worden verhoogd of het komende kabinet kan (zeer fors) bezuinigen. Veel partijen willen met name in de zorg snijden, blijkt uit doorrekening van de verkiezingsprogramma’s door het Centraal Planbureau (CPB).
In tegenstelling tot in veel andere Europese landen staan de Nederlandse overheidsfinanciën er goed voor. De Europese Commissie wil bovendien de Europese begrotingsregels oprekken om extra defensie-uitgaven mogelijk te maken. Vooral GroenLinks-PvdA en andere progressieve partijen (D66, Volt) zien dit zitten. Op de rechterflank (CDA, JA21) is men echter huiverig voor het loslaten van de begrotingsdiscipline en ziet men meer in bezuinigen. Alleen het CDA spreekt openlijk over een derde methode: het verhogen van de belastingen. Een zogenoemde ‘vrijheidsbijdrage’, zo heeft CDA-leider Henri Bontenbal al laten weten, zal onderdeel zijn van de mix van lenen, bezuinigen en lastenverzwaringen waar partijen een keuze uit zullen moeten maken.
De defensieplannen van de politieke partijen onderscheiden zich ook op een ander punt. GroenLinks-PvdA, D66 en Volt willen de defensie-investeringen aangrijpen om te komen tot veel nauwere Europese samenwerking. Op rechts vreest men dat een ‘Europees leger’ ten koste gaat van het fundament van de Europese veiligheid: de NAVO.
De online wereld en de tastbare wereld zijn niet meer van elkaar te scheiden. Wat op het internet gebeurt, raakt onze democratie en economische welvaart, onze veiligheid en die van onze kinderen.
Technologische kennis is macht. De Nederlandse overheid maakt zich dan ook zorgen over onze groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese techbedrijven. De meeste politieke partijen willen ook een eigen Nederlandse cloud, zodat met name overheden niet nog meer data bij het Amerikaanse Microsoft hoeven te stallen. En een sterkere Europese techindustrie, met AI-fabrieken die kunstmatige intelligentie ontwikkelen volgens Europese (privacy)wetgeving.
Het gebruik van AI, samen met de ontwikkeling, inzet en regulering van kunstmatige intelligentie, is een groot thema. Mogen ambtenaren AI gebruiken, en zo ja hoe? En hoeveel AI in de zorg is wenselijk? Het zijn complexe vragen. De meeste partijen vinden daarom dat in het onderwijs meer aandacht moet komen voor ‘digitale geletterdheid’.
Tegelijkertijd lijkt digitalisering in politiek Den Haag soms nog geen volwaardig thema te zijn. De ‘digitale rijksdienst’ en ‘digitale veiligheid overheid’ vallen vooralsnog onder een staatssecretaris. Partijen zoals GroenLinks-PvdA, D66, SP, Volt en NSC willen een ministerie van Digitale Zaken met macht en eigen geld. Met een echte minister, van bijvoorbeeld ‘Technologie en Innovatie’.
De Kamercommissie digitale zaken is de afgelopen jaren behoorlijk actief geweest. De commissieleden hebben samengewerkt over partijlijnen heen om thema’s zoals digitale autonomie en de online bescherming van minderjarigen te agenderen. Toch zijn ze niet beloond voor hun opgebouwde expertise. De parlementariërs zijn door hun partijen vrijwel allemaal op onverkiesbare plaatsen gezet. Online is uit frustratie daarover een kleine campagne gestart, met de hashtag #VoteNerd.
De VVD wil, net als bijvoorbeeld JA21, vooral digitale innovatie stimuleren en niet te veel beperkende regels voor burgers en bedrijven. De partij pleit voor een zo klein mogelijke en sterk gedigitaliseerde overheid. Net als het CDA benadrukt de VVD vooral de kansen voor de maatschappij die AI biedt, in plaats van de risico’s.
Aan de andere kant staan partijen die juist pleiten voor een sturende overheid en consumentenbescherming. GroenLinks-PvdA en de SP bijvoorbeeld, benadrukken de noodzaak van menselijk toezicht en menselijke aansprakelijkheid bij de inzet van algoritmen. Ook de ChristenUnie benadrukt de ethische vraagstukken rondom AI meer dan de mogelijke economische kansen.
De uiteenlopende politieke opvattingen zijn met name zichtbaar rond de ontwikkeling en regulering van kunstmatige intelligentie. De ene partij wil duidelijke spelregels, ook als dat wellicht betekent dat de laatste AI-snufjes niet direct beschikbaar zijn voor burgers. De ander wil vrij spel voor bedrijven en achteraf eventueel corrigeren.
Partijen als D66 en GroenLinks-PvdA willen ook eisen stellen aan digitalisering en kunstmatige intelligentie zodat het hierdoor veroorzaakte, stijgende stroomverbruik niet ten koste gaat van de verduurzaming. D66 wil een nationaal plan voor de aanleg van datacentra.
Draagt het bij aan onze veiligheid als banken gegevens over transacties kunnen delen? Als al ons chatverkeer preventief wordt gescand op kindermisbruikmateriaal? Of zijn dat onnodige inbreuken op onze privacy en bouwen we daarmee databases op, die op hun beurt weer een magneet zijn voor criminelen?
Hoe de grootste partij van Nederland kijkt naar ‘digitalisering’, is lastig te zeggen. De PVV spreekt zich amper uit over digitale thema’s.
Vorig jaar kwamen 314.000 migranten naar Nederland, vooral voor familie, werk en studie. Een minderheid, 14,5 procent, bestond uit asielzoekers. Toch beheerst asielmigratie vaak het politieke debat in Den Haag. Dit ondanks het feit dat er een dalende trend is in het aantal asielzoekers dat naar Nederland komt. De onvrede heeft mede te maken met de vastgelopen ‘asielketen’.
Bij het aanmeldcentrum in het Groningse Ter Apel moeten geregeld te veel asielzoekers worden opgevangen onder matige omstandigheden. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) moet de gemeente iedere keer een dwangsom betalen als er te veel mensen in Ter Apel verblijven; het bedrag is dit jaar al opgelopen tot 700.000 euro.
Het afhandelen van asielaanvragen verloopt moeilijk omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te weinig capaciteit heeft. Wanneer asielzoekers een verblijfsvergunning of status krijgen, is er vaak geen woning voor hen door het woningtekort. Daardoor is 25 procent van de mensen in azc’s nu statushouder en blijven azc’s vol. En als asielzoekers worden afgewezen, lukt het maar in 20 procent van de gevallen om hen weer uit te zetten buiten de EU.
De maatschappelijke onrust over asielmigratie neemt ook toe. Er zijn lokale demonstraties tegen azc’s en de rechtsextremistische rellen in Den Haag van 20 september waren gericht tegen het asielbeleid.
De spreiding van asielzoekers over alle Nederlandse gemeenten, die afgelopen juli van start is gegaan, moet verlichting bieden voor bijvoorbeeld Ter Apel. Twee derde van de gemeenten heeft minder plekken beschikbaar dan verplicht is, één van de redenen daarvoor is dat omwonenden plannen voor opvang tegenhouden.
De komst van arbeidsmigranten is economisch gezien belangrijk voor het vergrijzende Nederland. Maar het legt ook druk op maatschappelijke voorzieningen en wijken, bijvoorbeeld rondom de kassen van het Westland waar veel arbeidsmigranten werken. Het toezicht op werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten schiet bovendien tekort.
Veel partijen zijn het erover eens dat het totale migratiesaldo van de laatste jaren te hoog ligt, ook met het oog op de bevolkingsgroei. Toch nemen politiek en bestuur amper concrete stappen en blijven echte beleidshervormingen uit. De VVD liet het kabinet Rutte IV vallen op asiel en migratie, de PVV deed hetzelfde met het demissionaire kabinet Schoof. Beide partijen zeiden dat ze met hun coalitiepartners geen strenger beleid konden maken – terwijl er maatregelen klaarlagen.
Wetsvoorstellen van het demissionaire kabinet-Schoof zullen de druk op de asielketen volgens de IND niet verlichten. Zo houdt demissionair minister Mona Keijzer (Volkshuisvesting, BBB) vast aan het schrappen van de voorrang van statushouders op een woning, al is dit volgens de Raad van State in strijd met het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet. Demissionair minister van Buitenlandse Zaken David van Weel (VVD) kondigde aan uitgeprocedeerde asielzoekers naar Oeganda te willen uitzetten – een plan dat onuitvoerbaar lijkt. De landelijke spreiding van asielzoekers, om lokale overlast in bepaalde opvanglocaties tegen te gaan, staat ook weer ter discussie.
Rechtse partijen, de radicaal-rechtse PVV en FVD voorop, gevolgd door onder meer VVD, BBB en JA21, proberen zo streng mogelijk te zijn over asielmigratie, in de hoop kiezers voor zich te winnen. Maar in hoeverre nationaal ontmoedigingsbeleid daadwerkelijk invloed heeft op asielmigratie, is maar de vraag. Het aantal vluchtelingen wordt in eerste plaats gestuurd door het niveau van onderdrukking en conflicten in landen van herkomst.
De constante ruzie over asiel heeft het politieke debat in zijn geheel doen opschuiven naar rechts. Ook bijvoorbeeld GroenLinks-PvdA wil ingrijpen en een jaarlijks migratiesaldo van maximaal 60.000 mensen invoeren (109.000 in 2024), en vooral inzetten op controles en afhandeling van asielverzoeken bij de Europese buitengrenzen.
Wat betreft arbeidsmigratie is de discussie ook verschoven. Rechtse partijen als de VVD waren jarenlang tegen inperking daarvan, omdat werkgevers daardoor geraakt kunnen worden. Inmiddels is er een vrij brede consensus dat goedkope arbeidsmigratie, niet die van kennismigranten, moet worden ingeperkt. Sectoren die nu leunen op goedkope arbeidsmigranten, zoals slachthuizen en de landbouw, moeten innoveren, al dan niet met hulp van de overheid.
Op het vliegveld, de weg en het spoor. De nieuwe minister van Infrastructuur en Waterstaat – of hoe een nieuw kabinet het ministerie voor trein, auto en vliegtuig ook zal noemen – zal bij alle drie naar meer balans moeten zoeken.
In de eerste plaats rond Schiphol. De luchthaven is belangrijk voor de economie, voor de bereikbaarheid en voor het vestigingsklimaat voor bedrijven. Maar in hoeverre mag dat financiële belang ten koste gaan van de leefomgeving en omwonenden? In een baanbrekend vonnis stelde de rechtbank in Den Haag vorig jaar dat de Nederlandse overheid de belangen van omwonenden van Schiphol „stelselmatig heeft achtergesteld” bij de belangen van de luchthaven en luchtvaartmaatschappijen.
Oud-minister Mark Harbers (Infrastructuur, VVD) startte een procedure om het vliegveld te laten krimpen. Maar zijn opvolger Barry Madlener (PVV) draaide die stap deels terug, en diens opvolger Robert Tieman (BBB) speelt nu nog weinig klaar in het juridische moeras rond Schiphol. Het aantal toegestane vluchten is per 1 november wel teruggebracht naar 478.000 vluchten per jaar.
De zoektocht naar balans geldt ook voor Lelystad Airport. Daar speelt naast leefomgeving en (in mindere mate) economie ook het belang van defensie mee. De meeste partijen lijken voor de komst van F-35’s naar het poldervliegveld, maar een Kamermeerderheid stemde onlangs tegen de combinatie van straaljagers én vakantievluchten.
Ook bij de auto moet het nieuwe kabinet op zoek naar een nieuwe balans. Decennialang was de auto een spreekwoordelijke melkkoe, maar meer elektrische auto’s betekent minder overheidsinkomsten (zoals accijns op fossiele brandstoffen). Beleidsvragen die voorliggen: wel of geen subsidies voor elektrisch rijden, wel of geen kilometerheffing (rekeningrijden), en hoge of lage accijnzen op fossiele brandstoffen?
Een nieuwe balans geldt in zekere zin letterlijk voor de trein. Die is zwaarder, en rijdt harder en vaker dan vroeger. En daarop zijn de spoordijken – gebouwd in de jaren na de Tweede Wereldoorlog – niet berekend. Spoordijken verzakken waardoor grondige en dure renovaties nodig zijn. De HSL-viaducten tussen Amsterdam en België zijn van een recentere bouwdatum, maar hebben ook grote constructieproblemen.
Ook de autowegen en de vaarwegen staan voor een enorme onderhoudsopgave, meldt het kabinet jaar na jaar. Nu echter het Mobiliteitsfonds onder druk staat, vrezen deskundigen voor de staat van de infrastructuur in Nederland.
De politieke discussie over verkeer en vervoer verloopt al jaren langs de traditionele scheidslijnen tussen links en rechts.
De VVD, PVV, JA21 en SGP zijn voor meer asfalt, meer vliegen, meer financieel voordeel voor de automobilist. Zij zijn bijvoorbeeld voor de uitbreiding van de A27 bij Amelisweerd in de provincie Utrecht.
GroenLinks-PvdA, ChristenUnie, PvdD en andere partijen pleiten al jaren voor steun aan het openbaar vervoer, krimp van Schiphol, en het sluiten van onrendabele kleinere vliegvelden zoals Maastricht Aachen Airport.
Drie partijen springen eruit als het om verkeer en vervoer gaat.
Regeringspartij VVD domineerde jarenlang de agenda voor meer mobiliteit. Minister Harbers (Infrastructuur en Waterstaat, VVD) was in de periode 2022-2024 een eerste uitzondering. Hij zette zich juist in voor het beperken van de capaciteit van Schiphol.
De BBB is nu cruciaal. Hoewel het huidige kabinet demissionair is, levert de partij levert sinds enige tijd de nieuwe minister van Infrastructuur, Robert Tieman. Ook staatssecretaris Gijs Tuinman (Defensie) is van de BBB; hij gaat over de straaljagers en pleit voor een nieuwe luchtmachtbasis op Lelystad Airport. BBB-staatssecretaris Jean Rummenie (Landbouw) gaat ten slotte over de natuurvergunningen voor onder meer vliegvelden (stikstof). Schiphol heeft er geen, en opereert feitelijk illegaal. Ook Lelystad Airport kan nog niet open, omdat onder meer een natuurvergunning al jaren op zich laat wachten.
Het CDA ten slotte lijkt de cruciale partij te worden voor de toekomst van de luchtvaart. De partij van Henri Bontenbal, die het goed doet in de peilingen, lijkt enigszins te zijn gedraaid in de discussie over de luchtvaart. De partij sluit groei van Schiphol en opening van Lelystad niet langer uit.
Alleen een nieuwe pandemie of extreem hoge gasprijzen zouden er nog voor kunnen zorgen dat de Nederlandse klimaatdoelen voor 2030 binnen bereik komen. Zonder grote economische tegenvallers wordt het onhaalbaar om de CO2-uitstoot binnen vijf jaar met 55 procent (ten opzichte van 1990) terug te brengen.
Deze recente conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) komt niet als een verrassing. Jaar na jaar werd de kans al kleiner om het eerste aangewezen klimaatdoel te halen, en met het aantreden van het rechtse kabinet-Schoof in 2024 verdween (de urgentie van) het thema verduurzaming naar de achtergrond.
Met de PVV en BBB belandden er twee partijen in de regering die weinig op hebben met klimaatbeleid. Bij de andere twee coalitiepartners, VVD en NSC, werd de nadruk op verduurzaming steeds kleiner.
Zo verdween zonder veel opzien de CO2-heffing voor de industrie. Ook de zogeheten maatwerkafspraken leveren nauwelijks iets op: met twintig grote vervuilers is gesproken om ambitieuze klimaatdoelen te treffen, maar met slechts één bedrijf (Nobiam) werd een akkoord bereikt.
Tekenend voor het gebrek aan politieke urgentie is het plan van demissionair minister Sophie Hermans (Klimaat, VVD) dat voor voldoende CO2-reductie moest zorgen. Het voorstel zou goed zijn voor een maximale reductie van 12 miljoen ton (12 megaton) in 2030. Hoewel dat onvoldoende was om het eerste klimaatdoel te halen, bleek die extra impuls ook erg tegen te vallen. Volgens het PBL komt het nieuwe beleid (met maatregelen zoals extra steun voor elektrisch rijden en een CO2-heffing voor afvalverbranders) neer op hoogstens 4 megaton minder uitstoot.
Het missen van de doelen voor 2030 heeft ook voor de langere termijn gevolgen. In 2040 moet de CO2-reductie 90 procent zijn, het wordt nu al minder waarschijnlijk dat dit doel in Nederland wordt gehaald.
In verkiezingsprogramma’s van veel partijen lijkt de urgentie van klimaatmaatregelen naar de achtergrond te zijn verdwenen. Tijdens het kabinet-Schoof ging de politieke discussie al meer over woningnood en internationale spanningen dan over verduurzaming.
Deze verschuiving is duidelijk te zien bij bijvoorbeeld D66. Twee jaar geleden begon het verkiezingsprogramma met klimaatbeleid. Een ambitieuze doelstelling daarin was dat in 2040 Nederland klimaatneutraal zou zijn, wat betekent dat er per saldo geen CO2 meer wordt uitgestoten.
In het nieuwe verkiezingsprogramma van D66 is die doelstelling verdwenen. Nu is de ambitie om de uitstoot elk jaar met 5 tot 6 procent te verminderen, en moet Nederland pas in 2050 klimaatneutraal zijn.
Volt benadrukt de klimaatambities volledig overeind te houden en wil de uitstoot in 2040 met 90 procent terugdringen – in de huidige politieke context opvallend. Alleen GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren zijn op klimaatgebied ambitieuzer. Volt wil fossiele subsidies (zoals goedkopere stroom voor de industrie en btw-vrije kerosine) direct beëindigen en noemt 2030 als het jaar waarin geen nieuwe verbrandingsmotoren meer op de markt mogen komen. Europa mikt op 2035 voor het einde van nieuwe benzineauto’s, of dat doorgaat is nog de vraag.
GroenLinks-PvdA streeft naar een klimaatneutraal 2040, vooral via de industrie en energiesector. Tien jaar eerder moet de landelijke CO2-uitstoot al 65 procent lager liggen dan in 1990. Anders dan D66 en Volt spreekt GroenLinks-PvdA zich uit tégen de komst van kerncentrales. De al gereserveerde 14 miljard euro voor deze centrales wil de partij gebruiken om huishoudens en bedrijven te helpen verduurzamen.
Ondertussen wil de VVD zich de komende jaren juist richten op de bouw van vier kerncentrales, en spreekt de PVV van „klimaatgekte” – „klimaatdoelen zijn onhaalbaar en onbetaalbaar”. Verder wil de VVD de huidige Klimaatwet wijzigen omdat die te eenzijdig op het beperken van CO2-uitstoot gericht zou zijn. Zodra de betaalbaarheid van de (Europese) klimaatdoelen in gedrang komt moet de minister ingrijpen, vindt de partij.
Allereerst het lerarentekort, dat het hoogst is in de grote steden in de Randstad. In het basisonderwijs was volgens de laatste telling sprake van een tekort van 7.700 leraren – ruim 8 procent van de werkgelegenheid in deze sector. Ook het voortgezet onderwijs en mbo kampen met een tekort, daar blijven respectievelijk 5 en 4 procent van de banen onvervuld. Het tekort neemt nu licht af, maar stijgt de komende jaren weer, zelfs bij dalende leerlingenaantallen, omdat veel leraren met pensioen gaan.
Daarbij is de onderwijskwaliteit zorgelijk. De Inspectie voor het Onderwijs deed vorig jaar een steekproef onder 225 scholen. Iets meer dan 20 procent scoorde een onvoldoende: leerresultaten bleven achter, de kwaliteit van de lessen was ondermaats en de ontwikkeling van de leerlingen werd onvoldoende gevolgd.
En over de hele linie presteren leerlingen slecht. Bij het driejaarlijkse internationale PISA-onderzoek, waarbij vijftienjarigen uit 81 landen worden getest op leesvaardigheid en hun kennis van wiskunde en natuurwetenschappen, bleek onder meer de leesvaardigheid van Nederlandse leerlingen onder het gemiddelde van andere Europese landen te liggen.
Ook met de slagingspercentages van middelbare scholieren gaat het allesbehalve denderend. Die liggen op alle schoolniveaus lager dan voor de coronapandemie en gingen afgelopen schooljaar weer verder naar beneden.
Terwijl op de arbeidsmarkt grote behoefte bestaat aan vakkrachten, kampt het mbo met dalende instroom. Bovendien gaan steeds meer mbo-studenten voortijdig van school. Wat ook niet helpt: degenen met een migratieachtergrond vinden minder makkelijk een stage of werkplek.
Naast al die problemen wordt ook nog eens bezuinigd. Het kabinet-Schoof acht dat nodig om de overheidsfinanciën gezond te houden. De bezuinigingen lopen op tot 1,3 miljard euro per jaar en treffen vooral het hoger onderwijs, waar al bezuinigd moest worden vanwege teruglopende studentenaantallen. Universiteiten en hogescholen moeten dus krimpen in opleidingen en personeel en hebben komende jaren minder geld voor wetenschappelijk onderzoek.
De brede problemen binnen het onderwijs vragen allereerst om voldoende leerkrachten. Wat volgens belangenorganisaties helpt om meer leraren aan te trekken: betere arbeidsvoorwaarden, lagere werkdruk. Denk aan kleinere klassen, meer onderwijsassistenten en betere ondersteuning voor zorgleerlingen.
In de Tweede Kamer leven ook allerlei ideeën om het vak van leraar aantrekkelijker te maken. Over veel bestaat consensus tussen de partijen, bijvoorbeeld dat beginnende leraren betere begeleiding nodig hebben en meer mogelijkheden voor specialisatie of doorgroei. En ook pleiten partijen voor het beperken van de administratieve rompslomp voor leraren. Tevens vindt vrijwel elke partij dat de basisvaardigheden, met name taal en rekenen, meer aandacht moeten krijgen. Dan zullen niet alleen de leerprestaties weer verbeteren, maar ook wordt verwacht dat dit leidt tot herwaardering van het vakmanschap van leraren.
Daarnaast komen partijen met eigen oplossingen. De VVD wil de pabo weer splitsen, met een lerarenopleiding voor onderwijs voor kleuters en een voor oudere kinderen. Dat zou het vak aantrekkelijker moeten maken voor mannen. Daarnaast wil de partij leerkrachten met een bonus stimuleren om meer uren te gaan werken.
GroenLinks-PvdA wil het makkelijker maken om parttime les te geven naast ander werk en om als oud-docent terug te keren. Leerkrachten in achterstandswijken en het speciaal onderwijs moeten volgens deze partij beter beloond worden.
De PVV denkt dat het helpt als scholen stoppen met onderwijsvernieuwingen en weer overgaan op directe instructie en klassieke pedagogiek.
Het CDA wil onder meer zorgen voor betaalbare woningen speciaal voor leraren en investeren in schoolgebouwen.
D66 wil de lerarensalarissen verhogen en meer doorgroei mogelijk maken, dat kan de status van het beroep van leraar verbeteren.
Twee internationale conflicten spelen ook een grote rol in het maatschappelijke en politieke debat in Nederland.
De oorlog in Oekraïne ten eerste heeft opnieuw pijnlijk duidelijk gemaakt dat vrede op het Europese continent niet vanzelfsprekend is. Sinds de Russische invasie in 2022 is Nederland uitgegroeid tot een van de belangrijkste steunpilaren van Kyiv. In 2025 bedroeg alleen de militaire steun al 4,7 miljard euro, voor het komende jaar is 2,7 miljard begroot. Ook vangt Nederland nog altijd 120.000 Oekraïense vluchtelingen op. Die steun zal voorlopig nog moeten worden voortgezet, want een einde aan de vijandelijkheden lijkt nog lang niet in zicht. In de afgelopen weken heeft Rusland bovendien de druk op Europa opgevoerd. Nederlandse F-35’s in Polen moesten in actie komen om Russische drones uit de lucht te halen. De vraag is hoeverre de NAVO wil gaan in de confrontatie met Rusland. Polen en de Baltische landen pleiten voor een no-flyzone boven West-Oekraïne.
De wereld hoopt op vrede in Gaza, maar de wapenstilstand tussen Israël en Hamas is nog broos. Het oorlogsgeweld heeft zowel het kabinet als de Nederlandse samenleving sterk verdeeld. Sinds de terreuraanval van Hamas op 7 oktober 2023 hebben zowel het demissionaire kabinet Rutte IV als het kabinet-Schoof geprobeerd om steun voor Israël te combineren met kritiek op het Israëlische geweld. Naarmate dit geweld een genocidaal karakter kreeg, is die positie van het kabinet steeds meer onder druk komen te staan: volgens tellingen zijn inmiddels ruim 67.000 Palestijnen – vooral burgers – om het leven gekomen. Eind september leidde de onwil van VVD en BBB om maatregelen te nemen tegen de regering-Netanyahu tot het opstappen van minister van Buitenlandse Zaken Caspar Veldkamp en de andere bewindslieden van NSC.
Over de steun aan Oekraïne bestaat grote politieke consensus. Hoewel PVV en BBB openlijk hebben gespeculeerd over het terugsturen van Oekraïense vluchtelingen, hebben beide partijen niet dwarsgelegen als het gaat om militaire steun aan Kyiv. Ook de pacifistische Partij voor de Dieren zich heeft hieraan gecommitteerd – een besluit dat tot weerstand heeft geleid in de achterban. De snel escalerende standoff met Rusland noopt echter tot nieuwe keuzes. Daar waar D66 en Volt al oproepen tot een no-flyzone boven Oekraïne waarschuwde partijleider Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA) voor het risico op een directe militaire confrontatie met Moskou.
Het is nog onduidelijk of het wapengeweld in Gaza weer kan oplaaien. De oorlog heeft geleid tot een diepe kloof in het politieke landschap in Nederland. Terwijl begin oktober ruim 250.000 betogers zich in Amsterdam verzamelden voor het trekken van een een „rode lijn” tegen de regering-Netanyahu, twitterde BBB-leider Caroline van der Plas over een „gele lijn”: het vrijlaten van de nog levende Israëlische gijzelaars.
Een motie van buitenlandwoordvoerder Kati Piri (GroenLinks-PvdA) voor een volledig wapenembargo tegen Israël (inclusief onderdelen voor het raketschild ‘Iron Dome’) leidde eerder tot grote verontwaardiging op rechts. Toen zanger Douwe Bob weigerde op te treden op een Joods voetbaltoernooi vanwege politieke uitingen over de oorlog werd hij door VVD-leider Dilan Yesilgöz beschuldigd van ‘Jodenhaat’. Hoewel opiniepeilingen uitwijzen dat een meerderheid van de samenleving een andere houding van de Nederlandse regering wil, zijn rechtse partijen tijdens het conflict vierkant achter Israël blijven staan.
Hoewel de VVD inmiddels heeft ingestemd met een nationaal importverbod van goederen uit illegale Israëlische nederzettingen, blokkeert de rechtse meerderheid in de Kamer verdergaande maatregelen – zoals bijvoorbeeld het erkennen van de Palestijnse Staat, waartoe verschillende Europese landen inmiddels zijn overgegaan.
Kamerdebatten over landbouw en veeteelt gaan de laatste jaren vooral over de gevolgen voor natuur en dierenwelzijn. De tijd dat er applaus klonk voor Big Boukje, in 2016 de eerste koe die meer dan 200.000 liter melk in haar leven had geproduceerd, lijkt voorbij.
Feit is dat de landbouw nog steeds te veel stikstof uitstoot die schadelijk is voor bodem en water, meer dan verkeer of industrie. Daar staat tegenover dat Nederland wereldwijd behoort tot de kopgroep van landbouwexporteurs.
Aan de politiek de taak om een balans te vinden tussen enerzijds de exportpositie, voedselzekerheid en de positie van boerenbedrijven en anderzijds het natuurbehoud en dierenwelzijn.
De schadelijkheid van het mestoverschot is al bekend sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, maar politiek en bestuur hebben decennialang niet ingegrepen. Sinds de Raad van State in 2019 oordeelde dat de overheid de natuur onvoldoende tegen stikstof beschermt, is vergunningverlening voor boeren en bouwprojecten een acuut probleem geworden. Eind 2024 bepaalde de Raad dat bedrijven ook niet zelf mogen ‘schuiven’ met hun vergunde stikstofruimte.
De Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel, die dit jaar is ingesteld, heeft tot nu toe een ‘startpakket’ met vrijwillige maatregelen tegen stikstof opgesteld. Volgens de Landsadvocaat zijn deze maatregelen onvoldoende.
Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft berekend dat de uitstoot de komende jaar niet met 40 procent, maar met 80 procent moet dalen om aan wettelijke stikstofdoelen te voldoen.
Met alleen technische innovatie lijkt dat niet haalbaar. Het verkleinen van de veestapel, en daarmee het mestoverschot, lijkt onoverkomelijk. Het Centraal Bureau voor de Statistiek liet in juli zien dat de veestapel in Nederland iets kleiner wordt. Het aantal varkens daalde in een jaar met 5 procent tot 9,96 miljoen en het aantal runderen met ruim 3 procent tot 3,65 miljoen.
Boerenorganisaties, supermarkten en de Dierenbescherming maakten deze zomer met het kabinet (niet dwingende) afspraken om het welzijn van de 520 miljoen varkens, koeien, kippen en andere dieren in Nederland te vergroten. Het convenant moet ertoe leiden dat Nederland in 2040 „dierwaardige veehouderij” kent, waarin varkensstaarten niet meer worden gecoupeerd, kippen op stok kunnen en koeien vaker in de wei lopen.
In Den Haag zijn de opvattingen over verduurzaming van de landbouw, en met name over het stikstofbeleid, zeer verdeeld. Illustratief is de moeite die demissionair landbouwminister Wiersma (BBB) moest doen om voldoende steun te krijgen voor haar beleid rond de zogenoemde PAS-melders. Dat zijn in wezen ‘illegale’ boerenbedrijven die door toedoen van de overheid al jaren zonder natuurvergunning zitten.
Eind vorig jaar al stelde Wiersma voor deze PAS-melders nog drie jaar langer te gedogen, omdat er nog steeds geen extra stikstofruimte of oplossing voor deze groep boeren was. Na vele debatten en amendementen stemden begin oktober de vier (oorspronkelijke) coalitiepartijen voor het voorstel, met onder meer steun van CDA, ChristenUnie en SGP.
Op dezelfde dag werd ook gestemd over de vierde motie van wantrouwen tegen de minister van Landbouw die door zes oppositiepartijen – goed voor 47 zetels – werd gesteund.
Zelfs de resterende coalitiepartijen VVD en BBB staan geregeld tegenover elkaar op landbouwgebied. De afronding van een nieuw pakket aan maatregelen tegen stikstof liep rond Prinsjesdag vertraging op, omdat de VVD weinig vertrouwen had in de maatregelen die 2,6 miljard euro kosten. Na fikse discussie zijn beide coalitiepartijen het vorige week wel eens geworden over versoepeling van de stikstofrekenregels.
BBB en ook PVV zien geen bezwaren tegen de hoge stikstofuitstoot in Nederland die voor driekwart van de landbouw afkomstig is. De VVD is kritischer en pleit in haar verkiezingsprogramma voor „een substantiële vermindering van de stikstofuitstoot”.
Linkse oppositiepartijen willen veel verder gaan. Zo stelt GroenLinks-PvdA voor piekbelasters van stikstof snel – en zo nodig met dwang – uit te kopen en te verplaatsen. Dat geldt ook voor intensieve veehouders rond natuurgebieden als de Veluwe en de Peel.
Het CDA bekleedt een middenpositie en wil nog wachten met de eventueel gedwongen uitkoop van bedrijven. De partij wil pas sancties doorvoeren als na 2030 blijkt dat bedrijven onvoldoende stikstofreductie hebben bereikt. Ook pleit de partij van Henri Bontenbal voor de nieuwe invoering van het ‘stikstoffonds’ van ruim 24 miljard euro dat onder het kabinet Rutte IV werd opgetuigd. Nog voordat dit fonds formeel was vastgesteld, sneuvelde het bij de formatie van het kabinet-Schoof.
Het demissionaire kabinet en veel partijen willen toe naar een nieuw stikstofsysteem, niet gebaseerd op neerslagnormen in een gebied, maar op uitstootnormen per boerenbedrijf. Het zal echter nog jaren duren voordat dit nieuwe systeem ingevoerd kan worden.
De zorg loopt aan alle kanten vast. Er is een toenemend personeelstekort, een hoog ziekteverzuim en er is veel verloop in de sector. Tegelijkertijd blijft de vraag naar zorg stijgen door de dubbele vergrijzing: steeds meer ouderen die steeds ouder worden.
Het personeelstekort is over tien jaar opgelopen tot 266.000 mensen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarschuwde eerder dat in 2060 een op de drie werkenden in de zorg zou moeten werken om dat tekort tegen te gaan – nu is dat nog zo’n een op de zes. Dat is onhaalbaar en onwenselijk. Als meer mensen in de zorg gaan werken, zijn er minder mensen beschikbaar voor bijvoorbeeld het onderwijs.
Intussen blijven ook de zorgkosten stijgen. Niet alleen door de dubbele vergrijzing, ook door nieuwe en dure technieken en behandelingen. Meer aanbod hiervan creëert ook meer vraag. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft niet voor niets al jaren de grootste of een-na-grootste begroting, in 2025 zo’n 110 miljard euro.
Klein lichtpuntje: er valt wat te winnen in het schrappen van overbodige zorg. Zo wordt geregeld gewaarschuwd voor ‘overdiagnostiek’, bijvoorbeeld mensen die per se doorverwezen willen worden voor een MRI-scan (bijvoorbeeld bij lage rugklachten) terwijl daar zelden of nooit iets uitkomt. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, een belangrijk adviesorgaan voor kabinet en Tweede Kamer, noemde de stijging van screenings en diagnoses eerder dit jaar in een rapport „een zorgwekkende onbegrensde expansie”. Het gevolg is onder meer dat mensen met ernstigere klachten op een wachtlijst terechtkomen.
Oud-zorgminister Fleur Agema (PVV) maakte van het aanpakken van het arbeidsmarkttekort haar „allergrootste prioriteit”. Ze wilde de administratieve lasten en regeldruk verlagen zodat meer tijd overblijft om daadwerkelijk te ‘zorgen’, en ze zag een grote rol voor kunstmatige intelligentie („een revolutie in de zorg”). Diezelfde lijn houdt de PVV ook in het nieuwe verkiezingsprogramma vast. Tegelijkertijd heeft de partij veel plannen die de druk op de zorg alleen maar zullen vergroten (afschaffen eigen risico, gratis tandzorg).
Ook de SP wil veel extra geld uittrekken voor de zorg (gratis tandarts, extra geld voor huisartsen en jeugdzorg), dat moet worden betaald door minder marktwerking (zoals minder administratie, minder managers). Over het enorme personeelsprobleem zegt de partij niets. Dat laatste geldt ook voor GroenLinks-PvdA. Die partij wil het werk in de zorg aantrekkelijker maken (hogere lonen, meer zeggenschap) maar laat zich niet uit over het kannibaliserende effect op andere sectoren zoals het onderwijs.
Veel partijen benoemen de olifant in de kamer – de dubbele vergrijzing en het personeelstekort – niet of nauwelijks in hun verkiezingsprogramma’s. De onderliggende conclusie, oplopende zorgkosten en minder handen aan het bed, is geen fijne boodschap in campagnetijd.
Maar in de doorrekeningen van de partijprogramma’s door het Centraal Planbureau begin oktober kwam die boodschap alsnog. Alle partijen, op GroenLinks-PvdA na, willen miljarden bezuinigen op zorg. Zo wordt de geplande halvering van het eigen risico (van 385 naar 165 euro) teruggedraaid door D66, SGP, NSC en ChristenUnie. Vier partijen, VVD, CDA, JA21 en Volt, willen het eigen risico zelfs verhogen naar 440 euro.
Maar er is meer. Het basispakket zou volgens veel partijen moeten worden ‘bevroren’, dan zouden er minder nieuwe behandelingen en medicijnen automatisch het pakket instromen. Ook komt er een hogere eigen bijdrage voor het verpleeghuis, moeten verpleeghuizen efficiënter gaan werken, en wordt de herintroductie van de verzorgingshuizen (‘bejaardenhuizen’) geschrapt.
CPB-directeur Pieter Hasekamp waarschuwde dat de zorgmaatregelen op langere termijn grote consequenties hebben voor de toegankelijkheid van de zorg voor lagere inkomens en chronisch zieken. Het zorgt voor een toename van de sociaal-economische verschillen: een deel van de mensen kan zelf aanvullend betere zorg en ondersteuning inkopen, de rest niet. Ook zal de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg „op termijn” achterblijven bij die in het in het buitenland.
De grootste opgaven rond bedrijvig Nederland zijn op dit moment te vinden rond twee thema’s: het vestigingsklimaat en verduurzaming. Hoe aantrekkelijk is het land nog voor ondernemingen? Verschillende multinationals en grote namen vertrokken of dreigden daarmee. Ze lopen onder meer aan tegen de regeldruk vanuit de overheid en de zogeheten netcongestie: het stroomnet is overvol en niet iedereen die dat wil kan een (extra) aansluiting krijgen.
In enquêtes van belangenclubs voor het bedrijfsleven als VNO-NCW en MKB-Nederland komt de afgelopen jaren naar voren dat ondernemers vinden dat het vestigingsklimaat achteruit holt. Negen op de tien ondernemers is inmiddels ontevreden over de betrouwbaarheid van de politiek, peilde VNO in september. In vijf jaar tijd is de ontevredenheid over de politiek gestegen van 59 procent naar 89 procent. Ondernemers hekelen de trage besluitvorming door de politiek en de moeite die ze hebben om bijvoorbeeld uit te breiden, onder meer als gevolg van de stikstofproblematiek. Ze missen bovendien een duidelijke economische koers die gedurende meerdere jaren wordt vastgehouden.
Tegelijkertijd zijn er allerlei verduurzamingsopgaven waar niet elk bedrijf in gelijke mate aan wil bijdragen. Nederland staat voor de opgave om de CO2-uitstoot in 2030 met 55 procent te hebben verminderd ten opzichte van 1990. Dat doel dreigt uit zicht te raken, concludeerde het Planbureau voor de Leefomgeving vorige maand. Wat te doen met bijvoorbeeld de vervuilende staalfabriek Tata Steel? Het bedrijf is verantwoordelijk voor 12,6 megaton aan CO2-uitstoot per jaar, maar moet de overheid tot 2 miljard euro bijdragen aan het verduurzamen van de fabriek, zoals het demissionaire kabinet voorstelt?
Een ander belangrijk punt zijn de ontwikkelingen rond kunstmatige intelligentie (AI). De VS en China lijken op dat punt een voorsprong te hebben ten opzichte van Europa. De vraag is welke rol Nederland daar binnen Europa in wil spelen, zowel qua toezicht op kunstmatige intelligent als op het gebied van innovatie en de ruimte die bedrijven krijgen om AI toe te passen.
In een rapport over de concurrentiekracht van de EU pleitte voormalig ECB-president Mario Draghi een jaar geleden voor het creëren van „Europese kampioenen” op verschillende economische gebieden. Omdat ook duidelijk is dat niet alles kan, zal de komende regeerperiode nadrukkelijk de vraag gesteld worden: voor welke economische speerpunten gaat de nieuwe regering?
Hét bedrijfsleven in Nederland bestaat eigenlijk niet, het is een zeer divers landschap, van multinationals tot zelfstandigen zonder personeel. Als het in Den Haag over het bedrijfsleven gaat, bedoelen Kamerleden bijna altijd grote bedrijven. En de opvattingen daarover zijn goed op een klassieke links-rechts-schaal in te delen.
Rechtse partijen, zoals PVV, VVD en BBB willen ondernemers maximaal de ruimte geven om te ondernemen. De werkgelegenheid waar de bedrijven voor zorgen, wordt vaak als belangrijk argument genoemd om ondernemers de ruimte te geven. En die banen winnen het dan ook vaak van strengere milieu- of gezondheidsregels of überhaupt meer verplichtingen voor bedrijven. De VVD wil forse lastenverlichting voor burgers én bedrijven en snijdt daarvoor in de sociale zekerheid, de zorg en ontwikkelingssamenwerking.
Aan de andere kant van het spectrum staan de linkse partijen, en die zien in het grote bedrijfsleven een noodzakelijk kwaad om de bv-Nederland draaiende te houden. Ja, ze zorgen voor werkgelegenheid, maar bedrijven betalen in de ogen van bijvoorbeeld GroenLinks-PvdA en de SP te weinig belasting, ze betalen hun werknemers te weinig, denken alleen aan hun aandeelhouders en niet aan de maatschappij en als het even kan vervuilen ze Nederland zonder daarvoor de rekening te betalen. GroenLinks-PvdA wil de lasten voor het grote bedrijfsleven (net als voor rijke Nederlanders) dan ook verhogen en de opbrengst investeren in betaalbare woningen en de verzorgingsstaat.
Maar links is niet per se afkerig van het bedrijfsleven, mits het gaat om innovatieve bedrijven. In de ogen van linkse partijen zijn dat bedrijven die graag meewerken aan de maatschappelijke uitdagingen waar Nederland voor staat. Klimaatproblemen, stikstof, de energietransitie, ongelijkheid: de overheid zet de lijnen uit en het bedrijfsleven haakt aan, is het ideaal. En gaat dat niet spontaan, dan moeten de regels worden aangescherpt.
Er staan grote hervormingen van de arbeidsmarkt op stapel. Verschillende wetten en wetsvoorstellen moeten schijnzelfstandigheid terugdringen, flexwerkers meer zekerheid bieden, eerder duidelijkheid scheppen over re-integratieverplichtingen en een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen verplicht maken. De flexibilisering van arbeid moet zo worden teruggedrongen en het contract voor onbepaalde tijd moet weer het uitgangspunt worden bij structureel werk.
In Nederland is de afgelopen jaren een groep van ruim 1,7 miljoen zzp’ers ontstaan. Een deel van hen werkt niet uit vrije keuze als zelfstandige en heeft te maken met precaire arbeidsomstandigheden. Om die te verbeteren wil de overheid de rechtspositie van zzp’ers versterken, onder meer via een verplichte AOV. En door weer te handhaven op schijnzelfstandigheid, wat in sectoren met arbeidstekorten, zoals de zorg, tot problemen leidt om de roosters rond te krijgen. In onze vergrijzende samenleving zal iedereen de komende jaren hard nodig zijn op de arbeidsmarkt. Daarom heeft de overheid zich tot doel gesteld mensen langer en duurzamer aan het werk te houden.
Een moeilijkheid daarbij is de gezondheid van de samenleving zelf. Zoals een recent rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving constateerde, staat de mentale gezondheid van met name jongeren zwaar onder druk. Het is een belangrijke factor, die leidt tot uitval uit het arbeidsproces en instroom in de WIA.
Naar aanleiding van het Toeslagenschandaal en doorslaand wantrouwen in beleid rond inkomenssteun, wil de overheid dat beleid minder hard maken en meer uitgaan van vertrouwen. In de loop van komend jaar wordt de herziene Participatiewet ingevoerd. Daarin wordt het makkelijker voor mensen om naast een bijstandsuitkering wat bij te verdienen of giften te ontvangen Ook is een hervorming van het kinderopvangstelsel voorzien. De kinderopvang moet zo goed als gratis en daarmee breder toegankelijk worden. Een volgend kabinet moet zich buigen over hoe die hervorming vorm gaat krijgen.
De meeste partijen hebben zich achter het arbeidsmarktpakket geschaard waarbij het vaste contract weer het uitgangspunt wordt en de flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt teruggedrongen. Maar het terugdringen van flexibel werk zorgt ook voor ongemak bij partijen die meer nadruk leggen op de belangen van werkgevers en ondernemers.
VVD, D66, CDA en SGP willen een nieuwe zelfstandigenwet, waarvoor ze eerder dit jaar een conceptwet indienden. Net als de wet Vbar (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden), die volgend jaar moet ingaan, beoogt ook die wet schijnzelfstandigheid aan te pakken. Terwijl in de wet Vbar naar de aard van de werkzaamheden gekeken wordt om vast te stellen of werk door een zzp’er gedaan kan worden, wordt in het concurrerende wetsvoorstel meer geredeneerd vanuit de zelfstandige. Heb je meerdere opdrachtgevers, bepaal je zelf je tarief en heb je zelf een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en een pensioenpot geregeld? Dan moet je volgens de partijen als zzp’er kunnen (blijven) werken.
Hoe werkgevers de kosten van het terugbrengen van meer zekerheid voor werknemers kunnen betalen, is een thema waar meer partijen zich druk over maken. JA21 wil het ontslagrecht versoepelen, zodat de drempel voor werkgevers om personeel aan te nemen verlaagd wordt. Ook willen verschillende partijen de regels rondom de transitievergoeding – een wettelijk verplichte ontslagvergoeding – aanpassen. De VVD pleit ervoor de transitievergoeding niet langer verplicht te stellen en wil dat meer „maatwerk” in cao-afspraken mogelijk gemaakt wordt. De SP wil juist een hógere ontslagvergoeding, als het geld wordt gebruikt voor omscholing.
Er zijn meer partijen die nadenken over hoe personeel op de juiste plek terecht kan komen. GroenLinks-PvdA wil in samenspraak met vakbonden en werkgeversorganisaties inzetten op de omscholing van personeel, zodat werkenden ingezet kunnen worden waar ze het hardst nodig zijn. D66 pleit met „een landelijke krapteaanpak” voor iets vergelijkbaars. De VVD zet in op een aanpak „van werk naar werk”: door omscholing toegankelijk te maken, moeten mensen geholpen worden de overstap te maken naar sectoren met grote tekorten, zoals technische beroepen, de zorg, het onderwijs en defensie.
Redactie: Jan Benjamin, Steven Derix, Camil Driessen, Egbert Kalse, Claudia Kammer, Marloes de Koning, Jorg Leijten, Tan Tunali, Liam van de Ven, Oscar Vermeer, Erik van der Walle Eindredactie: Ruby Sanders, Marit Willemsen, Eppo Konig
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren
Source: NRC