Home

Verzetsvrouw Selma van de Perre (1922-2025) bleef altijd geloven in het goede van de mens. ‘Soms moet je je principes laten varen’

Selma van de Perre ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet en overleefde concentratiekamp Ravensbrück. In 2020 publiceerde ze haar biografie Mijn naam is Selma. Van de Perre overleed maandag op 103-jarige leeftijd. De Volkskrant sprak haar in 2022, toen ze net 100 was geworden, over de eeuw die achter haar lag.

Dit interview verscheen eerder op 10 juli 2022, in de serie In gesprek met 100-jarigen. De kop en de intro van dat stuk zijn aangepast.

Selma van de Perre schrikt niet van mijn pijnlijke verspreking, als ik haar opzoek in haar woonplaats Londen. Op de vraag in welk hotel ik overnacht, is mijn antwoord: ‘Vlak bij metrohalte Ravensbrück.’ ‘Je bedoelt zeker Ravenscourt?’, zegt ze kalm. En: ‘Ik vergis mij ook weleens.’ Ravensbrück is de beladen naam van het concentratiekamp voor vrouwen waar ze in september 1944 als politieke gevangene onder haar valse naam Marga van der Kuit werd opgesloten en in mensonterende omstandigheden dwangarbeid moest verrichten. Ze slaagde er wonderwel in haar Joodse identiteit verborgen te houden, zoals dat ook al was gelukt tijdens haar verzetswerk. De angst ontdekt te worden kostte haar wel veel slapeloze nachten. En nog steeds zijn de nachten rusteloos.

Hoe gaat het met u?

‘Ik ben elke dag blij dat ik leef. Wel is het moeilijk te verteren dat ik sinds een jaar last heb van maculadegeneratie, waardoor ik nog maar weinig zie. Ik was gewend veel te lezen, bridgen, schrijven en schilderen. Dat gaat niet meer. Ik luister audioboeken, kook mijn avondeten en dwing mijzelf dagelijks een rondje door het park te lopen. Dan zeg ik: ‘Hup Selma, eruit.’

Hoe heeft u uw 100ste verjaardag gevierd?

‘Het was een fantastische dag. Mijn zoon Jocelin had een zaal gehuurd op de golfclub, waar ik tot twee jaar geleden heb gegolfd. Het was zulk mooi weer dat we buiten konden zitten. Er waren meer dan 65 gasten, ook familieleden en vrienden uit Nederland. Door het boek over mijn leven dat ik in 2020 heb gepubliceerd (Mijn naam is Selma, red.) hebben verre familieleden mij ontdekt, zoals een achterneef en achternicht. Daar ben ik heel blij mee, omdat ik in de oorlog veel familieleden heb verloren. De Nederlandse ambassade had ook een verjaardagsfeest georganiseerd. Vriendinnen hadden 45 schilderijen van mijn hand tentoongesteld in de Dutch Church in hartje Londen, die zijn allemaal verkocht. De opbrengst gaat naar goede doelen.’

Het is uitzonderlijk om 100 jaar te worden, en indrukwekkend als je een van de weinige Nederlanders bent die de Holocaust hebben overleefd.

‘En nu wil je zeker weten hoe ik dat gedaan heb? Wat kan meespelen, is dat ik altijd actief ben gebleven. Ik heb tot een paar jaar geleden golf en tennis gespeeld. Nu doe ik mee met tv-spelletjes waarbij je je hersenen moet gebruiken, wandel ik en loop in huis de trappen op en neer. Verder heb ik een opgeruimd karakter. Ik accepteer een situatie zoals die is. Maar ik geloof dat 100 worden vooral genetisch bepaald is. Mijn oudste broer is 91 jaar geworden. Als hij niet was besmet met het sarsvirus, had hij misschien ook de 100 gehaald. Als mijn oma niet in Auschwitz was vermoord, had ze ouder dan 84 kunnen worden.’

In uw boek gebruikt u vaak het woord ‘geluk’ over uw oorlogsjaren.

‘Ik noem het geluk, maar een goede vriendin zegt: ‘Het was geen geluk, je nam de juiste beslissingen.’ Ik denk dat ze gelijk heeft. Van binnen voelde ik wat ik moest doen, zoals die dag in november 1942. Onderweg naar de bontfabriek, waar ik werkte, kreeg ik een onbehaaglijk gevoel en besloot rechtsomkeert te maken. Een paar uur later viel de Sicherheitsdienst de fabriek binnen, alle Joodse medewerkers werden opgepakt en afgevoerd.

‘Mijn karakter kan ook meespelen: als het nodig is, handel ik. Zoals in de jaren zestig, toen ik hoorde dat een moeder van een ernstig ziek kind dat in het ziekenhuis lag, alleen tijdens het bezoekuur mocht langskomen. Bespottelijk. Met het comité Moeders met kinderen kregen we het voor elkaar dat elke moeder in Engeland bij haar zieke kind mocht blijven. Dat is nog steeds zo.

‘Ik geloof ook dat je in sommige omstandigheden je principes moet laten varen. Een deel van de vrouwen in kamp Ravensbrück werd tewerkgesteld in de Siemens-fabriek, die ernaast stond. Sommigen weigerden, omdat het een Duitse fabriek was. Zij werden afgevoerd en afgemaakt. Belangrijker dan principes in zo’n situatie vind ik in leven blijven, om anderen te helpen overleven. Met meebewegen kun je proberen een situatie naar je hand te zetten.’

Zoals u lukte in de Siemens-fabriek.

‘Ik had gehoord dat het werk in de fabriek fysiek niet zo uitputtend was. Op een vroege ochtend ging ik met een vriendin in de rij staan van een geselecteerde groep vrouwen die elke dag vanuit de barakken naar de Siemens-fabriek moest lopen. Het lukte om ongemerkt binnen te komen. Maar het werk, metalen draadjes solderen, lukte mij niet. Mijn handen trilden van de zenuwen. Ik was bang om ontdekt en vermoord te worden. De telefoon in de fabriek rinkelde vaak, ik nam elke keer op en riep dan de chef. Die zei algauw dat ik zijn secretaresse moest worden en zo geschiedde.’

Nadat het kamp was bevrijd, besloot u nooit over de ontberingen te praten en u op de toekomst te richten. Door het internationale succes van uw boek heeft u het ene interview na het andere. Hoe is dat voor uw zielerust?

‘Niet goed. Na elk interview denk ik: ik had het anders moeten zeggen. Het schrijven en publiceren van het boek hebben veel overhoop gehaald. Ik ben mezelf veel vragen gaan stellen. Waarom ben ik in het verzet gegaan? Waarom ben ik niet gewoon op de kamer van mijn onderduikadres blijven zitten om daar de oorlog af te wachten, zoals veel mensen deden? Het antwoord is: ik weet het niet. Omdat ik hulpvaardig van karakter ben, bood ik mijn hulp aan toen ik hoorde dat het verzet mensen tekortkwam. Tijdens mijn opdrachten voor het verzet heb ik veel angstige momenten beleefd, maar ik ging door, totdat ik werd gearresteerd.’

Wat bevalt u beter, zwijgen of praten?

‘Ik kan zwijgen, ik kan praten, maar de pijn is er altijd. Ik heb niet zozeer last van wat ik zelf heb meegemaakt, wel van wat mijn ouders en zusje Clara hebben moeten doorstaan. Ik weet dat mijn moeder en Clara in Sobibor zijn vermoord en mijn vader in Auschwitz is omgebracht, maar ik weet niet wat daaraan vooraf is gegaan. Nog steeds word ik vaak vroeg wakker met nare dromen. Vanochtend nog, ik had gedroomd dat mijn moeder en zusje Clara in een treinwagon werden gegooid.

‘Mijn twee oudere broers, die konden overleven doordat ze tijdens de oorlog in Engeland waren, in dienst van de Nederlandse strijdkrachten, hebben niets geweten van mijn kampervaringen. Niemand vroeg ernaar, zij ook niet. Uit mezelf kon ik er niet over beginnen.

‘In november 1945 was ik uitgenodigd op de Nederlandse ambassade in Londen. Ik kreeg een baan en huisvesting aangeboden, geregeld door mijn broers. Een huisgenote vertelde mijn jongste broer David dat ik ’s nachts vaak lag te huilen. Hij kwam langs, vroeg naar het waarom en zei dat ik ermee moest stoppen, er zijn immers zoveel mensen die geen ouders en zusje meer hebben. Maar die zijn niet allemaal zo gruwelijk aan hun einde gekomen, reageerde ik. Bij dit korte gesprek is het gebleven. Met mijn vriendinnen uit kamp Ravensbrück kon ik wel praten én soms wrange grappen maken.’

Heeft u ooit overwogen terug te keren naar Nederland?

‘Ja, verschillende keren, ook in 1979, na het overlijden van mijn man Hugo. Hoe Engels ik ook geworden ben, als op Wimbledon een Nederlander speelt, zoals vorige week Tim van Rijthoven, hoop ik dat die wint. Ik bleef in Londen omdat mijn zoon in Engeland woont, ik hier een grote vriendenkring heb opgebouwd, ik tennis en golf speelde en op schilderles zat. Mijn man werkte als correspondent voor Nederlandse en Belgische kranten. Zijn opdrachtgevers vroegen na zijn overlijden of ik zijn werk wilde overnemen. Ik zegde mijn baan als docent wiskunde op en werd journalist. Ook dat werk wilde ik niet opgeven, ik vond het een mooi eerbetoon aan Hugo.

‘De eerste jaren dat ik in Londen woonde, heb ik mij heel eenzaam gevoeld. Mijn broers hadden hun eigen leven, hun vrouwen waren heel religieus en daar voelde ik mij niet bij thuis. Na verloop van tijd heb ik mijn weg gevonden. Ik ging bij de BBC werken, sociologie en antropologie studeren, werd docent en leerde Hugo van de Perre kennen. Hij was een rustige man, dat was heel goed voor mij.’

Wat hebben uw oorlogservaringen gedaan met uw mensbeeld?

‘Ik geloof dat de meeste mensen goed zijn, of goed willen zijn, maar soms niet kunnen. Nog steeds vind ik het moeilijk om anderen te vertrouwen. Ik heb veel dingen gezien: ouders die hun kinderen en kinderen die hun ouders verraadden, omdat zij in het verzet zaten. Je moet voorzichtig zijn met iemand een verrader noemen, want je weet niet wat eraan voorafgegaan is. Ik weet dat sommigen pas gingen praten nadat hun teennagels waren uitgerukt.

‘Ofschoon ik van nature geen bang mens ben, voel ik tot op de dag van vandaag angst als ik hoor dat er iemand achter mij loopt. Dan kijk ik via het glas van een winkel wie dat is. En zeg ik tegen mezelf: ‘Toe Selma, schei uit.’’

Tot slot iets vrolijkers. Wat is uw dierbaarste jeugdherinnering?

‘Ik ben in een heel open, liberaal gezin opgegroeid. Er was veel humor. Mijn vader was artiest, daardoor verhuisden we veel en leerde ik mij overal aan te passen. Een van mijn mooiste herinneringen is schaatsen op de Amsterdamse grachten en de slootjes bij Diemen. Ik hield van heel hard schaatsen, en later van hard rijden met de auto. Ik heb lang een sportauto gehad, met open dak.’

Selma van de Perre

Geboren: 7 juni 1922 in Amsterdam

Woont: zelfstandig, in Londen

Familie: een zoon en twee neven en twee nichten

Beroep: docent wiskunde en journalist

Weduwe: sinds 1979

Mijn naam is Selma – Het uitzonderlijke verhaal van een joodse verzetsvrouw, door Selma van de Perre, verscheen in 2020 bij uitgeverij Thomas Rap.

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next