Theater Rebekka de Wit haalt met een vederlichte verteltoon een reeks grappige anekdotes op, die allemaal losjes verwijzen naar onze consumptiedwang en onze eenzaamheid. Gaandeweg laat ze je beseffen hoe kostbaar het leven is.
Rebekka de Wit in 'Een stukje naar de mensen toe'.
Of ze met haar voorstelling over de klimaatcrisis niet preekte voor eigen parochie, vroeg iemand theatermaker en actrice Rebekka de Wit tijdens het repetitieproces van haar nieuwe voorstelling Een stukje naar de mensen toe. Over welke parochie ging het dan precies? Was haar en de mensen om haar heen niet altijd juist op het hart gedrukt parochies te wantrouwen? Probeerden ze niet tot in den treure nuance en ambiguïteit na te streven? Dúrfde men maar wat meer te preken! Misschien was het gebrek aan zo’n parochie, aan gemeenschapsgevoel precies waar het in deze stuurloze, door ‘wicked problems’ verlamde maatschappij aan scheelde.
De Wit doet haar verhaal (ondertitel: ‘een stand-up show in tijden van crisis’) voor een eenvoudig houten wandje, beschilderd met grijze verticale banen; een nadrukkelijk onecht achterdoek, met een deurtje erin, dat net als in de film The Truman Show refereert aan een ‘echte wereld’ die zich zou bevinden achter de wanden van de studio die de hoofdrolspeler (wij, hier?) voor de werkelijkheid houdt.
Vanaf een barkruk, center-stage, vertelt De Wit dat ze al tijden nadacht over een ‘magisch cadeautje’ voor ons, haar publiek. Dat moest een tekst over een voor iedereen herkenbaar onderwerp zijn, vertelt ze, waarmee ze een gemeenschapsgevoel zou kunnen opwekken. Maar ze was nergens op gekomen. Ze had geen flauw idee in wat voor bubbel haar eigen familie de dag al swipend doorbracht, laat staan wat een publiek bestaande uit wildvreemden zoal bezighield. „Er zijn geen grote gemene delers”, verzucht ze, „alleen maar grote gemene verdelers”.
De Wit hanteert in haar verhaal een vederlichte verteltoon en haalt een ogenschijnlijk wild-associatieve reeks anekdotes op, die allemaal losjes verwijzen naar onze consumptiedwang, onze eenzaamheid en onze weerstand om ons koopgedrag te veranderen ten bate van de planeet, ook al zien we onze eigen ondergang „als een pletwals op ons af” komen. Haar verhaal vliegt van de Haribo-commercial van Peter Jan Rens („het enige uit de jaren negentig dat niet terugkomt”), via het seksdagboek van Heleen van Royen (na lezing zit je nog maanden met Van Royen in je hoofd tijdens de seks) naar het feit dat ze vroeger zo dol was op vlees dat haar slager een worst naar haar vernoemde.
Gaandeweg klinkt er steeds luider een dissonant mee in het akkoord dat ze aanslaat, tot ze in haar verhaal, nog altijd licht van aard, aankomt bij de gemene deler der gemene delers: onze vergankelijkheid. Je staat er niet de hele tijd bij stil, maar we gaan dood, onze geliefden gaan dood. En soms is het pas in het licht van de dood, dat je beseft hoe waardevol het leven is.
Dat is wat De Wit haar publiek ten slotte onverwachts diep laat meevoelen: de rouw om een geliefde, en hoe die ervaring je ongekend helder doet beseffen hoe kostbaar het leven is. Hoe zinvol ervoor te vechten. Of te preken.
Als dat geen cadeautje is.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC