Home

De lange weg van de Fryske Nasjonale Partij naar Den Haag – om te zorgen dat Den Haag zich juist minder met Friesland bemoeit

Friesland Aant Jelle Soepboer, oud NSC-Kamerlid, probeert als lijsttrekker van de Fryske Nasjonale Partij de Friese zaak landelijk te maken. Met een doos folders onder de arm stuift hij door Meppel en stelt dat ondanks de nationale ambities het „Friese geluid belangrijk blijft”.

Aant Jelle Soepboer tijdens de FNP-campagne, in Meppel.

Aant Jelle Soepboer heeft haast. Met grote passen loopt de lijsttrekker van de Fryske Nasjonale Partij (FNP) door een winkelstraat in het Drentse Meppel. Onder de rechterarm een doos folders met Soepboers beeltenis: rode baard, kale kruin. De lijsttrekker kijkt achterom, botst bijna op een passant, roept in het Fries: “Ate? Thom? Wy moatte no fuort, hear!” (Ate? Thom? We moeten d’r nu vandoor, hoor). 

Vlug pakt Ate Bouma (plek 7 op de FNP-lijst) een Dirk-tas met campagnemateriaal, Thom Feddema (plek 23) gooit z’n peuk weg. Ze spurten naar hun lijsttrekker, elk in een jas met de letters ‘FNP’ en het rode ‘pompeblêd’ van de Friese vlag. Soepboer, voorheen NSC-Kamerlid, moet naar Rotterdam voor een radio-interview. Zijn partijgenoten flyeren verder in Meppel.

De FNP neemt voor het eerst deel aan Tweede Kamerverkiezingen. De partij – opgericht in 1962 – heeft zowel een linker- als rechterflank en bestuurt al jaren in Friesland, in gemeenten, provincie en waterschap. Hoe enthousiast de FNP ook campagne voert, de strijd om Den Haag te halen, verloopt moeizaam: het lukt maar niet in de peilingen een zetel te bemachtigen.

Mocht het toch lukken, is dat een belangrijk gegeven in de geschiedenis van de Friese beweging, de emancipatiestrijd voor Friese taal en cultuur. Nooit eerder belandde het Fries-identitaire denken als zodanig op een landelijk stembiljet. Wat zegt dat? En wie loopt warm voor een Friese partij?

‘Paradox’

„Goedemorgen, gaan jullie stemmen?”, vragen opgewekte FNP’ers op een straathoek in Meppel tussen kerk en loempiakraam. Menig voorbijganger schudt ‘nee’. Wie wel stemt, kent de Fryske Nasjonale Partij niet. „Nooit van gehoord”, zegt Thea Monis (79), die een FNP-folder aanneemt. Ze gaat „eens lezen wat de partij inhoudt” en vindt het alvast „fijn dat de regio een plekje krijgt in Den Haag”. Monis, dochter van een Friese vader, is „van huis uit links”.

Soepboer zegt voor hij naar Rotterdam vertrekt nog dat het „Friese geluid belangrijk blijft”. „Maar in Den Haag wordt het geluid van alle regio’s te weinig gehoord.” Vandaar „een initiatief van de Friezen” voor „een brede regionale beweging”. Dat de FNP „naar Den Haag moet om te zorgen dat Den Haag juist minder te zeggen heeft en de regio meer”, noemt hij „een paradox”.

De 36-jarige Soepboer was geschiedenisdocent, FNP-wethouder in de gemeente Noardeast-Fryslân en NSC-Kamerlid. Bij die partij vond hij het „tegenvallen” wat hij voor de regio kon betekenen. Zo noemt Soepboer de „herstelbetalingen” voor Groninger aardbevingsslachtoffers maar “suterich” (schraal, weinig). 

Hij wil louter over „de regio” debatteren. Maar behaalt Soepboer een Kamerzetel, dan moet hij ook over geopolitiek stemmen. Een groep FNP’ers zal zich „verdiepen in de grote thema’s”, zegt Soepboer. Neem Israël-Palestina: „Als Friezen voelen we ons verbonden met volkeren binnen een land, dus zijn we voor een goede tweestatenoplossing, zonder Hamas.” 

FNP op campagne in hartje Meppel.

Lubach

Meer dan om een Kamerzetel, is de strijd van de FNP een om aandacht. Buiten Friesland is het met de bekendheid van de FNP schabouwelijk gesteld, blijkt uit Ipsos I&O-onderzoek in opdracht van de Leeuwarder Courant. Enkel Nederlanders met een connectie met Friesland of het Fries, overwegen te stemmen op Soepboers partij. Landelijke media-aandacht genereren, blijkt lastig. FNP’ers waren dan ook verheugd dat Arjen Lubach onlangs grapte over hoe FNP’ers in Limburg Friestalige folders uitdeelden.

Een Kamerzetel halen wordt „een lastige opgave”, schrijft politicoloog Simon Otjes (Universiteit Utrecht) op politicologenblog Stuk Rood Vlees. De FNP blijkt „een partij van Friezen voor Friezen”. „De FNP moet 14 procent van de stemmen halen in Friesland om één zetel te krijgen.” Dat stemmenaantal haalde de partij volgens Otjes alleen bij de provincieverkiezingen in 2003.

Wat het halen van Den Haag ook niet helpt, is de verdeeldheid binnen de FNP. Op een partijcongres in augustus stemde 56 procent van de leden voor deelname aan de landelijke verkiezingen, 44 procent stemde tegen. Ferry van der Ploeg, gemeenteraadslid in Dantumadiel, leverde teleurgesteld zijn partijlidmaatschap in. Hij vindt het besluit „zonde” en gaat als zelfstandig raadslid verder. „Als FNP schopten we juist tegen Den Haag aan”, zegt Van der Ploeg.

„Mensen vertrouwden ons omdat we opkwamen voor de Friese zaak, de taal en cultuur”, zegt Van der Ploeg. „Met de neus naar Den Haag gericht, zijn we geen lokale partij meer. Als FNP’er sloeg je hier met de vuist op de tafel en dan werd geluisterd. Ik vraag me af hoe serieus de gevestigde orde in Den Haag straks een of twee FNP-zetels neemt, als het al lukt.”

Geen skûtsjesilen

De FNP rept in het verkiezingsprogramma over „meer autonomie” voor regio’s – over afscheiden gaat het niet. Soepboer vindt het gedachtegoed “te inclusief” om over Fries-nationalisme te spreken: „Ik ben toevallig in Friesland geboren.” De Friese identiteit laat zich ook „lastig verwoorden”. „Het gaat niet om klompen en skûtsjesilen, eerder over dat je de sleutel van de buren hebt”, zegt Soepboer. Dat is een „eigenheid” die hij in alle landelijke regio’s herkent.

Wat zegt de Haagse ambitie van de FNP over het Fries-identitaire denken? Goffe Jensma, emeritus hoogleraar Friese taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen, benadrukt dat het in de Friese beweging vrijwel altijd om culturele autonomie draait. Dat uitte zich bijvoorbeeld in „een uitgebreide Friestalige literatuur en toneelcultuur”.

Met het einde van de Sovjet-Unie, kreeg Europa begin jaren negentig bovendien meer aandacht voor minderheidstalen- en culturen. „Hier profiteerde Friesland enorm van”, zegt Jensma. „Het op grond daarvan uitgezette taalbeleid bleek effectief. Jongeren voelen nog altijd dat ze erbij horen als ze Fries spreken.”

Jensma ziet wel een spanningsveld dat het denken over Friese cultuur al sinds de jaren zestig kenmerkt. „Friesland is geen landbouwsamenleving meer, maar kent een goed opgeleide, mobiele bevolking. Wat doe je dan met krachten van buiten? Grenzen dicht en de Friezen nog Friezer maken, of onderzoek je de plek van Friesland in globale gemeenschappen?” Jensma verwijst naar 2018: Leeuwarden-Friesland was toen Culturele Hoofdstad van Europa. „De ramen gingen open.”

„Als je geen ruimte laat aan externe invloeden, trek je de zuurstof uit een samenleving” zegt Anne-Goaitske Breteler, een Friese antropoloog en schrijver die een documentaire maakt over de FNP. „Op een lezing zei ik ooit dat er niet één Friese identiteit bestaat, en dat je zowel vanuit Friesland als de Randstad niet in stereotypering moet vervallen. Dat werd me door Fries-nationalisten niet in dank afgenomen.”

De Friese taal is volgens Breteler evenwel „een sterke culturele markering die in bepaalde opzichten je waarneming bepaalt en ook als bindweefsel voor een mienskip [gemeenschap] werkt”. Breteler ziet dat het „best ingewikkeld” is voor de partij om „superbreed” te gaan. „Er dringen zich dilemma’s op, waarbij de partij rekening moet houden met een verdeelde achterban.”

FNP’er deelt flyers uit in het Gelderse Meppel.

Afsplitsen

Onder de 1.500 leden van de Jongfryske Mienskip, een niet-partijgebonden actiegroep die opkomt voor het Fries, gelden de landelijke ambities van de FNP „wel als een dingetje”, zegt voorzitter Sander Hoekstra. „We zijn verdeeld, ook andere partijen zetten zich in voor het Fries.”

Drijven Friezen met de Haagse FNP-ambities nu definitief weg van afsplitsing? “Sommigen willen dat nog, maar je moet reëel blijven”, zegt Hoekstra. Hij denkt wel dat „een sterkere vertegenwoordiging van Friesland in Den Haag” op termijn tot meer zelfstandigheid of „een status aparte” kan leiden.

Intussen kijkt Aant Jelle Soepboer – met blauwe een stropdas onder z’n baard – voorbijgangers tegemoet vanaf ettelijke sandwichborden in de berm van Dokkum, hoofdplaats van Soepboers gemeente Noardeast-Fryslân. Of inwoners de FNP overwegen? Lokaal wel, zegt een 57-jarige secretaresse („Geen naam”), die voor de Jumbo-supermarkt boterhamworst in haar fietstas stopt. „Ik gun het Aant Jelle, maar wat voor verschil kan hij landelijk maken?” En wanneer ze wegfietst: „Wie weet bedenk ik me en stem ik toch op hem.”

Sybren Leegstra (73) leunt tegen de rode bakstenen van het gemeentehuis van Dokkum. Hij kijkt uit over het ‘keerpunt’, de vaart waarin schaatsers tijdens de Elfstedentocht omdraaien richting Leeuwarden. „Soepboer zat hier in de raad, werd wethouder, nu Den Haag. Het gaat te snel”,  zegt de gepensioneerde servicemonteur.

Leegstra noemt het Friese GroenLinks-PvdA-Kamerlid Habtamu de Hoop. „Die kan ons ook vertegenwoordigen. En zit niet bij zo’n klein partijtje.” Daarop knikt het groepje mannen dat zich intussen met de kwestie-Soepboer is komen bemoeien, instemmend. „De Hoop kan het goed verwoorden.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next