Home

Dilan Yeşilgöz die in ‘Pauw & De Wit’ haar best maar blíjft doen, is het bewonderenswaardig of vooral pijnlijk?

Ze houdt van frikandellen. Ze houdt van Mariokart en Formule 1, dat vindt ze schitterend. Ze houdt van humor. Ze houdt van leiderschap tonen en nú verantwoordelijkheid nemen. Ze houdt van werken, en vooral als dat werken er lekker hard aan toegaat. Ze houdt van Nederland.

Probleempje: die liefde van Dilan Yeşilgöz voor Nederland is onbeantwoord. In Nieuws van de dag kreeg de VVD-lijsttrekker maandagavond een compilatie te zien van voxpopjes: voorbijgangers in Arnhem en Rozendaal werden geconfronteerd met haar beeltenis. Boze vrouw 1: ‘Ze heeft mooie praatjes. Die vullen geen gaatjes.’ Boze vrouw 2, over de foto: ‘Nee, doe maar weg.’ Boze vrouw 3: ‘Niet mijn favoriet. Tot ziens!’

Gelukkig had Yeşilgöz, diezelfde avond ook te gast in Pauw & De Wit, ook aangegeven erg van zelfspot te houden – dat bleek niet gejokt, want als ik bovenstaande compilatie had moeten verstouwen lag ik ongetwijfeld al ergens in foetushouding aan de voeten van Thomas van Groningen. Die confronteerde haar met het oordeel van de Nederlandse orde van advocaten, die had geconstateerd dat negen plannen van de VVD zeer slecht scoren op het gebied van rechtsstatelijkheid. Was het wel zo handig, dat Yeşilgöz daar zo pissig om was geworden?

‘Ach’, zei ze, ‘ze vinden me toch al niet leuk.’

Ik kwam er niet uit of ik het nou extreem pijnlijk of toch bewonderenswaardig vond, dat een politicus tegen de klippen op haar best gaat zitten doen om als een benaderbare frikandel-eter over te komen. Voor wie doe je dit nog, vroeg ik me af, toen Yeşilgöz in Pauw & De Wit quasi sportief benadrukte dat het niet ongemakkelijk was tussen haar en Youp van ’t Hek – hij mocht haar wel bedanken, de VVD had hem veel materiaal gegeven. NRC las ze daarentegen niet meer zo vaak.

Ze had weinig medestanders – even nageteld: geen – aan tafel. Diederik Samsom rolde met zijn ogen toen Yeşilgöz zei dat armoede vooral zou dalen als mensen harder zouden werken. ‘Zullen we die arme mensen even zelf aan het woord laten?’, klonk het, en daar was dan eindelijk die hardwerkende Nederlander.

‘Ik kan het niet alleen’, zei Sher Molly, sociaal werker uit Rotterdam, ‘ik heb de politiek nodig.’ Een zender verderop klonk dezelfde hartenkreet, een echo uit de jaren negentig. Wat was ik onder de indruk van de tweede aflevering van Fortuyn, on-Hollands, een documentairereeks over de opkomst van Pim Fortuyn, van Menna Laura Meijer.

Nee, dit keer niet verteld door types als hij, maar door de mensen die het met hem te stellen hadden: migranten, zij die onder de armoedegrens leefden. Een ander geluid, dat eigenlijk het primaire geluid had moeten zijn. Een confronterende film, over een periode die ik kende als optimistisch en welvarend. Archiefbeelden, in een heel dragende montage, tonen een Rotterdam als banlieu: verpauperd, vervuild, onveilig. ‘Geen woorden, maar daden’, horen we Ruud Lubbers zeggen, maar ja – ook dat blijven woorden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next