De schoonheid van schimmels In de herfst schieten paddenstoelen uit de grond. Ze zijn niet alleen eetbaar, maar leveren ook een blauwdruk voor een ideale samenleving – en leveren zo inspiratie voor muziek, literatuur en kunst.
Groeistadia van de dodelijke Groene knolamaniet, geschilderd door Elsie M. Wakefield, Kew Collection Londen, ca. 1915-1945.
Ik herinner me geen angst. Nooit. Ook niet toen ik heel klein was, ook niet als bomen zo dicht op elkaar stonden dat ze één groot, schemerig, vochtig ademend lichaam vormden. Ik liep in mijn eentje dwars door een bos, in de richting die mijn vader ons drie kinderen had gewezen: jij naar het noorden, jij naar het zuiden, en jij die kant op. Ik sprong over sloten, keek onder bladeren, ontweek spinnen in braamstruiken. Soms vond ik ze: cantharellen en eekhoorntjesbroden. Zij waren er de oorzaak van dat mijn vader in de auto hard op de rem had getrapt, in een berm was gestopt en ons kinderen ieder een windrichting had opgestuurd. Hij had paddenstoelen gezien.
Ik dwaalde door die bossen, maar ik verdwaalde nooit, speurend naar paddenstoelen. Ik zag er veel, maar zelden de goede. De wit gestippelde rode vliegenzwam die meteen een liedje in mijn hoofd liet zingen, soms een snotterende koraalzwam, bolvormige stuifzwammen en violetkleurige ridderzwammen. Ik luisterde naar vogels, het geritsel in de struiken en naar de wind. Pas als ik een ijle melodie door het bos hoorde fluiten, keerde ik om. Dat was mijn vader. Hij floot de vaste herkenningsmelodie van ons thuis. De noten dwarrelden door de bomen, verstrikten zich in mijn vlechten, sponnen zich om mijn oren. Ik volgde hun draad van hier naar daar, terug naar mijn vader.
Er liggen al best veel decennia tussen het paddenstoelen-zoeken van toen en m’n paddenstoelenliefde van nu. Die liefde gaat beslist niet uitsluitend door de maag (al vormen de in half beschaduwde dennenbossen gevonden en schoongemaakte cantharellen, in roomboter gebakken, zo hup, op het bord, nog steeds een traktatie). Hoe vaker ik paddenstoelen ‘ontmoet’ – om de Amerikaanse, avant-gardistische componist en paddenstoelenkenner John Cage (1912-1992) te parafraseren –, hoe groter mijn bewondering. Voor hun weerbarstige schoonheid, hun levenskracht, hun veerkracht en hun ‘politiek’ (als je dit van een paddenstoel kunt zeggen). Maar over dat laatste straks meer.
John Cage op paddenstoelenzoektocht.
Cage begon in 1934, door honger en armoe gedreven, paddenstoelen te zoeken op het schiereiland van Monterey in Californië. Het was het begin van een levenslange liefde voor paddenstoelen. Die liefde hield direct verband met muziek, met geluid en met het geluid dat stilte heet (luister Cage’ pianostuk 4:33). In het na zijn dood uitgegeven A Mycological Foray (2020) – een labyrintisch paddenstoelencompendium vol herinneringen, dagboekaantekeningen, interviews, muzieknotities en paddenstoelentekeningen – zegt Cage: veel, zo niet alles valt er over muziek te leren door je te wijden aan de paddenstoel.
Laatst vond ik in een doodgewoon Amsterdams stadspark een enkel langsteelfranjehoedje. Het paddenstoeltje torende op zijn ragfijne steeltje boven het rottende blad uit, zijn parasolvormige hoedje kleurde als vers gemaakt perzikijs. De geur van paddenstoelen tart beschrijvingen (met uitzondering van de kadaverlucht waarmee de grote stinkzwam vliegen lokt) en ze is er plotseling. Gisteren nog rook het bos gewoon mossig, vandaag trillen je neusvleugels van de lucht van boleten, zwammen en cantharellen die tussen takken, boven het mos en bosbessenstruiken hangt. Paddenstoelen zijn zo bizar gevormd dat kenners er – behalve de Latijnse namen – allerlei poëtische woorden aan geven. Er zijn feeënbaden, paddenstoelen die zweven tussen de sterren, wolkenoren, harige boskwallen, judasoren, geestplanten en er is godenvlees.
Een van mijn favoriete schrijvers is de Poolse Olga Tokarczuk, die met zoveel empathie schrijft over alle wezens in de natuur, inclusief de moestuin opvretende naaktslak. In haar mozaïekroman Huis voor de dag, huis voor de nacht (1999) schrijft Tokarczuk: „Was ik geen mens, dan was ik een paddenstoel.” Als paddenstoel „zou ik geen interesse hebben voor de zon […]. Ik zou alleen maar vochtigheid verlangen. Ik zou mijn lichaam blootstellen aan nevels en regen. […] Ik zou geen onderscheid maken tussen dag en nacht, want met welk doel? […] Urenlang zou ik opzettelijk onbeweeglijk blijven, ik zou niet groeien noch ouder worden, tot de ijskoude overtuiging dat ik macht heb over de tijd. […] Ik zou nooit enige angst kennen, ik zou niet bang zijn voor de dood.”
Als ik die woorden lees, denk ik: wie wil er nu geen paddenstoel zijn?
Matsutake. Deze paddenstoel kwam als eerste levend wezen op na de kernbom op Hiroshima.
Heel lang braken mensen zich het hoofd over de vraag: wat is een paddenstoel? Waren paddenstoelen ‘wezens’ die in bepaalde jaargetijden in bos en weide omhoog schoten? Waren ze het werk van een blikseminslag, van de donder die ze vanuit de hemel naar de aarde zond? Waren ze het werk van de Duivel? Tovenarij?
Carl Linnaeus, de grondlegger van de biologische taxonomie, schreef in 1751 redelijk wanhopig dat „de orde der schimmels [waartoe paddenstoelen behoren] nog steeds chaos is, een schande”.
Gelukkig voor paddenstoelenliefhebbers wordt er nu anders tegen die ‘schandalige chaos’ aangekeken. Mycologen (paddenstoelenkenners), biologen, antropologen en kunstenaars, als Paul Stamets, Anna Lowenhaupt Tsing, Merlin Sheldrake en Jae Rhim Lee doen wereld bestormend onderzoek (zie kader) naar de schimmels waarvan paddenstoelen ‘slechts’ het vruchtlichaam zijn. Vergelijk paddenstoelen met een kers aan een kersenboom. Het eigenlijk werk van de kers vindt plaats in de boom; het eigenlijke werk van de paddenstoel vindt plaats ondergronds: in het mycelium, het bleke, weids meanderende netwerk van hyfen en wortelstrengen.
De meeste schimmels werken samen, communiceren met elkaar en ontgiften hun omgeving. Ze kunnen in principe niet van ouderdom sterven en beslaan soms een gebied van wel tien vierkante kilometer. Schimmels zijn daarnaast genereus. In de symbiotische eigenschappen van schimmels (zogeheten: symbionten) is een blauwdruk te vinden van hoe een ideale samenleving eruit kan ziet – lees de ondertitels van de boeken van Sheldrake, Tsing en Stamets er maar op na. Vergeet Darwins ‘survival of the fittest’: de meeste schimmels doen niet aan het onderscheid tussen prooi- en jachtdieren. Schimmels voeden elkaar onderling, transformeren in het contact met andere soorten en herstellen ecosystemen, zoals die in Hiroshima of de door industriële houtkap vernietigde landschappen van Oregon.
Stofzuiger met oesterzwammen
Kaplaarzen met oesterzwammen
Speelgoeddinosaurus met oesterzwammen
De Nederlandse beeldend kunstenaar Zeger Reyers (59) is, net als ik, van kinds af aan vertrouwd met paddenstoelen. Als ik hem opbel, vertelt hij dat hij opgroeide in de polder tussen Rotterdam en Den Haag. Niet per se een gebied waar een grote rijkdom aan paddenstoelen te vinden is. „Mijn vader kocht een caravan. Ieder weekend reden we naar de Veluwe, parkeerden die caravan op een veld – en als het seizoen daar was, gingen we in het bos paddenstoelen zoeken. Daar is mijn fascinatie begonnen.”
Reyers’ vroege interesse is inmiddels gegroeid tot die van een serieuze paddenstoelenkenner. Hij strooit met Latijnse namen alsof het pepernoten zijn en sinds hij in 1995 afstudeerde aan de kunstacademie in Rotterdam, zijn paddenstoelen zijn metgezel. Eerst was er een vochtige kelderruimte waar een vriend oesterzwammen liet groeien. Daarna zijn paddenstoelen letterlijk zijn atelier en zijn werk binnengedrongen.
Reyers verandert complete ruimtes – zoals in 2019 in het Belgische Watou – in een heuvellandschap van vochtig paddenstoelensubstraat waaruit champignons groeien. Ook gebruikt hij rubber kaplaarzen, stofzuigers en platenspelers, waarop schimmels vruchtlichamen – vaak oesterzwammen – vormen. Hun aanwezigheid is vergelijkbaar met kunstperformances, zo snel gaat het soms en zo weinig blijft ervan over. Daarom legt Reyers hun groei vast in prachtige, surrealistisch aandoende foto’s.
Reyers vertelt dat hij niet alleen de kracht van een paddenspoelenspoortje bewondert, dat zich in de loop van soms maar een paar uur met zijn fragiele hoedje een weg perst tussen hard rubber en kunststof. Op een filosofisch niveau interesseert hem ook de tijdelijkheid: „Ik probeer de schoonheid vast te leggen van een levenscyclus van slechts enkele dagen.”
Een van de meest radicale paddenstoelenkunstprojecten die ik ken, is het Infinity Burial Project van de Zuid-Koreaanse Jae Rhim Lee (1975). Lee – te zien op een Tedtalk in 2011 – ontwikkelde vanaf 2008 een ‘paddenstoelenpak’ waarin je je kunt laten begraven. De paddenstoelen, waarvan sporen in het pak zijn genaaid, zijn door de kunstenaar/ontwerper uitgetest en gemodificeerd op haarzelf. Lee voedde paddenstoelen met haar haren, teennagels, huidschilvers en liet ze ‘wennen’ aan de gifstoffen in haar lichaam. De paddenstoelen in het paddenstoelenpak verteren inmiddels met kalm gemak een eens zieke dode. Medicinale gifstoffen veranderen in gezonde aarde – hartstikke groen.
De Amerikaan Dennis White is de eerste die zich in 2016 in een op maat gemaakt paddenstoelenpak van Lee liet begraven. Op een documentaire over de voorbereidingen is het voor de familieleden van Dennis duidelijk even slikken. Want ja: papa wordt een paddenstoel.
Mijn paddenstoelenliefde is inmiddels zo groot worden dat ik nergens meer kan lopen zonder naar paddenstoelen te speuren, aan hun ondergrondse labyrint te denken en afspiegelingen daarvan in de zichtbare wereld te zien. In Olga Tokarczuks roman bijvoorbeeld herken ik de onderliggende structuur van mycelium. Hoofdpersonen komen in beeld, maar verdwijnen ook weer. Hun avonturen worden afgewisseld met bizarre sprookjes, heiligenlevens, paddenstoelenrecepten en natuurbeschrijvingen. Er is geen rechtlijnig verhaal, geen plot: er zijn omzwervingen.
Ook het sprookjesachtige geluidsfragment dat de Amerikaanse musicoloog Louis Sarno (1954-2017) halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw registreerde in de bossen van de Centraal-Afrikaanse Republiek (aangehaald door Merlin Sheldrake), spiegelt de meerstemmige aard van mycelium. Op Women gathering Mushrooms hoor je vrouwen van het Aka-volk naar paddenstoelen zoeken. Op het dik vier minuten durende fragment zijn eerst vogels te horen, dan rijst op de achtergrond een trillende stem op. Een andere stem komt erbij, vertakt zich.
Diep, donker, hoog en soms met vibrato kronkelen de stemmen om elkaar heen, soms gaan ze een stukje samen op, dan weer wijken ze af. Er is geen leidende stem, geen achtergrondkoor, zelfs is er geen sprake van één melodie. Elke vrouw zigzagt alleen, zingend, door het bos. Haar metgezellen doen hetzelfde, ook alleen. Via hun stem en hun eigen melodielijn houden de vrouwen contact. Niemand verdwaalt, iedereen weet waar de ander is, en iedereen komt altijd thuis.
Zeger Reyers’ werk is vanaf 9 nov te zien op ‘De Paddenstoel aan het eind van de wereld’, Coda Museum, Apeldoorn. In het Nieuwe Instituut in Rotterdam is vanaf 21 nov te zien wat ontwerpers met fungi ontwikkelen. Bij Brutus in Rotterdam toont Eveline Visser t/m 14 dec een Maasvlakte, overgenomen door paddenstoelen.
Olga Tokarczuk: Huis voor de dag, huis voor de nacht (1999).
Paul Stamets ea: Fantastic Fungi – How Fungi can Heal, Shift Consciousness and Heal the Planet (2019).
Merlin Sheldrake: Entangled Life: How Fungi Make Our Worlds, Change Our Minds and Shape Our Futures (2020).
John Cage – A mycological foray (2020), alleen op pdf verkrijgbaar.
Anna Lowenhaupt Tsing: The Mushroom at the end of the world – on the possibility of Life in Capitalist Ruins (2021).
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC