Jong geleerd De term ‘fundamentalisme’ wordt alom gebruikt. Maar wat betekent het? Vaak slaat het op mensen die „niet met de vooruitgang kunnen meekomen”.
Een jonge Marokkaanse moslim stelde zich op een conferentie over religie ooit zelfverzekerd voor als: „Rachid. Fundamentalist.” Dat hield volgens hem in: de Koran is het Woord van God en bevat, zonder tegenstrijdigheden, alles wat een mens moet weten over het leven en de wereld. Je zou zeggen: een heldere definitie van fundamentalisme. Het letterlijke geloof als basis, fundament, van alles.
Niet dus. Het begrip fundamentalisme is in de wetenschap al ruim een eeuw onderhevig aan uiteenlopende interpretaties en zeker in het publieke debat geladen met waardeoordelen en impliciete aannames. Het is, zoals het heet, een contested concept, een inhoudelijk veranderlijk en in gebruik omstreden begrip.
Dat is de strekking van het lijvige Fundamentalism. The Usefulness of a Contested Concept van filosoof Nora Kindermann, waarmee ze begin oktober promoveerde aan de Vrije Universiteit. Het hoogtepunt van een gevarieerde academische loopbaan. Kindermann studeerde filosofie in Wenen en Utrecht, Humanistiek aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, religiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, en conflictstudies aan de Universiteit Utrecht. „Ik ben nogal multidisciplinair, ik vond filosofie heel leuk maar wilde ook een concreter vak studeren.”
Maar wat is er zo omstreden aan het breed ingeburgerde begrip fundamentalisme? Zij zegt: „Allereerst is in het publieke debat of in de media helemaal niet zo duidelijk wat mensen, groepen en bewegingen die we fundamentalistisch noemen, daadwerkelijk gemeen hebben. Ook dat ‘terug willen naar de bronnen’ of religieuze teksten letterlijk nemen, kan van alles betekenen. Als je de geschiedenis bekijkt, zie je dat de term heel vaak vooral door mensen wordt gebruikt om zich af te zetten tegen anderen die worden gezien als irrationeel, mensen die niet met de vooruitgang kunnen meekomen en die vaak ook gelden als problematisch of zelfs als een bedreiging.
Die retorische lading bestond ook, in omgekeerde zin, bij de eerste Amerikaanse fundamentalisten die zich – zoals Rachid – trots zo noemden om zich af te zetten tegen moderne, liberale interpretaties van het geloof. „De modernisten hebben het begrip zich daarna heel snel eigen gemaakt, om fundamentalisten juist weg te zetten.” Dat blijkt in de voortgaande popularisering van de term, we hebben het over ‘vega-fundamentalisten’, ‘gender-fundamentalisten’. In Nederland was een tijdje ‘Verlichtingsfundamentalisten’ een retorische term. Wat fundamentalisten in het publieke discours gemeen hebben is vooral onze afkeer van hen. Dat kan ook weer een effect hebben op het wetenschappelijke discours.”
Is verzet tegen de moderniteit dan geen gemene deler onder fundamentalisten? „Ja, maar ik zou eerder zeggen, ze omarmen de moderniteit op een selectieve manier. Wel de techniek, de middelen, niet het normatieve liberale kader. Waar ze zich vooral tegen keren is het moderne idee dat onze kennis en praktijken geen absolute, transcendente basis hebben maar door mensen worden gecreëerd.”
In haar proefschrift ziet Kindermann verschillende fasen in de geschiedenis van het fundamentalisme-begrip, van een aanduiding voor christelijke stromingen in de VS (jaren twintig) tot een wereldwijde publieke term voor allerlei vormen van religieus maar ook seculier anti-modernisme. „Over de precieze definitie ervan bleef grote onduidelijkheid bestaan. Vanaf de jaren zeventig zijn wetenschappers daarover kritisch gaan nadenken. Was het begrip niet gewoon veel te onduidelijk, te zeer geënt op het christendom, of zelfs islamofoob? Veel onderzoekers pleitten er toen voor om het begrip helemaal niet meer te gebruiken voor de wetenschap of te beperken tot christelijk fundamentalisme.”
Om die impasse te doorbreken heeft Kindermann een methode ontwikkeld die wetenschappers moet helpen hun begrip van fundamentalisme scherp te stellen. In een matrix onderscheidt ze vijf categorieën (overtuigingen, gedrag, emoties, doelen en structuur), afgezet over zes domeinen (historie, sociaal, politiek, normatief, metafysica en kennis). Het is een tool, zegt ze, die gevuld met empirisch onderzoek leidt tot een veel preciezere analyse van fundamentalisme die recht doet aan belangrijke lokale nuances en de verschillende historische en sociale context van, bijvoorbeeld, christelijk en islamitisch of hindoeïstisch fundamentalisme.
Nog een stap abstracter: ze draagt ook vier randvoorwaarden voor wetenschappers aan om te bepalen of het begrip fundamentalisme als zodanig nuttig is voor hun onderzoek. Ze moeten gebruikmaken van die matrix om hun definitie ervan scherp te stellen, transparant zijn over hun gebruik van het begrip, zich rekenschap geven van de historie ervan en zich bewust zijn van mogelijke vooroordelen.
Dat past ze ook op zichzelf toe. Kindermann schrijft in haar proefschrift dat ze zich zorgen maakt over de „antidemocratische, antiliberale en anti-pluralistische” impulsen van fundamentalisten. „Ik wil ook over mijn eigen normatieve kader transparant zijn.” In onderzoek zouden op hun beurt ook fundamentalisten zelf aan het woord moeten komen. „Dat moeten we meenemen om ze goed te begrijpen. Waarom ze een idee van absolute waarheid verdedigen. Waarom ze sceptisch zijn over moderne waarden. En hoe ze ook anderen, ons dus, zien als moderne wezens.”
Blijft de vraag hoe bijzonder het begrip dat ze onderzocht nu eigenlijk is. Zijn niet veel begrippen in de sociale wetenschap contested of „nomadisch” in hun verschuivende betekenis en toepassing (zoals racisme, emancipatie, vooruitgang)? Of zelfs die in de exacte wetenschappen (energie, kracht)? Kindermann: „Is fundamentalisme een geval apart? Daar heb ik lang mee geworsteld. Het antwoord is ja en nee. Wat fundamentalisme apart maakt is dat het een bijzonder politiek omstreden term is, met zo ’n lange en politiek omstreden historie. Maar het zou heel goed kunnen dat je een soortgelijke analyse kunt maken van andere begrippen.”
Kindermann hoopt dat haar matrix door onderzoekers zal worden omarmd, het is immers een tool voor de onderzoekspraktijk. Zelf heeft ze inmiddels een aanstelling als postdoc aan het Center for Religion in the Public Sphere (Crips) van Tilburg University. „Ik vind wetenschap ontzettend leuk en ik ben erg blij met deze kans.”
Ze is nu met een collega onderzoek aan het voorbereiden naar de vermeende opleving van religiositeit onder Generatie Z. „Er zijn allerlei tekenen dat jongeren op zoek zijn naar zingeving en ook het geloof weer aan het ontdekken zijn, maar het bewijs is vooral anekdotisch. Het is te vroeg om te spreken van een trend. Ik zou dat willen onderzoeken en dan vooral vanuit de beleving en motivatie van jongeren zelf. Die kennis is onontbeerlijk.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC