Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Wijkagent en opleider Miranda Nibourg (42) kreeg een melding over twee losgebroken paarden. Wat eerst grappig leek, liep tragisch af.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik had nachtdienst op het bureau in Harderwijk. Het was een rustige dienst, dus toen we de melding kregen van twee loslopende paarden in de buurt van Ermelo, waren we blij met een beetje actie.
‘Halfdrie ’s nachts sprongen Anita en ik in een dienstauto en reden we door het buitengebied. Ineens zagen we in het donker twee paarden langs de weg staan. Prachtige dieren, wit met zwarte vlekken, behoorlijk groot.
‘‘Hoe gaan we dit aanpakken?’, vroeg ik. ‘Ik heb geen verstand van paarden’, antwoordde Anita. Het eerste dier had een touw om zijn nek, het tweede had niks. We dachten: als we die ene bij dat touw pakken en terug in de wei leiden, zal de tweede vanzelf wel naar binnen gaan.
‘Maar zodra we uitstapten, renden ze allebei de weg op. Wij reden erachteraan. Ik moest er een beetje om lachen: voor het eerst in mijn politiecarrière probeerde ik geen boeven maar paarden te vangen.
‘Een eind verderop stonden die dieren stil. Anita belde onze collega Cynthia, een paardenkenner. Zij raadde ons aan om ze met een knisperend broodzakje te lokken. Anita pakte haar brood uit haar rugzak en zei met gestrekte arm: ‘Kom maar, kom dan.’
‘Een van die paarden liep naar haar toe, stak zijn snuit in haar hand en rende ineens weer verder. En wéér ging paard twee erachteraan. We stapten weer in en ik vroeg over de portofoon: ‘Kan er iemand komen met een verdovingsmiddel? Want die paarden gaan richting de snelweg.’
‘De centralist zou informeren. Ondertussen haalde Anita de dieren in, parkeerde en ging midden op de weg staan met haar armen gespreid en brood in beide handen. Die paarden kwamen in volle galop op haar af. Ik dacht: wauw, als ze maar niet dwars door haar heen gaan. Maar de dieren renden haar rakelings voorbij.
‘Weer gingen we erachteraan. Onderweg hoorden we dat er geen persoon met een verdovingsmiddel voorhanden was. Anita reed die paarden weer voorbij en zette een paar honderd meter verderop plotseling met volle snelheid onze dienstwagen dwars op de weg, om de toegang tot de snelweg te blokkeren.
‘We schrokken: het eerste paard rende briesend door tussen de auto en het hek langs de weg, het tweede ging in paniek dwars over onze motorkap en raakte daarbij gewond. We hoorden de hoeven bonken op onze auto.
‘Toen werd het menens. Volledig dol galoppeerden ze de toerit omhoog, de A28 op, tegen het verkeer in. Ik zette onze zwaailichten aan terwijl Anita over de vluchtstrook tegen het verkeer in reed. Al snel splitsten de paarden zich, eentje bleef achter. We stopten, Anita bleef bij dat paard, ik reed verder over de vluchtstrook en haalde dat eerste paard in. Vervolgens zag ik de koplampen van een personenauto naderen. Ik seinde met groot licht, stopte, stapte half uit en gebaarde: rustig aan! Die bestuurder verminderde snelheid en draaide zijn raam open. Ik riep: ‘Blijf staan!’ Ook andere tegemoetkomende auto’s minderden vaart.
‘Dat paard was nog achter mij. Terwijl ik het verkeer waarschuwde, kwam een automobilist keihard aanscheuren, veel harder dan was toegestaan. Ik schreeuwde: ‘Stop! Stop!’ Maar hij reed door. Meteen daarna hoorde ik bám! Een enorme klap. Ik keek om, en zag dat witgevlekte paard een paar meter boven die auto tollen in de lucht, voordat het op het wegdek klapte. Eikel, dacht ik, waarom luister je niet?
‘Ik rende ernaartoe. De bestuurder stapte trillend uit. ‘Gaat het?’, vroeg ik, maar hij was totaal in shock. Zijn motorkap was helemaal omgekruld, zo hard was het gegaan.
‘Het paard leefde nog. Zijn kop, of eigenlijk moet ik zeggen: hoofd, lag in een enorme plas bloed. Die grote ogen keken me recht aan. Ik zag die ogen wegdraaien, hoorde het dier nog één keer uitademen en zag hem sterven.
‘Ik meldde de aanrijding en vroeg om assistentie. Anita kwam aanrennen en al snel waren er collega’s die met z’n allen dat andere paard konden vangen. Wat ik aanvankelijk wel grappig vond, liep dus heel triest af. We waren verbijsterd dat die bestuurder het had overleefd.
‘Terugkijkend hebben we dit niet goed gedaan. We hebben best wat risico’s genomen, bijvoorbeeld door tegen het verkeer in te gaan rijden. Met de beste intentie modderden we maar wat aan, maar we waren niet deskundig. We hadden eerder hulp moeten inroepen. We handelden op ons gevoel, op ons instinct. Vaak werkt dat, maar toen dus niet.
‘Het allerrotst van deze situatie is de machteloosheid die je voelt als iets niet werkt. Alle eerste keren blijven hangen: je eerste lijkvinding, het eerste waarschuwingsschot, je eerste heterdaad en nu dus ook het eerste dier dat je ziet sterven. Ik ben een dierenliefhebber. Dus als je zo’n paard, dat jou met wanhopige ogen aankijkt, ziet doodgaan, doet dat wat met je. Zo’n dier kan er niks aan doen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant