column
Marjoleine de Vos
‘Hè bah, er zit suiker in”, mopper ik na het eerste slokje cappuccino. We zitten in een koude stationshal ergens in Frankrijk en iets warms was erg welkom, maar dit. Bah, zeg ik nog eens. Terug naar de toonbank, blijkt dat de vrouw erachter denkt dat ze de chocola gegeven heeft waarom gevraagd was en zegt ze verbaasd: er zit altijd suiker in chocola.
Chocola dus. Aha. Ik neem nog een slokje en ja, ik geloof inderdaad wel dat ik chocola proef, nu ik het eenmaal weet. Die is altijd een beetje zoet, dat is niet erg. En iets warms is lekker.
Hoe je zogenaamde smaak voortdurend beïnvloed wordt door, of afhankelijk is van wat je weet of meent te weten. Het zogenaamde ‘blind’ proeven is niet voor niets uitgevonden. Ik heb in een blinde proeverij mijn lievelings chocoladeletter verloochend, en blind geproefd is het niet makkelijk om je favoriete jenever uit het rijtje glaasjes te halen.
Maar wat zegt dat? Dat we helemaal geen ‘eigen smaak’ hebben? Nee toch niet, want misschien verraad je je zogenaamde voorliefde, maar je hebt dan toch meteen een ándere voorkeur, en dat is wel degelijk een kwestie van smaak. En er zijn een heleboel ongeëtiketteerde waren die je wel of niet lekker vindt, onbeïnvloed door wat dan ook. Hoewel ook daar de overtuiging dat je iets ‘vies’ vindt je parten kan spelen – wie weet dat deze heerlijke flapjes met bloemkool gemaakt zijn vindt ze misschien minder lekker dan ongespecificeerde groentebeignets.
Je vraagt je wel eens vaker af wat smaak of voorkeur eigenlijk is: Als dit niet Duitsland was maar Frankrijk, zou ik dit landschap dan mooier vinden? En een beetje huiverig, bij politiek: Als je in dit standpunt nu niet onmiddellijk de PVV zou ontwaren, zou je het dan best redelijk vinden? Als je deze stem op de radio niet zou herkennen als van een bepaalde politica, zou je haar dan sympathiek vinden? Niet onmogelijk dat het antwoord drie keer ‘ja’ luidt. Of is dat wèl onmogelijk?
Ik lees geregeld in de omvangrijke studie Een nieuw geluid, van Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker, over de Nederlandse poëzieopvattingen tussen 1900 en 1940, dus nadat de Tachtigers duidelijk hadden gemaakt hoe we poëzie moeten zien: als op zichzelf staand (autonoom), een vrijplaats voor de kunstenaar, en nog zo het een en ander. Het is een heerlijk boek voor wie een beetje van poëzie houdt (en wie dat doet niet), en je ziet ook daarin steeds weer hoe smaak en voorkeur aangepast worden aan fundamentele opvattingen. Natuurlijk moet een gedicht autonoom zijn, vinden bijvoorbeeld ook christelijke kringen, maar ze houden hun eigen overtuiging erin door te wijzen op wat poëzie ook is: (goddelijk) geïnspireerd. Net zoals maatschappelijk geëngageerde dichters ondanks het opzichzelfstaande karakter van de kunst toch iets over de wereld wilden zeggen. ‘Autonomie plus’ noemen de schrijvers dat: ‘kunst was niet zomaar etherisch gemijmer uit een ivoren toren, maar iets wat geestelijk of maatschappelijk van onschatbaar belang was’. Dat is eigenlijk nog steeds de manier waarop de kunst meestal verdedigd wordt, al is zo’n beetje iedereen het er tegelijkertijd wel over eens dat kunst ‘natuurlijk niets moet’. Binnen die tegenstrijdige fundamentele opvatting bestaan allerlei voorkeuren, je eigen en andermans en die botsen soms en soms zijn ze fluïde als warme chocola.
Het lezen van zo’n boek geeft veel te denken over wat je voor je eigen smaak en opvattingen houdt, en eigenlijk is dat nu juist het aantrekkelijke, dat geeft ruimte. Tenminste: zolang je kunt blijven geloven in iets ‘van onschatbaar belang’. Daarzonder komt álles op losse schroeven te staan.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC