Met workshops en netwerkbijeenkomsten wil het platform RFG Media gevluchte journalisten helpen om in Nederland hun werk weer op te pakken. In de praktijk blijkt dat vaak lastig.
schrijft voor de Volkskrant over sport en media.
‘Is het oké om als journalist undercover te gaan?’, vraagt gespreksleider Frits van Exter in het Engels aan tien aandachtig luisterende journalisten. Er valt een korte stilte. Van Exter licht toe: ‘Stel je voor dat je een bedrijf wilt onderzoeken waar medewerkers naar verluidt ziek worden door de gebruikte chemicaliën, maar niemand wil met je praten. Zou het dan toegestaan zijn om een verhaal over dat bedrijf te schrijven terwijl je je voordoet als werknemer?’ ‘Of course!’, roept iemand vanuit een hoekje.
Daar is de Afghaanse journalist Saadat Mousavi het niet mee eens. In het Nederlands maakt hij duidelijk dat hij zich ongemakkelijk zou voelen als hij zich niet kenbaar zou maken als journalist. ‘Je moet eerlijk zijn, altijd.’ Van Exter reageert dat het in Nederland ook gebruikelijk is om transparant te zijn, tenzij ‘er een groter maatschappelijk belang is’. Mousavi is nog niet overtuigd: ‘Daar moet ik even over nadenken.’
Het is een van de vele discussies die deze middag plaatsvinden op het terrein van Treehouse NDSM, waar een groep gevluchte journalisten is samengekomen voor een workshop over recht en ethiek in de Nederlandse journalistiek. De training wordt gegeven door Van Exter, tevens voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. De deelnemers zijn de afgelopen jaren hun thuisland ontvlucht en in Nederland neergestreken. Sommigen van hen zijn al statushouder, anderen zitten nog in de asielprocedure.
De workshop vormt onderdeel van een van de mentorprogramma’s van RFG Media, een platform dat in 2017 is opgericht om gevluchte journalisten in Nederland een kans te bieden hun carrière voort te zetten. Met een eigen publicatieplatform en dit soort trainingssessies hoopt de organisatie de journalisten een zetje in de juiste richting te geven.
‘Voor elke nieuwkomer is het vanwege het gebrek aan een netwerk en de taalbarrière moeilijk om in een ander land weer aan het werk te gaan’, zegt journalist en projectmanager Rob Hartgers, die ook aanwezig is bij de workshop. ‘Maar het is extra lastig voor een journalist omdat die, meer dan een ICT’er of timmerman, de cultuur en taal van een land moet begrijpen om zijn werk goed te kunnen doen. Dat maakt het in combinatie met de toch al lastige journalistieke arbeidsmarkt niet makkelijk.’
Het mes snijdt aan twee kanten, zegt Hartgers. Geef je als Nederlands medium een gevluchte journalist een kans, dan is dat ook een mogelijkheid om een ander perspectief je organisatie binnen te halen. ‘Onze journalisten hebben ingangen in bepaalde gemeenschappen, zoals de Jemenitische en Afghaanse, die Nederlandse journalisten niet hebben. Daar komt bij dat ze veel talenkennis en kennis van de regio toevoegen.’
Bovendien, zegt hij, kunnen de gevluchte journalisten als ervaringsdeskundigen iets toevoegen aan het asieldebat. ‘In een tijd waarin asiel en migratie bijna dagelijks op de voorpagina staan, is het nuttig en waardevol om collega’s te hebben die weten wat het betekent om in het Nederlandse asielsysteem te zitten’, aldus Hartgers. Zij kunnen volgens hem invalshoeken belichten die anders onzichtbaar waren gebleven.
Iemand die twee jaar lang in zo’n asielprocedure heeft gezeten, is de Oegandese journalist Esther Muwombi (37). Na meerdere persoonlijke bedreigingen en mishandelingen door overheidsfunctionarissen, liet ze haar partner en drie kinderen (onder wie een één jaar oude baby) achter in haar thuisland en vluchtte naar Nederland, waar ze in een carrousel van azc’s belandde. Die periode omschrijft ze als ‘verschrikkelijk’. ‘Als asielzoeker word je niet met respect behandeld, omdat je wordt gezien als een economische migrant’, zegt ze. Muwombi kiest haar woorden zorgvuldig. ‘Als je zwart of Afrikaans bent, geldt dat extra. Dat doet me nog steeds pijn.’
Muwombi is ervan overtuigd dat haar journalistieke stem en die van haar collega’s van toegevoegde waarde zouden zijn in het Nederlandse medialandschap. ‘Nederlandse media spreken veel over, maar te weinig met asielzoekers en vluchtelingen. En wie is er beter gekwalificeerd om hun verhaal te vertellen dan een journalist die zelf vluchteling is?’
Er zijn meer dan tweehonderd journalisten aangesloten bij het netwerk van RFG Media, dat door onder meer Fonds BJP en Stichting Democratie en Media wordt gefinancierd. De journalisten worden vaak doorverwezen door de NVJ of het COA en nemen dan zelf via de mail contact op. Om aangenomen te worden bij RFG Media moet bij een intakegesprek met Hartgers blijken of de persoon op de vlucht is en aantoonbare werkervaring als mediaprofessional heeft. Dat laatste is onder meer voor de veiligheid van collega’s.
‘Er zijn steeds meer autocratische landen als Iran, Rusland en Rwanda die agressiever worden in het monitoren en bedreigen van dissidenten in het buitenland’, legt Hartgers uit. ‘Het is bekend dat daarvoor vaak gevluchte landgenoten worden ingezet.’ Tot op heden heeft hij geen aanwijzingen dat er pogingen zijn gedaan om met dit doel in het RFG Media-netwerk te infiltreren. ‘Maar ik houd er wel rekening mee.’
In het verleden weigerde Hartgers wel iemand die onderdeel was van een georganiseerd propagandanetwerk van de Azerbeidzjaanse overheid. ‘In interviews met Azerische websites verklaarde hij zich in te zetten voor de belangen van Azerbeidzjan, onder meer met betrekking tot Nagorno-Karabach en de Armeense genocide’, aldus Hartgers. ‘Daarnaast reisde hij regelmatig naar Bakoe, waar hij zich liet fotograferen met hooggeplaatste figuren in de Azerbeidzjaanse overheid.’
Veel journalisten uit het netwerk werkten in eigen land voor een verzetskrant of ander underground medium, en willen dat werk vanuit hier continueren. Aan die activistische instelling moest Hartgers in het begin even wennen. Hij vertelde dan tijdens intakegesprekken dat ze hier journalist moesten worden, en geen activist. Een nogal traditionele houding, realiseerde hij zich achteraf. ‘Ik dacht vroeger, zoals veel andere journalisten nog steeds doen, dat journalistiek en activisme totaal verschillende dingen zijn. Ik zag activisme als verdacht, als iets waar je je als professional verre van moet houden.’
Inmiddels is Hartgers hier anders over gaan denken en schaamt hij zich zelfs een beetje voor zijn eerdere houding. ‘Het is een gemakzuchtige en geprivilegieerde kijk op wat journalistiek is. In de dictaturen waar de journalisten uit het RFG-netwerk vandaan komen, is het brengen van de waarheid een vorm van activisme.’ Gevluchte journalisten en journalisten uit minderheidsgroepen zien volgens Hartgers vaak heel scherp dat wat doorgaat voor ‘neutraliteit’ in werkelijkheid ‘vooral de gevestigde belangen dient’.
Dat de invulling van de begrippen neutraliteit en activisme afhangt van de context, blijkt ook tijdens de workshop als de Palestijns-Syrische journalist Ashraf Sahli (35) duidelijk maakt dat hij zich tijdens zijn werk soms meer activist dan journalist voelt. ‘Toen ik in Syrië over de mensenrechtenschendingen van het regime-Assad schreef, kon ik niet neutraal blijven’, vertelt hij in het Nederlands. ‘Ik was tegen het regime en stond aan de kant van de oppositie. Dan is het onmogelijk géén activist te zijn.’ Neutraliteit klinkt voor hem als ‘een muur zonder gevoelens’, terwijl hij juist wil meeleven met burgers en hun problemen. ‘Mijn motivatie om journalist te zijn, zijn mijn mensen. Ik wil hun stem zijn.’
Sahli’s carrière als journalist, of ‘media-activist’ zoals hij het zelf zegt, begon in 2011 toen de Syrische revolutie uitbrak. Hij maakte destijds foto’s en video’s van de demonstraties tegen het Syrische regime en schreef nieuwsupdates op Facebook. Kort daarop vluchtte hij naar Libanon, waar hij werkte voor Libanese en Palestijnse media, om vervolgens zes jaar later met zijn moeder, zusje en broertje herenigd te worden in een azc in Weert. Via een studievriendin – Sahli rondde intussen een master af aan de Universiteit van Amsterdam – kwam hij in 2024 in aanraking met RFG Media.
‘Als Palestijn zit politiek in mijn bloed’, zegt Sahli na afloop van de workshop. ‘Journalistiek is voor mij de beste manier om daarop te reflecteren.’ Zijn ambitie is daarom om in Nederland verder te gaan als journalist. Bij RFG Media krijgt hij de kans een portfolio en netwerk op te bouwen, en kan hij aan zijn Nederlands werken. Op het moment loopt hij stage bij de NTR, dat met het vluchtelingenplatform samenwerkt. Het vele Nederlands praten vindt hij ‘best uitdagend’.
Het grootste verschil met Syrië en Libanon is de journalistieke vrijheid die Sahli hier voelt. ‘In die landen kun je vermoord of gevangengezet worden als je iets publiceert’, zegt hij. ‘Als journalist voel je dat de regering constant boven je hoofd hangt.’ Een in je nek hijgende overheid herkent Muwombi maar al te goed: in Oeganda riskeren kritische journalisten geweld, ontvoering en arrestatie. Volgens haar is het een voorrecht dat Nederlandse journalisten ‘pure waarnemers’ kunnen zijn. ‘Hier staan journalisten aan de zijkant: ze brengen verslag uit over de mensen en de regering, en laten de lezer of kijker vervolgens beslissen’, aldus Muwombi. ‘In Oeganda kon dat niet, dus moest ik me verzetten. Die realiteit dwong me ertoe activist te worden.’
Hoewel de politieke situatie in Nederland natuurlijk niet te vergelijken is met die in landen als Syrië en Oeganda, ziet Hartgers lichte parallellen met zijn eigen organisatie. ‘In het huidige politieke klimaat, waarin vluchtelingen bij voorbaat als verdacht worden gezien, is het opeens activistisch om op te komen voor buitenlandse collega’s’, zegt hij. ‘Terwijl ik het als heel vanzelfsprekend zie om gevluchte journalisten te helpen hun leven hier weer op te bouwen.’
Een journalistieke carrière lanceren in een nieuw land blijkt overigens knap lastig. Een van de succesvoorbeelden van RFG Media is huidig bestuurslid Yaghoub Sharhani. De Iraanse journalist is inmiddels redacteur bij het tijdschrift De Groene Amsterdammer. Het gros van de journalisten eindigt echter, net als veel Nederlandse collega’s, als freelancer. ‘Journalisten die net in ons netwerk zitten, zijn vaak supergemotiveerd’, zegt Hartgers. ‘Tot ze op een gegeven moment merken dat de kans om hun brood te verdienen met journalistiek niet heel groot is. Sommigen besluiten dan iets anders te gaan doen.’
Naast de kloof in taal en cultuur, speelt volgens Hartgers mee dat de journalistieke sector ‘niet altijd even flexibel’ is. Zo kan het initiatief op veel goodwill en positieve reacties rekenen van nieuwsredacties, maar staan praktische bezwaren in de weg zodra het eropaan komt. ‘Redacties realiseren zich opeens hoeveel extra begeleiding zo iemand nodig heeft’, aldus Hartgers, die er bij media voor pleit iets minder beren op de weg te zien. ‘Ga eens kijken naar wat ze meenemen, in plaats van naar wat ze kosten.’
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant