Nera Derksen-Deckers is 100 jaar. Hoe liep zij een trauma op van de katholieke kerk?
‘Ik ben er nog’, denkt Nera Derksen elke ochtend bij het ontwaken. De avond voor het slapengaan zorgt de 100-jarige er altijd voor dat haar keuken netjes aan kant is, want je weet maar nooit. Bij het vertellen van haar levensverhaal diept ze in hoog tempo de ene na de andere anekdote uit haar geheugen op, en wrijft daarbij vaak de tranen uit haar ogen van het lachen. Op de opmerking dat ze er mooi gebruind uitziet, reageert ze gevat: ‘Wat je van God niet krijgt, geeft de poederdoos je wel.’
Waar beleeft u nog plezier aan?
‘Om de veertien dagen ga ik naar de kapper. Na afloop haal ik een bakje warme kibbeling bij de visboer. Als ik thuiskom, schenk ik een glas whiskey cream in, ga bij het raam zitten met mijn visje en mijn drankje, en dan kan ik zó genieten!’
Wat was uw rol in het gezin waarin u bent opgegroeid?
‘Ik was de oudste van negen kinderen. Dat betekende dat ik niet mocht doorleren na de lagere school. Ik moest mijn moeder helpen in het huishouden. Wel mocht ik twee dagen in de week naar de naaischool bij de nonnen. Daar had ik een hekel aan, ik deed helemaal niks, en spijbelde vaak met vriendinnen. Mijn moeder betrapte mij. ‘En hoe was het vandaag?’, vroeg ze bij thuiskomst. ‘Goed’, antwoordde ik. ‘Je jokt’, zei ze. Een van die rotnonnen bleek naar mijn moeder te zijn gegaan om te zeggen dat ik niet was komen opdagen.’
Kreeg u weleens straf?
‘Een keer moest ik een week lang op mijn kamer blijven, het eten werd naar boven gebracht. Ik zal een jaar of 13 zijn geweest. Het was winter en er lag een dik pak sneeuw. De lange weg waaraan ons huis in Arnhem lag, liep naar beneden. Daar ging ik sleetje rijden met mijn jongere broertjes en zusjes. Ik kwam niet samen met hen thuis, maar later. Als oudste had ik op ze moeten passen. Ik was stiekem met mijn verkering gaan sleeën, met Antoon. Na de oorlog zijn we getrouwd, een heel gelukkig huwelijk.’
Wat vond u ervan dat u niet mocht doorleren?
‘Ik vond het prachtig om mijn moeder te helpen met het huishouden: boenen, ramen zemen, schoenen poetsen – nog steeds ben ik een boener, ik hou van schoon. ’s Middags zat mijn moeder vaak bij het raam achter de naaimachine, dan zat ik naast haar. Als we zin hadden in een gebakje, gingen we in de zakken van een uniform van mijn vader – hij was militair – op zoek naar een paar centen. Daar haalden we twee gebakjes van, een traktatie!’
Was uw vader streng, als militair?
‘Ik ken mijn vader niet anders dan in uniform, ook thuis, maar streng was hij niet. Wel moesten we van hem altijd beleefd zijn. De sfeer thuis was heel fijn. We deden veel spelletjes, met z’n allen om de tafel. Bij een zo’n spel ging er een touw rond met een sleutel eraan, iedereen moest eraan trekken, bij wie de sleutel bleef hangen, die moest een liedje zingen.
‘De zaterdagavond was het leukst. Een voor een gingen we in de teil, allemaal in hetzelfde badwater, gatver. Als oudste was ik altijd als laatste aan de beurt. Daarna zaten we in pyjama en met natte haren op de bank. Mijn vader had een paling voor mijn moeder gekocht en voor ons kinderen doppinda’s. De schillen moesten we bewaren, want daar werd de volgende dag de kachel mee aangemaakt. En intussen luisterden we met z’n allen naar een hoorspel op de radio.
‘Waar ik uit mijn jeugd een syndroom aan heb overgehouden, is de katholieke kerk. Elke zaterdag biechten, ook als we die week al met de hele klas waren gegaan. Ik wist nooit wat ik moest vertellen. ‘Zeg maar wat’, zei mijn moeder. Als mijn man, toen hij nog mijn vriend was, mij maar even had vastgehouden, moest hij meteen biechten, want dan was hij ‘onkuis’ geweest. Verschrikkelijk. We hadden een veel fijnere verkering en huwelijk kunnen hebben zonder de katholieke kerk, we durfden elkaar nauwelijks aan te raken.’
Toch kreeg u zes zoons.
‘De pil was er nog niet. De eerste drie zijn in één jaar tijd geboren, de oudsten waren een tweeling. Ze sliepen ieder in een sinaasappelkistje. Ik weet niet hoe ik dat allemaal deed, met al die luiers van drie kleintjes die met de hand gewassen moesten worden. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit moe was. En dan liep ik ook nog altijd op hoge hakken. Dat was mode.’
Heeft u de Slag om Arnhem in 1944 meegemaakt?
‘Van de oorlog had ik weinig last; ik zat op dansles en werkte in een modezaak waar veel feestjes werden georganiseerd. Totdat bij Arnhem de veldslag begon tussen de Duitsers en de geallieerden, in september 1944. We werden geëvacueerd. Antoon, mijn verkering, liep naar ons toe. Hij had geen ouders meer, die waren rond zijn 13de allebei aan kanker overleden, hij woonde dan weer bij die en dan weer bij die. ‘Toon gaat niet alleen, hij gaat met ons mee’, zei mijn vader. Met z’n twaalven zijn we over de Veluwe gelopen. Ik kon haast niet meer lopen omdat de zolen van mijn schoenen kapot waren, waardoor mijn voeten open waren gegaan.
‘De eerste nachten sliepen we in een lijkenhuisje, daarna in een kippenhok en een week in een paardenstal. In Barneveld aangekomen, werden we ontvangen door de NSB-burgemeester, die ons doorverwees naar een boerderij. Daar woonde een rijke boer, die ons alleen maar aardappelen te eten gaf. We sliepen in de deel boven de koeien. In de avond mochten we een paar uur in zijn keuken staan, waar de kachel brandde, om op te warmen. Op het fornuis stond een grote pan met pap te pruttelen. Voordat de boer met zijn gezin de pap ging eten, stuurde hij ons weg met de opmerking: ‘Het is bedtijd.’ Wat hebben we daar een honger gehad, maar ook veel lol onderling. Na een paar weken wilde die boer ons niet meer en zijn we als gezin opgesplitst. Ik kreeg met twee zusjes onderdak bij een aardige, kleine boer in Vaessen. Hij behandelde mij als een dochter.
‘Bij terugkeer in Arnhem bleek dat ons huis was leeggeroofd, er stond alleen nog een tafel. Wat ik het allerergste vond, was dat ook mijn poesiealbum was meegenomen, een heel mooi album met een kaft van grijze stof. Wat moesten ze daarmee?’
Is er iets waarvan u achteraf denkt: dat had ik niet moeten doen?
‘Gaan samenwonen op hogere leeftijd, ik was 75. Dat kan ik iedereen afraden. Je bent je vrijheid kwijt. Mijn vriend was heel aardig, maar een latrelatie was beter geweest.
‘Ik was 62 toen ik weduwe werd. Toon, mijn man, overleed heel plotseling. Hij was 65 en net een paar maanden met pensioen. We hadden zo veel plannen samen, zoals vaak naar zee gaan, waar we allebei zo van hielden. Het is oneerlijk, want hij had al geen leuke jeugd gehad. De eerste periode na zijn dood deed ik niks meer, zelfs het vuilnis zette ik niet buiten.
‘Waar ik ook veel verdriet van heb gehad, is het overlijden van Josje, mijn een na jongste zoon. Hij is 7 jaar geworden. Zo’n lief kind. Hij had het syndroom van Down. Dat wisten we eerst helemaal niet. We hoorden het van iemand in een winkel. De hele buurt wist het, behalve wij. Vanaf zijn geboorte was hij een hartpatiëntje.
‘De jongste van onze zes kinderen kreeg de mazelen en Josje raakte ook besmet. Zijn hart kon de hoge koorts niet aan. Mijn man en ik mochten niet bij hem zijn in het ziekenhuis, we konden alleen vanachter een raam naar hem kijken. Ik noem de zusters nog steeds ‘die rotnonnen’. ‘We bellen uw overburen wel als het zover is’, zeiden ze. We hadden zelf nog geen telefoon, de overburen wel.
‘En zo is het gegaan. Zijn lichaampje zou thuis opgebaard worden. Kwam er ineens een bestelwagen voorgereden. Mijn man zei tegen de chauffeur: ‘Wát? Dat neem ik niet. Mijn zoon hoort in een rouwauto vervoerd te worden.’ De chauffeur reed weg en kwam in een rouwwagen terug.’
Welke herinnering aan uw man koestert u?
(Ze begint al op voorhand smakelijk te lachen.) ‘Hij werkte bij een bank. De voorgeschreven kleding was een donker pak met een wit overhemd. Al die mannen liepen er dus hetzelfde bij. Ik was vrij modern, dus toen het in de mode kwam, had ik een gekleurd overhemd voor hem gekocht, roze. Dat trok hij aan naar kantoor. Bij thuiskomst vertelde mijn man dat hij bij de directeur op kantoor moest komen. ‘Heb je opslag gekregen?’, vroeg ik verwachtingsvol. Nee, wat denk je? Hij was op het matje geroepen, omdat hij een gekleurd overhemd droeg! ‘Ik trek alleen een witte aan als u de vrouwen op kantoor vraagt langere rokken te dragen. Onder het bureau kijk ik zo in hun kruis’, reageerde mijn man. De directeur stond met zijn mond vol tanden en heeft er nooit meer iets van gezegd. Binnen korte tijd droegen alle mannen op de bank een gekleurd overhemd.’
Nera Derksen pinkt weer een traantje weg en zegt: ‘Zoiets kun je je nu toch niet meer voorstellen?’
geboren: 20 april 1925 in Arnhem
woont: zelfstandig, in Velp
familie: nog één zus (85 jaar), 6 zoons, 10 kleinkinderen, 12 achterkleinkinderen
beroep: huisvrouw en postsorteerder
weduwe sinds 1987
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant