Staatsbemoeienis Het Nederlandse besluit bij Nexperia in te grijpen laat volgens experts zien dat de EU zich ontwikkelt van een van de meest open handelsblokken ter wereld tot een blok dat in toenemende mate gericht is op zijn economische veiligheid.
Het gebouw waar Nexperia in Nijmegen zetelt.
Een land met een open economie, waar de vrije markt in hoog aanzien staat, grijpt niet zomaar de macht bij een particulier bedrijf. Toch werd vorige week zondag bekend dat het Nederlandse kabinet een drastische ingreep deed bij Nexperia, een chipfabrikant met hoofdkwartier in Nijmegen en met een Chinese eigenaar.
Het ministerie van Economische Zaken heeft zich de bevoegdheid toegeëigend om in het bedrijf beslissingen tegen te houden of terug te draaien. Dit, schreef het ministerie in een persbericht, „naar aanleiding van recente en acute signalen van ernstige bestuurlijke tekortkomingen en handelingen bij Nexperia”, waardoor „de Nederlandse en Europese economische veiligheid” in gevaar kunnen komen.
Het Nederlandse besluit markeert een omslag, schreef de Financial Times, in de evolutie van de EU van een van de meest open handelsblokken ter wereld tot een handelsblok dat in toenemende mate gericht is op z’n economische veiligheid. „Nederland is hiermee midden in de strijd gestapt tussen de Verenigde Staten en China om technologische overheersing”, aldus de Britse zakenkrant. Verschillende Nederlandse experts beamen dat.
De stap van Economische Zaken past in een ontwikkeling die al langer gaande is, zegt Paul Timmers, hoogleraar geopolitiek en technologie aan de universiteit van Leuven en oud-topambtenaar bij de Europese Commissie. „Het past in een beleid dat gericht is op strategische autonomie.”
Nederland wilde voorkomen dat kennis over chips naar China zou ‘weglekken’ en dat bedrijfsonderdelen naar China zouden worden verplaatst. De Chinese topman van Nexperia, Zhang Xhuezheng (‘Wing’), is deze maand door de Nederlandse Ondernemingskamer wegens wanbestuur op non-actief gesteld. China reageerde verontwaardigd op de Nederlandse machtsgreep bij het bedrijf.
Timmers waarschuwt dat er „behoorlijke risico’s” aan het Nederlandse ingrijpen kleven. „China kan terugslaan, en doet dat ook al, door te zeggen dat Nexperia-chips die in China gemaakt worden niet uitgevoerd mogen worden. Dat kan de Europese auto-industrie raken, maar ook de energiesector of de markt voor consumentenapparatuur. Dat zijn dan dus ook consequenties voor andere landen. En China heeft nog heel wat meer opties, zoals het beperken van de levering van [voor Nederland] cruciale materialen. Dit is echt geo-economics on steroids.”
De Verenigde Staten hebben Nederland volgens The New York Times onder druk gezet om bij Nexperia in te grijpen, zoals Washington ook ASML dwong de export van geavanceerde chipmachines naar China te staken. Zit Nederland niet klem tussen de VS en China? „Dat weet ik niet, maar in elk geval moet Nederland zijn eigen beleid voeren. Natuurlijk zijn we erg afhankelijk van de VS, maar ik denk dat het verstandig is om je niet te laten meeslepen in het ideologische debat en om je pragmatisch op te stellen.”
Omdat Nederland in de geopolitiek een kleine speler is, zou Den Haag er volgens Timmers goed aan doen steun te zoeken bij „gelijk denkende partners, met name in de Europese Unie”.
Om de zaak niet verder te laten escaleren, zou Nederland moeten zoeken naar een diplomatieke oplossing met China. „En tegelijk moeten we ons erop voorbereiden dat het wél escaleert en dat ook andere industrieën hierbij betrokken raken.”
Hij wijst erop dat de Europese Unie wel een regeling heeft om te toetsen of nieuwe buitenlandse investeringen in de EU op gespannen voet staan met de nationale veiligheid, maar dat een regeling ontbreekt om te onderzoeken of een bestaande buitenlandse investering ongedaan gemaakt of aan banden gelegd moet worden, zoals is gebeurd bij Nexperia. „Die zou relatief soft van aard kunnen zijn: dat Europese landen als zoiets speelt elkaar daarover informeren, met elkaar overleggen. De ervaring leert dat dan ook de bereidheid toeneemt om gezamenlijke stappen te nemen. We zullen nog vele jaren met dit soort kwesties te maken krijgen. Daar moeten we ons op voorbereiden.”
Ook het bedrijfsleven zou hierbij een rol kunnen spelen, zegt Haroon Sheikh, hoogleraar Strategic Governance of Global Technologies aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). „In de Europese chipsector is weinig onderlinge coördinatie, terwijl de bedrijven hierin veel kleiner zijn dan de Amerikaanse giganten als Intel en Nvidia. De weg voorwaarts moet zijn dat de chipfabrikanten in Nederland, Frankrijk en Duitsland niet meer moeten hopen dat het eigen chipbedrijf zo sterk mogelijk wordt, maar dat we ons in plaats daarvan afvragen: hoe kunnen samen, als één Europese chipsector gaan denken?”
Bemoeienis van de overheid bij industriële sectoren heeft in Nederland lang een slechte naam gehad, zegt Steven Brakman, hoogleraar internationale economie in Groningen. „Maar dat is aan het veranderen.” Vooral onder economen was industriebeleid nooit populair, zegt hij. „Waarom niet? Omdat het regeringen altijd ontbreekt aan kennis over de toekomst, over hoe sectoren zich ontwikkelen. Dus je mag als overheid best van alles gaan faciliteren, en bijvoorbeeld start-ups helpen – maar dan wél in het besef dat er vele zullen mislukken.
„Door het gebrek aan kennis heeft Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw veel overheidssteun gegeven aan de scheepsbouw – terwijl die al ten dode opgeschreven was. De les die daaruit geleerd werd was: alleen zwakke bedrijven vragen steun, sterke bedrijven hebben die niet nodig.”
Maar daarop zijn de economen teruggekomen, zegt Brakman. „Dat is in stappen gegaan. Eerst kwam de grote schok, toen China [in 2001] lid was geworden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de wereld met goedkope producten overspoelde. Dat was een grote klap voor onze industrie. Daarna kreeg je de opkomst van protectionistische tendensen om de eigen industrie te beschermen – onder Trump-I, maar ook al onder Obama. Vervolgens ontdekten we tijdens coronapandemie hoe afhankelijk we waren van mondkapjes uit China, van medicijnen uit India.
„En nu komen daar nog de internationale politieke spanningen bovenop, die het besef hebben aangewakkerd dat er bepaalde strategische industrieën zijn waar we niet buiten kunnen en die we dus hier willen houden. Denk aan chips, drones, biotech, vaccins.”
De standaardkritiek op industriebeleid en overheidsingrijpen bestaat nog wel, stelt Brakman, maar er is het besef bijgekomen dat we niet afhankelijk willen zijn van het buitenland. Waar eerder het streven naar efficiency de drijvende kracht was om veel producten goedkoop uit het buitenland te laten komen, ligt nu de prioriteit bij het beperken van de risico’s die daarmee verbonden zijn.
„We willen de eigen industrie beschermen in een aantal cruciale sectoren, zoals chips, drones, biotech, quantumcomputers”, zegt Brakman. „Als er twintig jaar geleden een bod op een bedrijf als ASML was gekomen, hadden we gezegd: ja, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Nu zou rücksichtlos ‘nee’ worden gezegd.„
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC