Home

Koeien, varkens en kippen gaan gebukt onder stikstofbeleid: ‘Diergezondheid staat bijna altijd achteraan’

In de strijd tegen stikstof zijn miljarden gestoken in emissiearme stallen, luchtwassers en aangepast veevoer. Niet alleen halen die maatregelen weinig uit: ze brengen ook de gezondheid van koeien, varkens en kippen in gevaar, waarschuwen deskundigen.

Op de snijtafel van het veterinair laboratorium Royal GD in Deventer belanden geregeld melkkoeien met een alarmerend ziektebeeld. Van buiten zien ze er normaal uit: niet te dik, niet te dun. Maar van binnen blijken ze vol vet te zitten. De lever is vergroot en botergeel, in de buikholte glanst een film van vet. Soms zien pathologen ook vetophopingen in de borstholte en het bekken. ‘Sinds 2018 zien we dit beeld opvallend veel vaker’, zegt rundveedierenarts Ant Koopmans van Royal GD, die de sectierapporten volgt. Vooral in de weken nadat een koe een kalf heeft gekregen, als haar stofwisseling op volle toeren draait, raakt de balans zoek.

Dat vet geen onschuldige reserve is, weten artsen ook bij mensen. Bij koeien speelt hetzelfde: vooral het vet in de buikholte werkt als een actief orgaan dat hormonen en ontstekingsstoffen afgeeft. Die verstoren de stofwisseling en belasten de lever. Daardoor zien pathologen vaker gevallen van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven. Vooral leververvetting is berucht: een stofwisselingsziekte die in het ergste geval dodelijk kan zijn.

Wat is er de laatste jaren veranderd? In de stal niet zoveel, maar in het rantsoen van de koeien wel. Om de stikstofuitstoot te drukken, zijn melkveehouders minder eiwit gaan voeren in verhouding tot de hoeveelheid energie. Dat lijkt logisch: wat een koe niet opeet, kan ze ook niet uitpoepen of uitplassen. Juist in mest en urine komt stikstof terecht en die vormen samen de bron van ammoniak – de stof die neerslaat in natuurgebieden en daar schade veroorzaakt.

Op papier pakt dat gunstig uit voor het milieu en het klimaat. En ja, de gemiddelde koe kan wat minder eiwit prima verwerken. Maar, zegt Koopmans: ‘Een koe is geen robot. Elk dier heeft zijn eigen stofwisseling. Gemiddelden verhullen dat sommige koeien bij eiwitverlaging wél in de problemen komen.’

Blinde vlek in het beleid

Precies daar wringt het: in de stikstofaanpak wordt nauwelijks gekeken naar de gevolgen voor de gezondheid van het dier zelf. Niet alleen Koopmans is gealarmeerd. Ook wetenschappers aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en de Wageningen Universiteit zien hoe snel dierenwelzijn in de verdrukking komt door de focus op emissiecijfers en gemiddelden.

Vergelijkbare problemen zijn er in de varkenshouderij. Daar worden hoogwaardige eiwitbronnen zoals soja en haver steeds vaker gereserveerd voor menselijke consumptie. Varkens krijgen in plaats daarvan reststromen uit de voedingsindustrie die slechter verteerbaar zijn. Goed voor het klimaat en voor de cappuccino met havermelk die bij de faculteit diergeneeskunde standaard uit de automaat komt, maar minder goed voor het dier.

Recent promotieonderzoek van Lonneke Noorman, dierenarts en universitair docent voeding landbouwhuisdieren aan Universiteit Utrecht, laat zien wat er dan gebeurt: onverteerd eiwit belandt in de dikke darm, waardoor varkens last kunnen krijgen van diarree en een verminderde weerstand. In sommige gevallen moet er antibiotica aan te pas komen.

Dierenwelzijn is een blinde vlek in het stikstofbeleid, zegt ook Arjan Stegeman, hoogleraar gezondheid landbouwhuisdieren aan Universiteit Utrecht. Hij legt uit hoe de politiek het dier is gaan zien: ‘Wat ooit een gewaardeerd productiemiddel was, is nu een milieuprobleem geworden.’ Daardoor, zegt hij, zoekt de overheid vooral naar eenvoudige oplossingen voor de stikstofcrisis, zonder de bredere gevolgen te overzien. ‘Op het moment dat je aan één knop gaat draaien, kan er een cascade van onbedoelde effecten volgen. De ellende met diergezondheid is dat die bijna altijd achteraan staat.’

Volgens Stegeman zit daar een fundamenteel probleem. De overheid ziet diergezondheid vooral als een privézaak van de boer. ‘De overheid beperkt zich tot de wettelijke dierziekten en zoönosen, zoals mond- en klauwzeer of Q-koorts. Zodra het gaat over bedrijfsgebonden aandoeningen – kreupelheid en uierontsteking bij melkvee, luchtwegaandoeningen bij varkens, vleugelbreuken en kneuzingen bij kippen – vindt de overheid het een verantwoordelijkheid van de sector.’

Gebrek aan regie en samenhang

Dat leidt tot een paradoxaal systeem. De sector controleert zichzelf via een reeks kwaliteitssystemen – deels verplicht, deels vrijwillig – terwijl de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vanuit de overheid alleen steekproefsgewijs langskomt. Beide partijen werken niet samen; ze wisselen zelfs geen informatie uit. Daardoor krijgen goedwillende boeren die meedoen aan vrijwillige controles soms meerdere keren per maand bezoek, terwijl de rotte appels er juist tussendoor kunnen glippen.

Omdat de NVWA geen toegang heeft tot die gegevens, weet de overheid niet waar het echt misgaat. Stegeman vindt het onbegrijpelijk dat juist dit niet beter is geregeld. ‘De NVWA heeft de bevoegdheid om te handhaven en zou dat door samenwerking met de private toezichthouders veel effectiever kunnen doen. Veehouders die willens en wetens een loopje nemen met het systeem, komen daar nu probleemloos mee weg.’

Dat gebrek aan regie en samenhang – een moeras van regels waarin dieren worden vergeten – is intussen duidelijk zichtbaar. Er is zo’n 2,4 miljard euro geïnvesteerd in landbouwinnovaties als emissiearme vloeren die stikstofuitstoot moeten verminderen, terwijl die in de praktijk nauwelijks minder ammoniak opleveren. Luchtwassers in varkensstallen maken de lucht buiten schoner, maar binnen verslechtert het klimaat juist. Varkens ontwikkelen ademhalingsproblemen en oogontstekingen, terwijl ze letterlijk een etage boven hun eigen mest en urine leven. Een op de vijf varkens, zo blijkt uit een rapport van Varkens in Nood, heeft een borst- of longvliesontsteking. Dat zijn jaarlijks vijf miljoen varkens die pijn voelen bij elke ademhaling.

Dure technologische oplossingen

Henk Hogeveen, hoogleraar animal health management aan de Wageningen Universiteit, ziet eveneens hoe stikstofmaatregelen in de praktijk verkeerd kunnen uitpakken. Hij kijkt met een economische bril naar diergezondheid en wijst erop dat beleid ook menselijk gedrag stuurt. ‘Als boeren minder koeien per hectare mogen houden, zoeken ze vaak naar manieren om toch hetzelfde inkomen te behouden. Dat kan door de melkproductie per koe op te voeren.’

Op zichzelf hoeft dat niet verkeerd uit te pakken. Bedrijven met een hoge productie per dier doen het wat gezondheid betreft niet aantoonbaar slechter dan bedrijven met een lage productie, zolang die stijging geleidelijk verloopt. ‘Maar als je dat in korte tijd probeert te forceren’, waarschuwt Hogeveen, ‘dan krijg je problemen met de diergezondheid.’

Hij noemt ook de technologische oplossingen waar miljarden in omgaan. Luchtwassers en emissiearme vloeren werden vaak aangeschaft om een vergunning te krijgen, niet omdat boeren zelf gemotiveerd waren ze te gebruiken. Voor boeren waren het verplichte investeringen zonder perspectief. Zij staken tonnen in apparaten die op papier emissies verlagen, maar in de praktijk nauwelijks effect hebben en hun bedrijf niet verder helpen.

Een ander risico ziet Hogeveen in de neiging van melkveehouders om koeien vaker binnen te houden, zodat maatregelen beter te controleren zijn. Voor de stikstofcijfers werkt dat, voor de dieren niet. Koeien hebben beweging, frisse lucht en weidegang nodig, zegt Hogeveen, die zelf als zoon van een melkveehouder opgroeide tussen de koeien. ‘Voor mij staat het als een paal boven water dat koeien graag buiten zijn. Daarom moeten we voorkomen dat stikstofmaatregelen leiden tot nog meer binnenhouden van vee.’

‘De politiek koopt tijd’

Filosoof en ethicus Franck Meijboom, hoogleraar duurzaam en verantwoord samenleven met dieren aan de Universiteit Utrecht, sluit aan bij de andere experts: het versnipperde stikstofbeleid van de overheid heeft de boeren én de dieren in de steek gelaten. Volgens hem ontbreekt een integrale blik: stikstof staat centraal, terwijl gezondheid, dierenwelzijn en landschap naar de achtergrond verdwijnen.

Meijboom vergelijkt dat met een dj die maar één schuif van het mengpaneel openzet: ‘Als je alleen de bas voluit openzet, klinkt de muziek beroerd, maar ondertussen doen we gewoon alsof het heel mooi is.’ Hetzelfde geldt voor de jarenlange investeringen in allerlei technologische innovaties, zegt hij. ‘Die 2,4 miljard euro aan emissiearme stallen heeft nauwelijks iets opgelost, maar de politiek heeft er tijd mee gekocht. Je kunt weer even een paar jaar verder. En daarna krijg je het probleem keihard terug op je bord.’

Wetenschappers en dierenartsen moeten ook de hand in eigen boezem steken, vindt Stegeman. In april dit jaar zei hij op het jaarcongres van dierenartsenorganisatie Caring Vets dat onderzoekers ‘jarenlang hebben meegewerkt aan schaalvergroting en productiviteitsdenken’ en zo ‘de dieren en de planeet uit het oog verloren’.

Hogeveen deelt die reflectie deels, al klinkt in zijn reactie ook iets van berusting. ‘We volgden de onderzoekspotjes’, zegt hij. ‘Uiteindelijk onderzoek je de thema’s waar geld voor beschikbaar is.’ Eensgezind wijzen bijna alle experts op dezelfde olifant in de kamer: de krimp van de veestapel. Alleen in Wageningen klinkt nog de hoop dat technologie het zonder pijnlijke keuzen kan redden, maar de meeste deskundigen achten dat onrealistisch.

Stegeman wijst erop dat politici zich maar beter kunnen realiseren dat ze er daarmee niet komen. Natuurlijk, zegt hij, innovaties zijn niet nutteloos. ‘Maar vanuit een technologische oplossing kun je vaak het volgende probleem alweer voorspellen.’ Uiteindelijk wijst alles in dezelfde richting: minder dieren in Nederland en minder vlees eten. Alleen dan schuiven de vakjes stikstof, milieu en dierenwelzijn weer in elkaar. Maar, zo zegt de hoogleraar: daar is de meerderheid in de politiek nog niet aan toe.

Het dier blijft ondertussen in stilte de rekening betalen, terwijl er ergens anders weer een subsidiepotje voor een mestrobot of een slimme sproei-installatie opengaat. ‘Het vertraagt het onvermijdelijke’ zegt Stegeman. ‘En dat betekent dat we opnieuw zullen investeren in systemen die niet toekomstbestendig zijn.’

Reactie ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Op de kritiek op dure technische innovaties die amper helpen om stikstofdoelen te halen:

‘Innovaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de verdere reductie van stikstofemissies. Ook managementmaatregelen en nieuwe werkwijzen spelen een grote rol. Onze inzet is erop gericht om innovaties in de volle breedte te stimuleren en te ondersteunen. Onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) onderstreept de grote potentie van innovaties.’

Op de kritiek van deskundigen dat het huidige stikstofbeleid leidt tot dierenleed, bijvoorbeeld bij melkkoeien met minder eiwitten in hun voer die stofwisselingsziekten krijgen:

Volgens het ministerie is er geen sprake van beleid dat voorschrijft dat alle veehouders minder eiwit voeren. Wel zijn er afspraken gemaakt met de melkveehouderij om sectorbreed te komen tot een verlaging van het gemiddelde eiwitgehalte in het voer. De toename van vervetting die deskundigen zien in de sectiezaal kan volgens het ministerie niet direct worden geëxtrapoleerd naar de hele populatie melkvee.

Het ministerie verwijst naar de pilot ‘Koe en Eiwit’, waarbij bij ruim 150 melkveehouders onder praktijkomstandigheden onderzoek wordt gedaan.‘We zien in onze pilot dat bedrijven die ervoor kiezen om minder ruw eiwit te voeren, geen merkbare negatieve effecten ondervinden op de gezondheid van hun dieren. We zien juist veel potentie, ook met behoud van diergezondheid.’

Verder meldt het ministerie dat er altijd sprake is van een ‘belangenafweging’ waarbij het ‘rekening houdt’ met zowel het beperken van de stikstofuitstoot als het bevorderen van dierenwelzijn. ‘Maatregelen om stikstof te reduceren kunnen soms onbedoeld negatieve gevolgen hebben voor het dierenwelzijn. Zo vinden we het vanuit dierenwelzijnsperspectief bijvoorbeeld wenselijk wanneer kippen buiten rond kunnen scharrelen, maar is er minder stikstofuitstoot wanneer kippen in de stal worden gehouden. Daarom werken we zo integraal mogelijk en houden we de mogelijke neveneffecten nauwlettend in de gaten.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next