Laat de Nobelprijs voor de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai een inspiratie zijn: zijn duistere romans over schoonheid in diepe ellende lezen als een oefening in aandacht.
is recensent voor de Volkskrant, gespecialiseerd in poëzie en Duitstalige literatuur.
Sinds vorige week donderdag gaat er een grap rond onder Hongaarse schrijvers en intellectuelen: heb medelijden met die arme studenten voor wie Satanstango tot de verplichte literatuur behoort, en die de roman proberen te omzeilen door het kijken van de film.
Het lezen van László Krasznahorkais meesterwerk – een debuut! – duurt net zo lang, of misschien zelfs korter dan het kijken van Béla Tarrs zeven uur durende verfilming.
Dit is een van de vreemde gevallen waarin een kunstwerk niet uit één, maar onbedoeld uit twee werken bestaat. Zowel het boek als de film behoort tot de absolute hoogtepunten van de Europese kunst van de afgelopen vijftig jaar.
Krasznahorkai kreeg vorige week de Nobelprijs voor Literatuur. Zou er een voor de film bestaan, Béla Tarr had hem allang op zijn schouw kunnen zetten.
‘We hadden lang de hoop dat dit eens zou gebeuren, al werd die hoop meermaals aan het wankelen gebracht door de verrassende keuzen van het Nobelprijscomité’, zegt Ferenc Czinki, president van het Hongaarse Schrijversgilde, mij op de dag dat Krasznahorkai als laureaat wordt bekendgemaakt. ‘Krasznahorkai is volkomen uniek, het genie van de Hongaarse literatuur, iets wat nu eindelijk ook wordt erkend door toekenning van de Nobelprijs. Zijn proza is hard, wild, compromisloos, maar het is ook poëtisch en toont een angstaanjagend diepe kennis van de menselijke natuur. Het is als een diamant in een modderpoel in een van die laatste, totaal verlaten Hongaarse dorpen.’
Volgens Czinki zou de toekenning een groot effect kunnen hebben op de literatuur in Hongarije, die het onder Orbán bepaald niet makkelijk heeft. Auteurs durven zich vaak niet meer uit te spreken en vertrekken naar het buitenland, boeken worden verboden of in plastic verpakt, subsidies gaan vaker naar regeringsgezinde schrijvers en makers.
‘Als hiermee ook meer aandacht komt voor de minder fortuinlijke leden van het gilde waarvan Krasznahorkai de artistieke stem is, dan is dat groter dan de Nobelprijs zou kunnen zijn.’
Hongarije is een kleine natie, zoals ook Nederland dat is, met een voor velen volstrekt ontoegankelijke taal. Wie Hongaars probeert te leren, ziet zich al gauw eindeloos lettergrepen aan elkaar plakken, zoals een filmmaker vroeger een film monteerde.
Het zou voor de rest van de wereld voldoende reden kunnen zijn om de literatuur van dat land te negeren. Het tegendeel is het geval. Hoe kan het dat uit zo’n klein land, uit zo’n mysterieuze taal, zo ontzettend veel goede schrijvers komen? Klassiekers uit verleden en heden die wereldwijd worden gelezen en bestudeerd. Denk aan Péter Nádas, Antal Szerb, Magda Szabó, Desző Kosztolányi, Gyula Krúdy, Miklós Szentkuthy, László Marton, László Földényi, Péter Esterházy, György Konrád, Sándor Márai en natuurlijk die andere weergaloze Nobelprijslaureaat, Imre Kertész.
Bij zo’n rijtje mag je je als Nederlandse lezer toch even achter de oren krabben. Levend of reeds gestorven, de Hongaren leveren auteurs die internationaal worden geprezen én gelezen – en dat al een heel lange tijd. Wat doen zij anders dan de Nederlandse auteurs? Is het de modder waaruit ze voortkomen, is het de zware wijn die ze drinken, moet er iets van de Donau door je verbeelding stromen of zijn er andere clichématige verklaringen, zoals de vermeende melancholieke volksgeest van de Hongaren die hen tot grootse literatuur aanzetten? Moet je soms stiekem een beetje Midden-Europeaan zijn om tot geweldig werk te komen?
Ik durf het niet te zeggen. Maar feit is wel dat de Midden-Europese auteurs in de jaren 80 en 90 – en Krasznahorkai die in 1985 debuteerde behoort zeker ook tot hen – de redders van de Europese roman zijn.
Laat de Nobelprijs dit jaar ook een vingerwijzing voor ons zijn: we zouden onze blik eens wat vaker in een andere richting mogen wenden, weg van alles wat voorbij de Noordzee of de Atlantische Oceaan ligt, en meer naar het oosten kijken.
Wanneer we dat doen, kijken we naar het postcommunistische heden én zien we tegelijkertijd ons voorland. Want Krasznahorkai lezen is je in een wereld begeven waarin alles en iedereen van god verlaten is. Waar het zich ook afspeelt, in een Hongaarse modderpoel waarin enkele koeien rondbanjeren, zoals in Satanstango, of in een hotelkamer in New York, zoals in Oorlog en oorlog, het is ook onze wereld. Is niet iedereen vandaag de dag door god verlaten? Denken wij niet ook dag in dag uit – zeker in tijden van verkiezingen – dat de verlossing aanstaande is?
De werelden die Krasznahorkai opzet in zijn romans zijn werelden waarin de verlossing aanstaande lijkt, maar uiteindelijk eindeloos wordt uitgesteld. Krasznahorkai lezen is je hoopvol in de modder wentelen, zonder dat er een warme douche voor je klaarstaat. Oorlog en oorlog, Krasznahorkais derde roman, die hij overigens schreef in de New Yorkse flat van Allen Ginsberg, heeft niet voor niets ‘de hemel is verdrietig’ als motto meegekregen.
Of lees De melancholie van het verzet, Krasznahorkais tweede roman, over een stad in verval waar op een dag een circus verschijnt met als enige attractie het lichaam van een enorme walvis, opgesloten in een vrachtwagen. (Ook dit boek werd door Béla Tarr op weergaloze wijze verfilmd; ik heb er een vriend van begin tot eind bij zien janken.)
Er hangt een gloed over Krasznahorkais verhalen, een duistere en tegelijkertijd, opmerkelijk genoeg, ook een warme gloed. Ze worden bewoond door oplichters, querulanten, schuinsmarcheerders, doktoren, mislukte muzikanten, protofascisten, vagebonden, wereldvreemde filosofen, doorgedraaiden, zatlappen en al dan niet zelfverklaarde messiassen, kortom, door gekrenkten en vernederden, om te spreken met Dostojevski, een van Krasznahorkais lievelingsauteurs.
Je ziet de ellende, de wereld in stukken, je ziet zijn personages met elkaar en vooral ook met zichzelf worstelen en je wilt bij hen zijn. Je zou hen willen redden, al weet je dat je daarmee in één klap de door Krasznahorkai gecreëerde wereld vernietigt. Dat er geen redding wacht en dat het altijd zo zal doorgaan, dat is de catastrofe waarmee we moeten leren leven.
Dat er ondanks alles toch iets van schoonheid in die ellende schuilt, dat is wat de romans van László Krasznahorkai ons tonen.
Je wilt dat een roman een esthetische interventie is, niet zomaar een leuke plotvertelling of een mooie afspiegeling van iets wat we de werkelijkheid zouden kunnen noemen; er zijn mooie, ontroerende verhalen genoeg, de wereld barst ervan en dat is maar goed ook. Veel daarvan verschijnen onder de noemer ‘roman’.
Maar van de roman eisen we meer. Je wilt dat uit de vorm óók iets van een wereldbeeld spreekt. Een roman moet iets doen met het materiaal waarvan hij is gemaakt, moet de taal in allerlei vreemde gangen en bewegingen dwingen. Moet je als lezer bij de lurven grijpen en als het ware naar je schreeuwen: ‘Zo had je het nog niet gehad!’
Precies dat doet Krasznahorkai met zijn nu eens meanderende, dan weer opwindende zinnen. Zijn proza leest als een poging de punt – altijd het einde van iets, een zin, een relatie, het leven – uit te bannen.
Vele lezers hebben zich ten overstaan van deze werken afgevraagd: waarom toch van die lange zinnen? Maar misschien hoeven we ons niet eens door de lengte van een zin te laten misleiden. Misschien kunnen we de vraag naar de noodzaak voor deze lengte misschien beantwoorden met een parafrase van het antwoord dat Béla Tarr eens gaf toen hem werd gevraagd waarom hij een film van zeven uur had gemaakt: ‘Een film van één minuut kan al te lang zijn, een film van zeven uur nog te kort.’
Dat geldt ook voor literaire zinnen: bij een zinnetje van twaalf woorden kan de aandacht al afdwalen, eentje die een driehonderd pagina’s tellend boek omvat, kan met gemak te vlug voorbij zijn.
In Satanstango komt een dokter voor die van een afstand de intriges om hem heen waarneemt en alles in zijn schriftje noteert. Het is iemand die weliswaar ‘vervuld met een gevoel van warmte’ naar de orde om hem heen kan staren, maar juist ook gebiologeerd naar de door de mensen en elementen gecreëerde wanorde kijkt. Met zijn notities probeert hij zijn geheugen te behoeden ‘voor het verval om hem heen’, een ‘verraderlijk ontbindingsproces’, de ‘triomfantelijke teloorgang’ – wie het wil, zou een dissertatie kunnen schrijven over alle kwalificaties voor neergang in Krasznahorkais werk – die hij met geen mogelijkheid kan tegenhouden.
Soms kom ik in de verleiding om in dat personage iets van Krasznahorkai zelf terug te lezen, als een dokter die beseft dat de patiënt niet meer te redden valt en volstrekt eerlijk is. ‘Hij besloot’, zo lezen we in de mooie vertaling van Mari Alföldy, ‘alles grondig te observeren en voortdurend te ‘documenteren’, waarbij hij ernaar moest streven geen enkele kleinigheid te missen, want hij besefte dat het buiten beschouwing laten van schijnbaar futiele zaken gelijkstond aan het toegeven dat men weerloos was, verloren tussen de schommelende touwen van de brug tussen desintegratie en de bevattelijke orde (...)’.
Zie hoe dit deel van de zin (dat niet eindigt met een punt, maar met een puntkomma) de stijl van Krasznahorkai illustreert: reflecterend, melancholisch, verzettelijk én zoals de metafoor hier naar voren gebracht: schommelend als een brug. Zijn zinnen, zijn romans zíjn de bruggen tussen verval en wat er nog te bevatten valt.
Alleen als men schrijft, als men alles vastlegt, concludeert deze dokter, ‘slechts dan kon men hopen niet zelf op een dag spoorloze, verstomde gevangenen te worden van deze uiteenvallende en steeds weer in opbouw zijnde satanische orde’.
Is dit niet de verklaring voor Krasznahorkais wonderlijk strekkende proza? Is zijn lange zin uiteindelijk niet een vorm van verzet; van verzet tegen een wereld waarin alles steeds korter en sneller en liefst ook nog zonder woorden aan ons dient voorbij te trekken? Vormen zijn romans niet precies dat: een oefening in aandacht?
Hoe ellendig de wereld om ons heen ook is, Krasznahorkai maant ons onze blikken op details te laten rusten, hoe naar of smotsig ze ook zijn. Het is iets wat je kunt oefenen, dat cultiveren van de aandacht, zoals je ook je spieren kunt trainen door naar de sportschool te gaan. Alleen laten we dit keer de handdoek liggen en hoeven niet eens de voordeur uit. Kruip eens met een roman van Krasznahorkai op de bank en trek je een uur of zeven terug.
Als literatuur onze zinnen kan scherpen, zoals weleens wordt beweerd, dan is het werk van Krasznahorkai daar de ultieme illustratie van.
Wachten op redding is tevergeefs, leert hij ons, het is de aandacht waarin het verzet rust.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant