Tommy Wieringa trok de voorbije weken op met het vreemdelingenlegioen in Oekraïne. Van ondergrondse rendez-voushotels tot de kill zone beschrijft hij de geweldsopera die de legionairs elke dag weer meemaken.
Tommy Wieringa is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Groen als malachiet is de hemel boven Charkiv. Nooit zag je zulke sterren boven een nachtelijke stad. Om elf uur ’s avonds knipt iemand het licht in de straten uit en springen de sterren uit het donker tevoorschijn. Avondklok, verduistering.
Om vier uur ’s morgens verlaat ik het ondergrondse rendez-voushotel, boven mijn hoofd danst heel die goedkope juwelierswinkel in het zwevende groen. Ik ben niet de enige die wakker is; in de Sumskastraat, de hoofdstraat van Charkiv, kaatst een bewegend licht tegen de gevels. Licht zonder geluid: een drone met zoeklicht die door de straten zwerft – vriend of vijand?
‘Dat is er een van ons’, zal sergeant Khristina later zeggen: een patrouilledrone op zoek naar Russische saboteurs.
De kill zone strekt zich steeds verder voorbij de frontlijn uit. Drones bestrijken intussen het etappegebied tot 40 kilometer achter het front, waar in vroegere oorlogen journalistieke flaneurs en avonturiers zich veilig konden overgeven aan schnaps en half geïnformeerde voorspellingen.
Bij een blokpost aan de stadsgrens wacht Khristina ons op met draaiende motor en gedimde lichten. Ze rijdt voorop over de donkere, uitgestorven weg de stad uit. Ze navigeert niet op gebouwen, maar op wegenkaarten die ze uit haar hoofd heeft geleerd – de gebouwen van vandaag zijn de ruïnes van morgen.
In het laatste gehucht voor het front worden een Deen en een Amerikaan van het Internationale Legioen, onderdeel van de 92ste Brigade, geprepareerd om hun positie aan het front in te nemen. We parkeren onder de bomen. Khristina en een tweede officier lopen hun wapenrusting na, gevechtsriemen en scherfvesten worden nog een keer aangesnoerd. Het lijkt een haastig soort plechtigheid langs de kant van de weg. Fotograaf Eddy van Wessel sluipt rond als een vos tussen de graven. Steeds vaker doet hij me denken aan Dennis Hopper in Apocalypse Now.
Een glimp van de nieuwe dag aan de horizon: sterren doven en het doek gaat op voor weer een nieuwe akte van de geweldsopera. Honden en hanen wekken de bewoners uit hun rafelige dromen, in de verte ontwaakt het front met explosies die de grond onder je voeten doen trillen als een veenbodem.
De mannen trekken een halsdoek met een schedelgrijns erop over hun gezicht voor een laatste selfie met hun meerderen. Zo gaan ze op de foto, in de bruine schemering, met levende ogen en een doodsgrijns onder hun helm. Ze kennen hun lot, ze zullen er alleen door geluk aan ontsnappen. Achter iedere soldaat strekt zich een lange rij dode kameraden uit, soms vergeten ze het onderscheid. Een soldaat hier draagt zijn dode manifestatie al met zich mee – zijn lichaam met dat van vijftig anderen in een koelcontainer, een lap over zijn gezicht, zijn paarse handen op zijn buik bijeengebonden met verbandgaas. De anderen zijn in rijen langs de wanden van de noodkoeling gestapeld, sommige naakt, sommige in uniform, sommige bijna zwart, andere wasachtig bleek. Een arm is van een lichaam afgegleden, de roodgevlekte hand bungelt in het luchtledige. Op de vloer liggen de lichamen opgestapeld die de waardigheid van een lijkenzak is vergund.
Maar zover is het nog niet – een paar laatste waarschuwingen nog, hou je haaks en daar gaan ze, in het voertuig met een boordschutter achterop, die op drones jaagt met een jachtgeweer. Nog dezelfde dag zullen ze allebei gewond raken, als hun positie onder vuur komt te liggen van drones en artillerie.
Legionair Sheppard liet bij zijn laatste missie drie dode vrienden in de bossen achter. Ze waren met vijf. Zijn beste vriend Schnitzel, een Duitser net als hij, was een van de achterblijvers. Vanuit het hoofdkwartier konden ze niets voor ze doen, drones maakten later beelden van hun lijken, tussen de takken door. Door de toevallige schikking van de bladeren aan de takken boven hen tooien hun lichamen zich op de dronebeelden met felgroene lauwerkransen.
Het is, als ik me niet vergis, een nieuw genre: dronebeelden om slachtoffers te identificeren, omdat gesneuvelden niet langer kunnen worden geëvacueerd onder een hemel zwanger van kamikazedrones. Het open veld is de dood. Alleen bij mist en slecht weer kunnen ze worden opgehaald. Soms maanden later pas, als de lichamen door vossen en jakhalzen zijn aangevreten en in verregaande staat van ontbinding verkeren.
Zo blijven ze op de bosgrond achter, grillige continenten van bloed afgetekend op hun borst. ‘Het is goed, ik ben hier, je bent niet alleen’, was het laatste wat ze hoorden. Sussend, moederend spreekt Khristina ze toe over de radio terwijl ze doodbloeden in het struikgewas. In het begin schreeuwen en huilen ze nog, dan wordt het rustiger. ‘Tell my mom I love her’, had er een gezegd.
Dat is een week geleden, nu is Sheppard voor even uit het militaire ziekenhuis ontsnapt om pizza te eten. ‘Je moet niet zoveel pizza eten’, zegt Khristina aan de overzijde van de restauranttafel.
De onsterfelijke lach van een mooie jongen: ‘Alsof ik dood zal gaan aan pizza...’
Hij klinkt als een denker, maar hij houdt geen dagboek bij. ‘Iedereen met een dagboek is allang dood. Het is ontzettend ongezond om een dagboek bij te houden.’
De volgende missie wordt zijn einde, hij weet het zeker. Hij laat zich demobiliseren, het is gedaan met zijn onsterfelijkheid. ‘Bijna al mijn vrienden zijn dood, dus ik hoef van niemand afscheid te nemen.’
Over een paar weken zit hij in Ancona aan het strand met zijn familie. Een verklaring voor zijn littekens moet hij nog verzinnen, zijn ouders weten niet dat hij voor zijn leven rent in de bossen van Oost-Oekraïne, achtervolgd door Russische drones en mortiergranaten. Of dat hij met een lijf vol shrapnel in het ziekenhuis ligt. Ze denken dat hij voor een ngo werkt, maandverband en teddyberen, ergens veilig in het achterland.
Misschien pakt hij zijn studie weer op. Toen hij onlangs in positie lag kreeg hij een appje over het zomerfeest van zijn vakgroep Asien- und Afrikawissenschaften in Berlijn. Zijn jaargenoten gingen portrettekenen en armbandjes maken onder het genot van cocktails en verse wafels. ‘Wekenlang hebben we vastgezeten en konden niet worden afgelost, en schoten duiven tegen de honger.’
Een wonderlijk zootje ongeregeld vormt het Internationale Legioen in de Oekraïense krijgsdienst. Oostenrijkse gewichtsheffers, Colombiaanse narco’s, Tsjetsjeense rappers, verder de vaderloze Britten en de schuldbeladen Duitsers. Er zwerft een Braziliaan rond met het gezicht en het glanzende potloodsnorretje van een filmster uit de jaren twintig, een lucide wietteler uit Liverpool, de mannen met tatoeages op hun handen en een zeegroene traan naast het oog. Sheppard sloot zich aan omdat hij het een interessante oorlog vond, zowel guerrilla als hybride en symmetrisch. Pretzel kwam de oude schuld van zijn grootvader vereffenen. Joe vluchtte voor verveling en slechte vrouwen. Sommigen kwamen onder de wapperende vaandels van vrijheid en democratie, anderen waren de covidlockdowns spuugzat.
In de spiegelzaal van deze toren van Babel zetelt Khristina, bijgenaamd Ice Queen, geboren langs de Donau, opgegroeid aan de Noordzee en nu sergeant in het Internationale Legioen van de 92ste Brigade in Charkiv.
Ook al zou ze best een spiegelzaal verdienen omdat ze iedere spiegel gelukkig maakt, de werkelijkheid is dat ze buiten werktijd de meeste tijd doorbrengt in de kelder van het huis waar ze met haar Oekraïense officier woont. Het is haar vijfde adres in Charkiv, sinds ze hier in 2022 met een humanitaire missie belandde. Vanwege de kelder huurde ze het, niet om te wonen maar om te schuilen. Huizen met diepe kelders doen goede prijzen dezer dagen.
De eigenaren, nakomelingen van Beierse immigranten, zijn tijdens het beleg van Charkiv naar Duitsland gevlucht. Het vervallen villaatje ademt de benauwde lucht van Zuid-Duits katholicisme, zoals het houten kruis in de tuin en het ovale zwembadje vol mosgroen water de gedachten wegvoeren naar verstilde alpenmeertjes onder oude naaldbomen, waarin verdronken koningen drijven. Zelfs de kelder, waar haar bed staat, lijkt nog iets van de morsige ultramontaanse geheimen van de vorige bewoners te bewaren.
Op Khristina’s reliekaltaar bij het voeteneinde ligt een rozenkrans over haar karmijnrode bijbel gedrapeerd. Ernaast medailles en huwelijksfoto’s, en een puffer voor haar longklachten, veroorzaakt door de schadelijke stoffen die ze inademt aan het front. Een devote jonge vrouw is ze, met rozegerande dromen over de liefde en een keukentafel vol patronen van haar M4, in een stilleven met rijpe pruimen, een pot honing en een emmertje proteïnepoeder. De heliumballonnen voor de verjaardag van haar man deinen ergens halverwege het plafond en de vloer.
O, dat licht boven de Sumskastraat vanochtend? ‘Dat is er een van ons...’
‘De hemel boven de frontlijn ’s nachts, die is het mooist... Geen rook, geen licht, alleen miljoenen sterren, zo dichtbij...’
Haar militair komt geeuwend uit de slaapkamer na een paar uur slaap, een handdoek rond het middel; worstelaarslijf, houten handdruk. Hun haastige soldatenhuwelijk – uniformen op de vloer, de was die te drogen hangt in de woonkamer.
Langs de carport pluk ik grote, zoete druiven van de ranken. Mijn ogen volgen twee stipjes hoog in de lucht, rode wouwen op de thermiek, tot ze voor een witte wolk langs schuiven en in drones veranderen. Khristina’s aide de camp, een Fransman, steekt zijn hoofd onder de carport vandaan. Russische supercamdrones inderdaad, ze hebben vleugels, je kunt ze voor een roofvogel aanzien. Hun ogen zijn al even scherp. Al lang voordat ik ze zag, zagen ze mij. We schuilen onder de carport tot ze voorbij zijn.
Op de polygoon, een militair schietterrein in de wildernis buiten de stad, vergaan horen en zien je door het gedaver van geweervuur en explosies. De Engelsman Fez, een soldaat die zijn benen verloor, speelt bij een evacuatie in de oefenloopgraaf een soldaat die zijn benen verloor. Khristina smeert nepbloed op zijn gezicht, hij gordt zijn protheses af en schreeuwt om hulp. Zo lag hij er anderhalf jaar geleden ook bij toen hij werd opgeblazen door een tankgranaat. Hij bond zich een tourniquet om elk bovenbeen en sleepte zich naar een plek waar hij kon worden afgevoerd.
Nu evacueren ze hem op een geïmproviseerde brancard waar hij telkens af valt. Hij is te zwaar geworden – de drank volgens Khristina, en hij volgt zijn therapie niet.
Het laatste stuk wordt hij op de schouders genomen door Ares, een oermens uit Stiermarken met tatoeages die vanuit zijn hemd zijn nek en schedel overwoekeren als klimop. Eddy van Wessel maakt een foto van de powerlifter met de invalide op zijn rug.
Drie revaliderende soldaten zitten op de rand van de kofferbak van een terreinwagen te kijken hoe iedereen terugkeert uit de loopgraaf. De militaire gevarendriehoek op een rij: een mijn, een kamikazedrone en een mortiergranaat. Rokend en smalend zitten ze daar, drie cynisch grinnikende raven.
Toen Pretzel op zijn mijn stapte, waren zijn benen kapot en had hij een scherf in zijn lul. Het duurde drie weken voordat ze hem konden evacueren vanuit een aarden blindage onder de grond. ‘We gaan er alles aan doen om die penis van je weer aan de praat te krijgen, Pretzel’, had Khristina over de radio gezegd.
Tijdens een evacuatiepoging sneuvelde een Oekraïense soldaat, nu is Pretzel hem zijn leven verschuldigd. Zo komt iedereen bij de oorlog in het krijt te staan. Ze kunnen niet meer terug, met de dunne naalden van ereschuld en adrenaline zijn ze aan het slagveld vastgepind.
Pretzel blijft bij het vreemdelingenlegioen vanwege zijn schuld aan de dode Oekraïner, maar kwam naar Oekraïne vanwege een veel oudere schuld – zijn grootvader die hier plunderend en soldatenliederen zingend over de steppe trok tijdens Operatie Barbarossa. De zwart-witfotootjes die hij en zijn kameraden maakten met hun boxcamera’s steken nog altijd in het familiealbum. ‘Hij kwam hier om te vechten in dienst van het fascistische kwaad, ik vecht hier tegen dat kwaad.’ Maar voorlopig beweegt de Vergangenheitsbewältigung zich strompelend voort met een stok.
‘Hé schrijver, ken je Guadalcanal Diary?’ vraagt een Amerikaanse veteraan, leunend tegen een boom en kauwend op het filter van zijn sigaret. Leren gezichtshuid, puntige zwarte baard. ‘Hoe kun je denken dat je kunt schrijven als je dat niet hebt gelezen?’
Hij vocht in Afghanistan en nu hier, het blauwe oog hield hij over aan zijn laatste bezoek aan de bar. ‘Ze had niet alleen fantastische tieten maar ook een bodyguard. Die had ik gemist. Een Uki, sterke vent.’
Fez zit op een boomstronk en klopt het rode zand uit zijn prothesekokers. Grimassend bindt hij ze om zijn stompen met klittenband, en klikt zich met pinnen aan ze vast. Ares helpt hem overeind, de zware, droevige man op zijn ranke, titanium hertenbenen.
Precies op tijd, een scherp alarm, iedereen weg hier, een Orlan-drone boven de polygoon. Iedereen rent naar de auto’s, vijftig militairen met op hun netvlies de beelden van de clusterbom die onlangs boven een andere polygoon ontplofte en iedereen doodde – run motherfucker run.
Ik spring bij Eddy van Wessel voorin. We stuiven ervandoor over een karrenpad, Eddy trapt het gas van de Subaru nog dieper in, stuiterend en slingerend razen we op ons ongeluk af. De auto raakt in een slip en komt tollend rond zijn as tot stilstand tegen de bomen langs de kant. De ene na de andere terreinwagen schiet voorbij op zijn dolle vlucht, wij hobbelen met twee lekke banden naar de overkant van de weg, naar de beschutting van de bomen en de struiken daar. Khristina houdt even in en schreeuwt door het open raam dat we als de sodemieter weg moeten, maar Eddy moet en zal verdomme eerst de banden plakken van zijn Subaru, zijn heiligdom, zijn hoofdkwartier...
Ik haal de reservewielen uit de achterbak, bij drones hebben we het dichte struikgewas achter ons, maar het zijn geen FPV’s waarvoor we vluchtten, blijkt later uit een door de Oekraïners onderschept radiobericht, maar twee Shaheds die naar ons onderweg waren en een ballistische raket die in gereedheid werd gebracht. Een halve minuut om weg te komen, dat is alles wat je dan nog hebt.
Bijna een Russisch slachtfeest.
Maar de polygoon was op tijd verlaten, de Shaheds wijzigden hun bestemming en de raket bleef aan de grond om later te worden afgevuurd op een ziekenhuis of een school.
Ze kennen hun lot, ze zullen er alleen door geluk aan ontsnappen...
Onder de vlag van Protect Ukraine brengen schrijvers Tommy Wieringa en Jaap Scholten sinds 2023 benodigdheden naar eenheden aan het front, zoals terreinwagens, elektrische verkenningsmotoren, scherfvesten, dieselkachels en levensbeschermende middelen. Afgelopen maand reed het twaalfde konvooi naar het oosten van Oekraïne, met oorlogsfotograaf Eddy van Wessel in de gelederen. Protect Ukraine is intussen ook betrokken bij het bevoorraden van ziekenhuizen, het opleiden van dronepiloten en de ontwikkeling van grondrobots om gewonden van het front te kunnen halen. (protectukraine.nl)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant