Home

Van investeringen in sport profiteren vooral mensen die tóch al sporten, ziet deze onderzoeker

Sportbeleid Het lukt bestuurders niet om die ‘sportongelijkheid’ aan te pakken, stelt Remco Hoekman, bijzonder hoogleraar sportsociologie en sportbeleid. Overheidsgeld dat in sport wordt gepompt, belandt voor een groot deel in faciliteiten zoals sportvelden. Daar profiteren met name „geprivilegieerde groepen” van.

Remco Hoekman, directeur van het sociaalwetenschappelijk sportonderzoeksbureau Mulier Instituut

Remco Hoekman, directeur van het sociaalwetenschappelijk sportonderzoeksbureau Mulier Instituut, komt uit een beweeglijk gezin. Van huis uit kreeg hij mee: je mag kiezen wélke sport je doet, maar niet óf je een sport doet. Net als zijn vader ging hij voetballen bij de lokale vereniging, in een dorp in de Achterhoek. Hij bouwde er een vriendengroep op, dus ook sociaal had zijn leven „een sterke binding met sport”, zegt hij.Een sporter is Hoekman (44) altijd gebleven. En ergens is dat ook niet zo verwonderlijk. Hij heeft diverse ‘vinkjes’ die een sportief leven bevorderen. Wie op de basisschool sport, net als Hoekman, doet dat op latere leeftijd ook vaker. Ook is hij hoogopgeleid, een groep die meer sport dan lager opgeleiden. Daarbij heeft Hoekman geen handicap, geen niet-westerse migratieachtergrond, en leeft hij niet in armoede: allerlei factoren die sporten statistisch gezien bemoeilijken.Afgelopen vrijdag sprak Hoekman zijn inaugurele rede uit bij de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar hij benoemd is tot bijzonder hoogleraar sportsociologie en sportbeleid. Op het kantoor van het Mulier Instituut – met vanaf de kantine uitzicht op de grasmat van de Galgenwaard, het stadion van FC Utrecht – vertelt hij een paar dagen eerder over zijn oratie. Die gaat over het onderwerp dat zijn bijzondere aandacht heeft: ongelijkheid in de sport en het onvermogen van beleidsmakers om die te verkleinen.Vooropgesteld: er gaat veel goed in Nederland op sportgebied, zegt Hoekman. Het Nederlandse verenigingsleven is sterk ontwikkeld, al staat het onder druk door een groeiend tekort aan vrijwilligers. En geen land kent op basis van Europees onderzoek een grotere tevredenheid van burgers over de sport- en beweegmogelijkheden in de buurt, vertelt Hoekman. „Dus dat klinkt goed. Maar als je inzoomt, dan zie je ruimte voor verbetering.”Want een aanzienlijk deel van het geld dat in sport wordt gepompt, 75 procent van de gemeentelijke uitgaven, gaat naar de ‘sportinfrastructuur’. Naar faciliteiten. En daar profiteren vooral de mensen van die toch al sporten. Zij weten hun weg te vinden naar de hockeyvelden, zwembaden, sporthallen en de fitnessapparaten in het park. Zo komt de bulk van het geld met name terecht bij de „geprivilegieerde groepen” in de maatschappij.De groep mensen die niet sport, wordt juist slecht bereikt. Ondanks ambities van ministers en wethouders. Want de politieke wens om mensen aan het sporten te krijgen, is er al decennialang – al is het maar om de stijgende zorgkosten te drukken. „Maar cijfermatig zien we dat er weinig gebeurt in sportongelijkheid.”

Neem dat fitnessapparaat in het park: „Iemand die sport, weet wat-ie moet doen met zo’n toestel. Die voelt zich comfortabel om er buiten, in het openbaar, mee aan de slag te gaan. Terwijl iemand die dat nog nooit heeft gedaan, iemand die niet fit is, zich misschien geneert om daar oefeningen te doen.” Een faciliteit is voor zo iemand niet genoeg, zegt Hoekman. Daarvoor is „gericht sportstimuleringsbeleid” nodig.De coronacrisis heeft het verschil in sportongelijkheid verder vergroot. „We hebben de sportdeelname van mensen over de tijd gevolgd en vastgesteld dat de uitval in coronatijd groter was bij lager opgeleiden en mensen die moeilijk konden rondkomen.” Wie meer geld heeft, kon tijdens de coronacrisis bijvoorbeeld een racefiets kopen en zo toch blijven sporten. Na corona, zegt Hoekman, bleek ook dat lager opgeleiden en mensen die minder te besteden hadden sport in mindere mate weer oppakten.

Sportvraagstukken

Wat is er nodig om niet-sporters in beweging te krijgen? Dat is een wisselwerking van factoren, zegt Hoekman. „Heb je het geld om te kunnen sporten en bewegen? Ben je bekend met het belang van sport? Word je vanuit je sociale netwerk gestimuleerd om te sporten? Maar ook: heb je kennis van het ‘sportsysteem’? Snap je, zodra je binnenstapt bij een vereniging of sportschool, wat er daar van je verwacht wordt?”Voor mensen met een beperking komen er extra vraagstukken bij. Bijvoorbeeld: zijn er geschikte faciliteiten? Is er passend vervoer om daar te komen?

Uit cijfers blijkt dat bijvoorbeeld meiden met een niet-westerse migratieachtergrond weinig sporten. Als je hen er als voorbeeld even uittilt: hoe komt dat? En wat is daaraan te doen?

„Vaak vinden zij het lastiger om hun weg te vinden in het Nederlandse sportsysteem. En ze vinden het niet altijd fijn om te sporten in de openbaarheid. Je moet zicht krijgen op hun behoeften, en daar vervolgens invulling aangeven. Bijvoorbeeld: een zaaltje in de buurt waar ze kunnen sporten met een trainer of trainster. Iemand die ook het vertrouwen met zo’n groep opbouwt. Daar zijn veel goede voorbeelden van, maar die groepjes vallen ook makkelijk uit elkaar, bijvoorbeeld door corona. En het is lastig om ze steeds opnieuw op te bouwen. Dit vraagt dus om structurele aandacht.”

Die structurele aandacht is er juist niet, zegt u in uw oratie. Sportbeleid is vaak kortdurend.

„Ja, je hebt veel programma’s die opgestart worden en dan succesvol zijn, maar dan komt er een nieuwe beleidsperiode. Of er gebeurt iets, een crisis, zoals corona. En dan zakt het in, stopt het project en gaat kennis verloren.„Er is bijvoorbeeld een databank met erkende aanpakken die bewezen succesvol zijn. Bij een eerder beleidsprogramma, Sport Impuls, werd het gebruik van die aanpakken bevorderd en gefinancierd. Maar toen kwam het Sportakkoord, en nu wordt die database veel minder gebruikt. En het Sportakkoord loopt weer af in 2026. Omdat het kabinet demissionair is, is het onduidelijk wat daarna komt. Het gevaar is dat alle energie die lokaal is ontstaan, door de onzekerheid langzaam afbrokkelt.”

Zo’n clubje meiden dat op dinsdagmiddag samen traint, stopt dan weer. En daarna gaat iemand anders opnieuw het wiel uitvinden?

„Ja. Er wordt vaak gezegd: als het succesvol is, dan houdt het zichzelf wel in de lucht. Maar dat gaat niet op voor groepen die minder hebben, die financiële steun en een organisatiegraad nodig hebben. Je moet als overheid meer doen, blijvend doen, om sportmogelijkheden voor kwetsbare groepen te verbeteren.”

Het is ook zorgwekkend te zien, zegt hij, dat komende gemeentebezuinigingen vooral mensen lijken te gaan raken die met zulke clubjes in beweging worden gebracht. „We hebben gemeenten gevraagd hoe ze de bezuinigingen op sport gaan invullen, en de verwachting is dat ze vooral gaan snijden in bijvoorbeeld buurtsportcoaches. Dat is makkelijker dan snijden in geld dat vast zit in accommodaties.”

We hebben het nu over lokale initiatieven. Maar zou de landelijke overheid meer kunnen doen? Met een Sportwet bijvoorbeeld, zoals soms geopperd wordt.

„Die Sportwet staat ook in een aantal verkiezingsprogramma’s. Daarin zou het Rijk bijvoorbeeld kunnen vastleggen dat een zwembad niet gesloten mag worden. Maar daar willen lokale overheden dan ook geld voor. Dat zal een lastige discussie worden.„Een ander voorbeeld is de discussie in de Tweede Kamer over een sportpas voor de jeugd. Maar het is belangrijk dat dit geen generieke maatregel wordt. Want dan profiteren met name gezinnen die al sporten en voldoende vaardig zijn om zo’n pas aan te vragen. Het geld gaat dan dus naar kinderen die dat niet nodig hebben. Ongelijk investeren, om gelijkheid na te jagen.”

Hoe groot het belang van sport en bewegen ook is, er zullen ook altijd mensen blijven bij wie dat om persoonlijke redenen erg laag op de prioriteitenlijst staat. Hoekman: „Als je moet nadenken of je aan het eind van de dag genoeg te eten hebt, dan ben je niet bezig met even lekker sporten. Dan heb je andere zorgen.”Ook daar moeten beleidsmakers oog voor blijven houden, stelt hij. „Sport en bewegen wordt vaak gepresenteerd als een gedragskeuze. En beleid is vaak normatief: als je niet genoeg beweegt, kost je de maatschappij geld. Maar je moet je wel afvragen hoe dat overkomt op de groep mensen die misschien wel wil, maar niet kán.”Dan is er ook nog de groep die echt nooit gaat sporten. „Omdat ze er een hekel aan hebben. Bij hen moeten we meer inzetten op beweging. Dus nee, geen sport, maar misschien dan wel op de fiets naar het werk.”

CV Remco Hoekman

Prof. Dr. Remco Hoekman (1981) groeide op in Zelhem, in de Achterhoek. Hoekman, vrijetijdswetenschapper en commercieel econoom, promoveerde op de relatie tussen sportbeleid, sportaccommodaties en sportdeelname. Hij is directeur van het sportonderzoeksbureau Mulier Instituut en is bijzonder hoogleraar Sportsociologie en Sportbeleid aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next