Myriam Mater-van Hulst maakte als Joods meisje de oorlog mee en vertelde daarover op scholen. Mensen moeten altijd met elkaar blijven praten, vond ze.
Myriam Mater vertelt in een schoolklas over de oorlog.
‘Wees nou alsjeblieft een beetje aardig voor elkaar, want dat helpt.” Met die oproep sloot Myriam Mater-van Hulst altijd af als ze aan een schoolklas had verteld over haar jeugd als Joods meisje tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het stond ook op de rouwkaart die werd verstuurd nadat ze op 11 september op 94-jarige leeftijd was overleden. Dat bericht kwam voor wie haar kende toch nog onverwacht, want ze was nog volop maatschappelijk actief.
Voor de stichting In Mijn Buurt ging ze afgelopen tien jaar zo’n driehonderd keer langs schoolklassen in Amsterdam om te vertellen over de oorlog. Ze deed dat vanuit de blik van het kind dat ze destijds was: negen jaar toen de oorlog begon, veertien toen die was afgelopen. Zo liet ze de leerlingen meevoelen hoe zij het destijds had beleefd. Hoe ze in mei 1940 met haar twee zusjes in haar ouderlijk huis in Amstelveen wakker werd van lawaai en lichtflitsen, en van haar moeder hoorde dat dit bommen waren en dat Duitsland Nederland was binnengevallen. Dat ze voor de oorlog niet eens geweten had dat ze Joods was maar dat dit in de oorlog het lot van haar familie ging bepalen.
Haar moeder, violist Paula Horowitz, moest een davidster gaan dragen, maar haar vader Jan van Hulst was niet Joods. Zijn vriend Arie de Froe, huisarts en antropoloog, fabriceerde semi-wetenschappelijk ‘bewijs’ dat Paula en haar dochters ook niet Joods waren. Met die vervalste papieren ging Van Hulst, die ingenieur bij gemeentewerken was, naar de Duitsers om ze met succes te overtuigen. Die truc pasten de twee daarna toe voor nog tientallen andere Joden. Ook regelden ze onderduikadressen.
Myriam droeg zelf ook haar steentje bij aan het verzet, door van de Duitsers worsten te stelen voor de onderduikers. En toen haar vader verraden werd en de Duitsers een inval deden in hun huis, waar ook mensen verstopt zaten, leidde zij ze met haar zusje om de tuin. De Duitsers hielden haar onder schot terwijl ze naar adressen moest bellen waar haar vader zich zou kunnen bevinden. Tot haar schrik kreeg ze hem aan de lijn, maar ze wist hem in het Frans te waarschuwen.
De Duitsers, die het niet verstonden, hadden de pest in. Uit kwaaiigheid vermoordden ze de schildpadden van de meisjes in kokend water. De zusjes gaven geen krimp. „We gunden het die rotmoffen niet dat ze zagen dat wij verdriet hadden”, vertelde Myriam in de klas. Haar verhaal maakte veel indruk op de leerlingen. Zoveel, dat acht kinderen zich opgaven om ‘erfgoeddrager’ te worden van haar oorlogsverhaal, om het door te vertellen bij herdenkingen.
Myriam (links) met haar zusjes Hannah en Alexandra in 1941, op de grond een van hun schildpadden. Foto privéarchief
Myriams moeder stierf tegen het einde van de oorlog aan een nierziekte. Haar vader kreeg een relatie met een weduwe die twee dochters had. Ze vormden slechts enkele jaren een samengesteld gezin, maar Myriam bleef haar ‘stieffamilie’ altijd trouw. Die warmte en loyaliteit waren kenmerkend voor haar. „Ze was een mensenmens en een verteller”, zegt haar dochter Rebecca Mater. Haar agenda stond toen ze overleed nog vol afspraken met haar kinderen, kleinkinderen, vrienden en scholen. De oorlog had haar vastberaden gemaakt om het uiterste uit het leven te halen. „Je hebt maar één leven en je zal er verdomme zelf iets leuks van maken”, zei ze.
In 1950, toen ze negentien was, trouwde ze met hoboïst Ad Mater, met wie ze enige tijd in Peru woonde toen hij daar in een orkest ging spelen. Ze kregen vier kinderen, het huwelijk hield uiteindelijk geen stand. Wat wel bleef: de Boerencantate van Bach, die de echtelieden ooit samen speelden, is nu nog steeds het deuntje dat de familieleden naar elkaar fluiten ter begroeting.
Na haar scheiding, in 1967, deed ze de avondopleiding maatschappelijk werk aan de Sociale Academie. Ze ging aan de slag bij Joods Maatschappelijk Werk, waar ze steun bood aan andere oorlogsoverlevenden. Begin jaren tachtig stapte ze over naar het Adviesbureau voor Jongeren en Ouders. Daar zette ze gespreksgroepen op voor kwetsbare jongeren die thuis problemen hadden. „Ze was een werkende, alleenstaande moeder”, zegt haar dochter Rebecca. „Dat moet best zwaar zijn geweest, maar ze zocht altijd de positieve kant en vond die ook.”
Muziek speelde een grote rol in haar leven. Ze kon goed pianospelen en zong ruim veertig jaar als sopraan in het Hoofdstadkoor. Elke woensdagavond kwam ze naar de repetitie. „Ze wist nog altijd feilloos de hoge C te treffen”, zegt oud-voorzitter Kees Jansen. „Maar ze was meer dan alleen koorlid. Ze zat een tijdlang in het bestuur en was ook een sociale steunpilaar.”
Eenmaal gepensioneerd sloot ze zich aan bij Gilde Amsterdam, een organisatie die het vrijwilligerswerk in de stad coördineert. Daar was ze zo’n twintig jaar verantwoordelijk voor het aannamebeleid van nieuwe vrijwilligers.
Voor haar maatschappelijke verdiensten ontving ze vorig jaar een lintje. Ze vond dat zelf niet zo belangrijk, maar de warme woorden die ze las in alle aanbevelingsbrieven deden haar veel.
Ze hield van tradities. Ieder jaar nodigde ze haar hele familie uit voor een nieuwjaarsbrunch, waarbij ze zelfgemaakte chocolademousse serveerde. Dat was ook het moment voor een jaarlijkse ‘fotoshoot’, waarbij ze zich liet portretteren te midden van haar dierbaren.
De ouderdom kwam met gebreken, maar daar klaagde ze niet over, ze hield haar levensvreugd. Ze was een kordate en opgeruimde vrouw met het vermogen om zonder vooroordelen naar anderen te luisteren – voor veel mensen in haar omgeving was ze een voorbeeld. Een paar dagen voor haar overlijden zou ze weer naar een school gaan. Tegen haar gewoonte in moest ze afzeggen. Haar lichaam liet het niet meer toe.
„Het was haar missie om mensen dichter bij elkaar te brengen”, zegt Minka Bos, oprichter van de stichting In mijn buurt. „Dat bleef ze doen, ook toen het voor Joodse ouderen vanwege Gaza moeilijker werd om hun verhaal te vertellen.” Na de Maccabi-rellen stond ze binnen een week weer voor de klas en schroomde ze ook niet haar verhaal te vertellen aan de Nederlands-Marokkaanse taxichauffeur die haar naar huis bracht. Mensen moesten altijd met elkaar blijven praten, vond ze. In haar eigen woorden: „Of je nu Joods bent, Chinees, Hindoe of bruin of geel of oranje of blauw of paars, dat maakt geen lor uit, zolang je een beetje normaal met elkaar omgaat.”
In deze rubriek elk weekeinde een portret van iemand die recent is overleden.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC