Als correspondent zag Olaf Tempelman in de jaren negentig het onfatsoen in de jonge Roemeense democratie. Die tijd doet hem steeds meer denken aan de Nederlandse politiek van nu.
is redacteur van de Volkskrant.
Het staat in mijn eigen handschrift genoteerd in een oud schrift: ‘onfatsoen zet fatsoen buiten spel’.
Aan het dunne bruine papier te zien moet ik dat schrift hebben gekocht in een oude staatskantoorboekhandel in Boekarest. Zulke winkels bestonden nog in de tijd dat ik in Roemenië studeerde. Het was een paar jaar na 1989, de communistische dictatuur was net ingestort.
In die nieuwe democratie vonden onervaren mensen hun weg naar de politiek: oud-dissidenten, schrijvers, studentenleiders. Die ‘nieuwe politici’ bleken géén partij voor mannen zonder scrupules die hun sporen hadden verdiend in de oude dictatuur, als politiek functionarissen, in de staatsveiligheidsdienst of in de propaganda-organen.
Verkiezingsdebatten in het Roemenië van de jaren negentig waren pijnlijk om naar te kijken. Dat kwam door de afwezigheid van ook maar iets van een ‘gemeenschappelijke politieke cultuur’. Deelnemers waren officieel gelijkwaardig, maar in de praktijk ontbrak elke consensus over ‘wat je echt niet kunt maken’.
Mannen die álles durfden te maken, konden glashard liegen, ongegeneerd xenofoob zijn, tegenstanders intimideren of hun uiterlijk becommentariëren.
Michelle Obama’s ‘when they go low, we go high’ is een prachtig motto. Maar zie maar eens te scoren met ‘hoog gaan’ als tegenstanders ‘laag gaan’.
Nog pijnlijker was het te kijken naar mensen die, geprovoceerd door een lage streek, probeerden dan ook maar laag te gaan. Het is een soort natuurwet: mensen die liever niet ‘laag gaan’, sorteren niet het effect van mensen die met uitgesproken plezier ‘laag gaan’.
Onbeschofte chauffeurs rijden nette chauffeurs van de weg. Nette chauffeurs die proberen onbeschoft te rijden lukt dat niet.
In die tijd kwamen er nogal eens West-Europeanen naar Oost-Europa om uit te leggen hoe je een solide democratie met een gelijkwaardig speelveld opbouwt. Die hadden de mond vol over ‘democratische instituten’, en over een ‘democratische politieke cultuur’ die zorgt voor consensus over ‘wat je echt niet kunt maken’.
Ik herinner me een Nederlandse hoogleraar die in 1996 aan een groot gehoor in Boekarest de merites van Nederland uitlegde: ‘We have a perfectly working democracy.’
Ik vond dat zelfgenoegzaam, maar het pontificale geloof in ‘democratische instituten’ en een ‘democratische politieke cultuur’ zat net zo goed in mezelf.
In Eigen planeet eerst verbindt Roxane van Iperen die zelfvoldaanheid met westerse generaties die opgroeiden met het idee dat democratie ‘vanzelfsprekend en zelfvoorzienend’ is: ‘Van jongs af aan kregen we op school uitgelegd dat wij westerlingen in een superieur georganiseerd bouwsel leven; er zijn controlemechanismen en subliem aangebrachte klapdeuren en scheidingswanden.’
De Volkskrant had jarenlang de rubriek ‘180 graden’, over mensen die over iets van mening waren veranderd. Als die nog had bestaan, had ik me ervoor opgegeven: ik ben van mening veranderd over de vanzelfsprekendheid van het superieur georganiseerde bouwsel. In plaats van dat politiek fatsoen zijn intrede heeft gedaan in de Roemeense democratie, heeft politiek onfatsoen zijn intrede gedaan in de Nederlandse democratie.
Snoeihard liegen is normaal geworden: van ‘nareis op nareis’ tot de fantasmen van de BBB. Intimideren ook: een politicus van Forum dreigde al met tribunalen. Zelfs het basisfatsoen dat je het uiterlijk van tegenstanders erbuiten laat is weg. Toen Geert Wilders tijdens het SBS-debat van 2023 het postuur van Frans Timmermans erbij haalde, barstte de zaal in lachen uit.
Timmermans probeerde toen een lachje op zijn gezicht te toveren dat ik kende uit Roemeense debatten: een pijnlijk lachje. Zo’n lachje zie je bij mensen die geen goede opties hebben. Reageren ze op een lage streek, dan heeft de tegenstander beet. Maar gaat het eenmaal over je postuur, probeer dan de aandacht maar eens terug te winnen.
De les: een democratische consensus over ‘wat je niet kunt maken’ is stevig tót mensen iets wel durven te maken en er gewoon mee wegkomen.
In de tijd van mijn Oost-Europese correspondentschap viel de term ‘democratische instituten’ in interviews te pas en te onpas: als je die eenmaal hebt, komt alles goed.
Een tijdje terug bekroop me de gedachte dat ‘democratische instituten’ weleens gewoon zouden kunnen bestaan uit de mensen die ik regelmatig tegenkom in nieuws over Hongarije – mensen die ik vroeger zelf heb geïnterviewd, die destijds vertegenwoordigers waren van ‘democratische instituten’, maar die zich hebben aangepast aan de mores van Viktor Orbán.
De laatste vijftien jaar heeft Hongarije zo’n ander imago gekregen dat bijna is vergeten dat het in de eerste decennia na 1989 gold als veruit de succesvolste democratie van de regio. Omdat democratische instituten er sneller wortel schoten dan elders, vestigde filantroop-miljardair George Soros zijn Centraal-Europese Universiteit (CEU) in 1991 in Boedapest. Tussenstand: die universiteit is in 2019 uitgeweken naar Wenen. De afbraak van de Hongaarse democratie ging nog sneller dan de opbouw.
Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan heeft Donald Trump inmiddels overtuigend aangetoond dat democratische instituten bestaan uit mensen die kunnen worden vervangen, en uit afspraken die kunnen worden geschonden, en dat veel inwoners van de VS zich daarbij neerleggen.
Van de Russisch-Amerikaanse auteur Masha Gessen is het boek Surviving Autocracy, over hun jarenlange strijd tegen het Poetinregime, hun vlucht naar New York en de opkomst van Trump. In dat boek waarschuwt Gessen westerse mensen om niet te veel te verwachten van democratische instituten, checks-and-balances en (vier jaar vóór NSC een rechtsstaatverklaring aftroggelde aan Wilders) lippendienst aan de rechtsstaat.
Eind 2020 zei Gessen in een interview met toenmalig Volkskrant-correspondent Michael Persson: ‘Een systeem dat van normen en gebruiken aan elkaar hangt, is makkelijk te breken door mensen die zich sowieso nooit aan afspraken houden.’
Interessant is dat voormalig Trump-strateeg Steve Bannon, een belangrijk architect van de doorbraak van het autoritair populisme in de VS, in interviews de broosheid van dit systeem óók op het spoor was. Een uitgangspunt dat hij steeds opnieuw beleed, is dat een democratisch bestel in wezen een leeg canvas is. Hoe het wordt ingevuld, hangt af van de politieke cultuur.
Wie een bestel wil veranderen, moet ‘inbreken’ in de politieke cultuur en vijanddenken voeden: vijanddenken opent de deur naar onfatsoen. Een opponent behandel je beschaafd, een vijand mag je kielhalen.
Van de Nederlandse hoogleraar privaatrecht Reinout Wibier is een uitspraak die niet genoeg kan worden geciteerd: ‘Het temmen van de natuurlijke neiging de ander als vijand te zien is de kurk waarop onze beschaving drijft.’
Vijanddenken werd ook voor het digitale tijdperk regelmatig aangewakkerd door politici in democratieën. Maar de digitale revolutie gaf ooit sektarische groepen (op rechts én links) ongekende mogelijkheden om voeding te geven aan ‘de natuurlijke neiging de ander als vijand te zien’. Tot het begin van het digitale tijdperk kon feitelijkheid een zekere rem zetten op vijanddenken. Op sociale media kunnen mensen die zich beroepen op feiten moeiteloos worden overstemd.
Steve Bannons beroemde oneliner over hoe je online afrekent met mensen die zeggen dat iets niet klopt, ‘flood the zone with shit’, is in het Nederlands vertaald als ‘de boel vol bagger schijten’. Je kunt dat ook definiëren als ‘onfatsoenlijk zijn’.
Dat het gevaar van deze ‘inbraak in de politieke cultuur’ lang is onderschat, valt lastig los te zien van de zelfvoldaanheid van generaties die opgroeiden in democratie. Wie de overtuiging heeft dat democratie ‘vanzelfsprekend en zelfvoorzienend’ is, gaat ervan uit dat nieuwe politieke bewegingen zich vanzelf voegen naar bestaande mores. In veel gevestigde rechtse partijen heerst nog altijd het idee dat beleidsverantwoordelijkheid voor rechts-populisten de oplossing is, omdat kiezers hen zullen afrekenen op beleidsresultaten.
Zo ging dat in de 20ste eeuw, maar zo gaat dat in digitale tijden niet meer. Rechts-populistische kiezers onttrekken zich aan predigitale wetmatigheden. Politici kunnen nu bestuurlijke ravages aanrichten en hun electoraat behouden (zie de peilingen voor de PVV).
Omdat het ‘tegemoetkomen van inbrekers’ zo duidelijk niet werkt, zijn er mensen die roepen dat het dictum van Michelle Obama moet worden omgedraaid: ‘Als zij laag gaan, gaan wij ook laag.’ Van ex-D66-spindoctor Roy Kramer is het boek Waarom Wilders wél wint. Hij pleitte voor het overnemen van Wilders’ methoden om diens kiezers terug te winnen: ‘Alleen met strijd, polarisatie en eenvoudige taal zijn populisten te verslaan.’
Laten we dat eens doordenken: er ontstaat dan een ‘debatcultuur’ waarvoor je al jaren terechtkunt op sociale media. Discussies daar zijn een en al ‘strijd, polarisatie en eenvoudige taal’. Of D66-politici daarin Wilders naar de kroon kunnen steken, mag je betwijfelen; of ze Wilders’ kiezers kunnen afpakken helemaal.
In zijn boek Democracy Rules (Liberty, Equality, Uncertainty) stelt de Duits-Amerikaanse politiek wetenschapper Jan Werner Müller dat we in een situatie zijn beland waarin een segment van de samenleving domweg ‘uit de democratie is gevallen’. Deze groep wordt bespeeld door politici die zich willens en wetens hebben ‘teruggetrokken uit wat ooit een min of meer fatsoenlijk sociaal contract was’.
De kans dat deze groep in de huidige omstandigheden, met ongereguleerde sociale media, bij verkiezingen terugkeert naar oude partijen, is klein.
Alle aandacht voor mensen die ‘uit de democratie zijn gevallen’ gaat ondertussen ten koste van mensen die graag in een democratie blijven leven en verkiezingen liever niet zien verworden tot wedstrijden wie de meeste kiezers weet op te lichten: dan gooi je het kind met het badwater weg.
De politieke cultuurverandering die het rechts-populisme heeft bewerkstelligd, is nog niet totaal. Het is een alternatieve politieke cultuur die bestaat náást een andere. Ondanks algoritmen die haatdragende ‘content’ en feitelijke onjuistheden rondpompen, hebben rechts-populisten nergens hun slag kunnen slaan zonder hulp van gevestigde rechtse partijen, en zonder inbraken in democratische instituten.
In Democracy Rules beschrijft Müller hoe ‘achterstallig onderhoud’ aan ‘democratische instituten’ in de VS volop mogelijkheden bood aan trumpisten om een gelijk speelveld uit te wissen. In veel staten zijn kiesdistricten zo hertekend (gerrymandering) dat Democraten er niet meer kunnen winnen. In Hongarije ontmantelde Orbán met de persvrijheid ook gelijke kansen voor de oppositie. In Polen was de vorige regering op weg een permanent ongelijk speelveld te creëren.
Zonder basale consensus over ‘wat je niet kunt maken’, is elke democratie gedoemd. In landen waar instituten nog niet zijn beschadigd, is het daarom zinvol een ándere vraag te stellen dan hoe je kiezers terugwint van rechts-populisten: hoe voorkom je dat ze ‘democratische instituten’ overnemen en een pad plaveien naar een autoritaire samenleving?
De Poolse rechtsgeleerde Maciej Kisilowski – verbonden aan de van Boedapest naar Wenen uitgeweken Centraal-Europese Universiteit (CEU) – stelde in de Volkskrant dat veel Europese landen weleens een lange periode tegemoet kunnen gaan van ‘een ideologische loopgravenoorlog tussen twee grote, stevige politieke kampen’: een rechtsstatelijk democratisch kamp en een autoritair populistisch kamp.
Dat kun je net zo goed een ontmoedigend als een bemoedigend vooruitzicht noemen: er is een scenario waarin een rechtsstatelijk democratisch kamp zich, ondanks alles, weet te handhaven. Maar om de kans op dat scenario te bevorderen, moeten we af van de illusie dat politici in ons bestel nog steeds één en hetzelfde spel spelen. Er is geen consensus meer over wat is geoorloofd en geen gedeelde toewijding meer aan de democratische rechtsstaat.
Müller definieert democratie als ‘geïnstitutionaliseerde onzekerheid’: democratieën zijn altijd in ontwikkeling en altijd voor verbetering vatbaar. Er zijn hoopvolle aanwijzingen dat kiezers die ‘uit de democratie zijn gevallen’ met andere middelen dan verkiezingen wél voor de democratie kunnen worden teruggewonnen. Auteurs als David Van Reybrouck en Eva Rovers pleiten al jaren voor invoering van burgerberaden waarin mensen per loting kunnen plaatsnemen. Er circuleren veel meer ideeën voor democratievernieuwing die de moeite van het uitproberen waard zijn.
Maar één voorwaarde voor zulke experimenten is dat de uiterst onvolkomen bestaande democratie overeind blijft.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant