Home

Betere straatverlichting is echt niet genoeg

Het Vondelpark in Amsterdam. Foto Ramon van Flymen/ANP

Sinds de moord op de 17-jarige Lisa afgelopen zomer is er veel publieke aandacht voor de veiligheid van vrouwen in de stad. Steden moeten vrouwvriendelijker, luidt het in krantenartikelen, talkshows en op sociale media. Inspanningen om het ontwerp van de openbare ruimte beter af te stemmen op de behoeftes van vrouwen staan in de schijnwerpers, en terecht.

Het huidige discours van vrouwvriendelijke stad is echter te beperkt. Ten eerste ligt de focus, al dan niet expliciet, op het gebrek aan veiligheid van jonge vrouwen en meiden in de publieke buitenruimte. Maar in een stad moet er evenwel oog zijn voor andere domeinen waar vrouwen structureel ongelijk behandeld worden. De stad is niet alleen een fysieke, maar ook een sociale leefomgeving.

Vrouwen verrichten een disproportioneel aandeel van de onbetaalde zorgarbeid, waaronder zorg voor kinderen, en hebben veel baat bij laagdrempelige ontmoetingsplekken zoals buurtwinkels en gemeenschapsgebouwen. Als deze verdwijnen, of vertraagd worden opgeleverd in nieuwbouwwijken, hebben zij dan ook meer last. Vrouwen die zorgen worden ook vaak benadeeld door het stedelijke transportsysteem. Dat gaat doorgaans uit van een mannelijke hoofdkostwinner die naar zijn werk pendelt, al dan niet met de auto. De ‘verzorgende vrouw’ maakt vaker gebruik van de fiets en het openbaar vervoer. Haar reisgedrag lijkt bovendien meer een zigzag, omdat zij, al dan niet naast een (deeltijd)baan, kinderen vaker naar school brengt en ophaalt, weer naar zwemles rijdt en nog boodschappen doet.

Deze voorbeelden duiden op de noodzaak van ‘gendersensitieve’ planning, die de inrichting van de openbare ruimte beter afstemt op de behoeftes van vrouwen. Denk aan betere verlichting, een overzichtelijk straatbeeld, ontmoetingsplekken en toegankelijker openbaar vervoer. Mooie bijkomstigheid: niet alleen vrouwen profiteren hiervan. Van meer kwalitatief goede, gemeenschappelijke speelruimtes kunnen ook mannen op papadag goed gebruikmaken.

Maar meer speelruimtes zullen geen stimulans zijn voor mannen om meer zorgtaken op zich te nemen. En hiermee zijn we bij een onderbelicht aspect van gendersensitieve planning aanbeland. Namelijk dat een dergelijke planning het vervullen van bestaande genderrollen omtrent zorg accommodeert en daarmee bevestigt. Geen enkele ingreep op het gebied van stadsplanning kan structurele verandering van bestaande genderrollen afdwingen.

Een gelijk(er)e zorg- en werkverdeling tussen mannen en vrouwen, door middel van een genereuze ouderschapsverlofregeling bijvoorbeeld, is geen taak voor de stad, maar voor de landelijke overheid.

Twee steden die regelmatig als voorbeeld van vrouwvriendelijke steden worden aangehaald – Barcelona en Umeå – liggen in landen (respectievelijk Spanje en Zweden) met een gulle ouderschapsverlofregeling. Beide landen scoren ook hoger dan Nederland met betrekking tot de verdeling van zorg voor kinderen tussen mannen en vrouwen.

Het is belangrijk om vanuit een intersectionele bril naar de stad te kijken: met aandacht voor genderongelijkheid én hoe deze is verweven met en versterkt door andere vormen van structurele ongelijkheid.

Neem wonen: dit onderwerp ontbreekt in discussies omtrent de vrouwvriendelijke stad. De onder de Participatiewet ingevoerde kostendelersnorm houdt in dat bijstandsgerechtigden op hun uitkering gekort worden als ze met iemand van 21 jaar of ouder in een huis wonen. Dat benadeelt óók alleenstaande, uitkeringsgerechtigde moeders. Vaak zijn dit vrouwen die het volledig meedraaien in de stad al wordt ontzegd op basis van onder meer hun opleidingsniveau en/of herkomst.

Bij nader inzien is het discours van de vrouwvriendelijke stad niet alleen te beperkt in zijn focus. Hij slaat de plank helemaal mis. ‘Vriendelijk’ suggereert namelijk dat door het veiliger maken van de openbare ruimte, het faciliteren van zorgtaken en het toegankelijker maken van openbaar vervoer een gunst wordt verleend aan vrouwen. Het gaat echter om het recht van vrouwen, ongeacht hun sociaaleconomische status of achtergrond, om zich optimaal te kunnen ontplooien in hun stedelijk bestaan. Een mensenrecht dat de stad zonder faciliterend overheidsbeleid niet kan waarborgen. In feite móét de Rijksoverheid erop toezien dat vrouwen hun recht op de stad kunnen opeisen, ongeacht de ambities en bestuurlijke capaciteiten van de stad waarin ze wonen.

Kortom, laat het gendersensitieve (her)ontwerp van de fysieke omgeving zeker de eerste stap zijn. Maar gendersensitief stedelijk beleid moet worden uitgebreid naar andere domeinen, waaronder wonen. Verder moet de Rijksoverheid de systematische toepassing van gendertoetsing, én intersectionaliteit, in gemeentelijk beleid voorschrijven én ondersteunen. Maar ook dan: álle vrouwen kunnen hun recht op de stad pas opeisen als structurele ongelijkheid op het vlak van onder andere zorg- en werkverdeling en welvaart wordt aangepakt. Anders blijft elke toewijding aan vrouwenbelangen halfhartig.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next