Home

Historica stuitte op een goudmijn: verslagen van middeleeuwse dieven. Wat maakt die zo smeuïg?

De Nederlandse geschiedenis is bepaald door rijke witte mannen. Historica Janna Coomans, nu genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs, vertelt een ander, zelden verteld verhaal: dat van middeleeuwse bedelaars, dieven en landlopers. Wat maakt juist dit bonte gezelschap zo interessant?

is boekenrecensent voor de Volkskrant.

Natuurlijk is het voor een historicus die zich richt op de late middeleeuwen van belang om bekend te zijn met de gedragingen van Filips de Goede, Hendrik VIII, paus Leo X, de slag bij Azincourt en de godsdienstkritiek van Maarten Luther. Het tegendeel zul je Janna Coomans (1986) nooit horen beweren. Haar punt is alleen: vergeet ook die dekselse Lennart Magerman niet, de man die, nadat hij een tijdje bij een Keulse prostituee in Deventer had verbleven, in 1488 werd opgehangen wegens het plegen van in totaal tien diefstallen.

En vergeet Jan Melijsz niet, de landloper die in Steenwijk zes eenden, een duif, een vis en een harington stal. Of Otto Willemsz, die een met lijm besmeurde stok gebruikte om munten uit het offerblok op het Heilige Geestkerkhof in Kampen te vissen.

Coomans, wier Dievenland zowel op de shortlist van de Libris Geschiedenis Prijs prijkt als op die van de Boekenbon Literatuurprijs, beschrijft in haar boek weinig koningen en hertogen, maar des te meer bedelaars, landlopers en vagebonden. Daarvoor tuurde ze eindeloos naar archiefmateriaal dat voor haar komst nog nauwelijks was bestudeerd, namelijk de honderden getuigenissen, ondervragingen en vonnissen van 15de- en 16de-eeuwse dieven afkomstig uit de criminele registers van ’s-Hertogenbosch, Kampen en Deventer.

Waarom? Omdat het standaardbeeld van de middeleeuwen, waarin je vader bakker is, dus jij ook bakker wordt, net als je zoon en daarna je kleinzoon, weliswaar ten dele klopt, maar lang niet de hele waarheid vertegenwoordigt. ‘De bevolkingslaag onder die gegoede burgerij, dus zeg de helft van de samenleving, paste helemaal niet in een duidelijk hokje’, zegt Coomans in haar kantoor aan de Universiteit Utrecht. ‘Zij deden van alles en nog wat om rond te komen, hoorden niet bij een gilde en trokken geregeld naar andere steden of dorpen als het werk thuis op was. Het waren arbeidsmigranten. Van die groep is heel weinig bekend, maar dankzij de dievenbekentenissen heb ik een soort miniluikje ontdekt waardoor ik hun leefwereld kan zien.’

En dus spitte Coomans, die eerder promoveerde op afval, vervuiling en publieke gezondheid in de middeleeuwen in Deventer, Leiden en Gent, door honderden veroordelingen van middeleeuwse dieven, met op hun kerfstok duizenden gestolen kannen, kruiken, lepels, pispotten, jassen, lakens, eenden, varkens en zelfs hele bijenkorven. Zij die werden gesnapt, biechtten namelijk niet alleen op wat ze precies hadden gestolen, maar ook waar, van wie, wanneer en onder welke omstandigheden, met als gevolg dat Coomans ook kon nagaan hoe laat-middeleeuwse Nederlanders aankeken tegen persoonlijke hygiëne en seks, hoe de man-vrouwverhoudingen lagen en zelfs waarom er bij 15de-eeuwse bakkers meer soorten brood beschikbaar waren dan tegenwoordig in de supermarkt.

Was het een nieuw idee om zo uitgebreid te spitten in dievenbekentenissen? Of is dit al langer praktijk in andere landen?

‘Nee, dit is best een nieuw idee. Leuk hè? Ik ben natuurlijk niet de eerste historicus die ontdekt dat er in rechtsbronnen en veroordelingen heel levendige verhalen verstopt zitten. Maar het voordeel van diefstal ten opzichte van bijvoorbeeld geweldplegingen is het decor dat je er gratis bij krijgt. Het gaat bij diefstal namelijk niet alleen om de interactie tussen twee mensen, maar om die tussen mensen en spullen. Het was voor ordehandhavers bijvoorbeeld relevant om op te schrijven waar die spullen lagen, waardoor je opeens veel meer van de omgeving ziet.

‘Er zijn trouwens wel historici die op grotere schaal naar diefstal hebben gekeken. Die keken dan bijvoorbeeld hoeveel pijpjes er in een bepaalde periode werden gestolen, zodat ze konden zien of in die periode meer of minder mensen gingen roken. Maar deze manier van inzoomen ben ik zelf nog nooit tegengekomen.’

De Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie schreef op basis van inquisitieverslagen een boek over het dagelijks leven in het bergdorpje Montaillou. Is dat niet een beetje vergelijkbaar?

‘Ja, even kijken, dat boek staat hier in mijn kast: geweldig en ook zeker een inspiratie. Hij heeft bijna als een antropoloog naar dat ketterse dorpje gekeken en hij baseerde zich daarbij inderdaad op getuigenverslagen die de kerkelijke inquisitie had verzameld. Maar dat waren geen diefstallen, dat ten eerste. En wat hij ook niet heeft gedaan – en wat ik wel heb proberen te doen – is de omstandigheden schetsen waaronder die getuigenissen zijn opgetekend. Gesprekken met de inquisitie vonden natuurlijk plaats onder enorme druk – 10 procent van de ondervraagden werd naderhand ter dood veroordeeld – dus de kans is vrij groot dat de verhoorders woorden hebben verdraaid of alleen zeer belastende zaken hebben genoteerd.’

Maar dat geldt toch ook voor de bekentenissen uit Deventer en Kampen, waar de pijnbank nooit ver weg was?

‘Ja, alleen heb ik die meta-vraag – hoe betrouwbaar zijn deze bekentenissen? – heel nadrukkelijk benoemd in mijn boek en ook proberen te beantwoorden. Er gaat bijvoorbeeld een heel hoofdstuk over de werkwijze van ordehandhavers. Die lijken zichzelf en hun eigen politiewerk behoorlijk serieus te nemen, met naast bekentenissen ook iets dat lijkt op een getuigenverhoor.

‘Overigens begin jij over die pijnbank, die nooit ver weg zou zijn in de middeleeuwen. Dat beeld wil ik hier toch wel even nuanceren. De overgrote meerderheid, zeg 95 procent van alle misdaad, werd met boetes afgedaan. Dat waren vaak heel hoge boetes, en vaak zat er ook een ritueel van vergiffenis aan vast, maar het rechtssysteem was in beginsel erg financieel. De reden daarachter is simpel: lijfstraffen waren kostbaar – er moest een schavot of een galg worden getimmerd, de beul moest worden betaald – terwijl een boete juist geld opleverde voor een stad.’

Toch eindigen veel van uw dieven aan de galg, of onder het hakblok. Terwijl ze vaak niet meer op hun kerfstok hadden dan het stelen van een koek of een laken.

‘Dat gebeurde eigenlijk alleen bij veelplegers, tenzij het om arme vreemdelingen ging, die wat sneller fysiek werden gestraft. Bij dieven uit de eigen stad was er de eerste keer vaak sprake van vergiffenis, de tweede keer mogelijk ook nog wel, en pas na drie keer diefstal mochten steden in principe de doodstraf opleggen.

‘Dat klinkt misschien alsnog streng, maar de belangrijkste reden daarachter was de totaal andere verhouding tot spullen in de middeleeuwen. Alles was handgemaakt, transport was duur, net als de grondstoffen, waardoor een laken – iets waarvan jij en ik niet eens weten hoeveel we er bezitten – omgerekend al snel 600 euro kostte. En dat gold voor alle spullen. Een kandelaar kostte al snel 400 euro, een winterjas ruim 1.000 euro. En dan had je niet eens een mooie, luxe jas met parels, maar een doodnormale jas. Door die kosten hadden mensen vaak een minimale huisraad en een minimale garderobe, waardoor diefstal een veel pijnlijker vergrijp was dan nu.

‘Bovendien hadden mensen geen bankrekening in die tijd, waardoor al hun vermogen in die spullen zat – zo’n jas of laken bleef ook vaak in de familie bij overlijden, als een erfenis. En tot slot waren de weinige spullen die mensen bezaten vrijwel allemaal gemaakt door henzelf of door mensen die ze uit hun stad kenden. Daardoor had iedereen een veel intiemere relatie met zijn bezittingen dan nu.’

U zei net in een bijzin dat arme vreemdelingen, de middeleeuwse arbeidsmigranten die van stad naar stad trokken, veel strenger werden gestraft dan dieven van eigen bodem. Waarom was dat?

‘Ten eerste omdat ze vaak geen geld hadden, waardoor boetes weinig zin hadden. Bovendien hadden ze geen lokaal sociaal netwerk van mensen die voor hen konden getuigen. En tot slot omdat ze een soort politieke functie leken te vervullen, vergelijkbaar misschien met de migranten van nu. Arme vreemdelingen werden door machthebbers heel duidelijk neergezet als de vijand, de boosdoeners tegen wie het eigen volk beschermd moest worden, omdat zij een gevaar vormden voor de orde in de stad.

‘Zodra dat soort arme vreemdelingen dus daadwerkelijk over de schreef gingen – wat relatief overigens heel weinig gebeurde – werd dat direct breed uitgemeten. Ze werden heel zwaar bestraft door de machthebbers, enerzijds om de eigen inwoners te laten zien dat ze het probleem serieus namen, maar ook om andere arme vreemdelingen in te peperen dat je met hen niet moest sollen.’

Had het dan een soort afschrikwekkende werking: als Deventer niet strenger optreedt tegen landlopers dan Kampen, komen ze allemaal hierheen? Net zoals nu op Europees niveau gebeurt?

‘Ja, ik denk dat de dynamiek van toen inderdaad vergelijkbaar is met die van nu. Op Europees en nationaal niveau, maar ook nog altijd op gemeenteniveau, waar allerlei wethouders beloven in hun plaats absoluut geen azc te openen. Alleen zie je in mijn boek dat dit in de middeleeuwen niet goed uitpakte. Voor de kwetsbare armen verergerde de situatie alleen maar en de migratiestroom nam ook niet in omvang af.

‘Strenge straffen laten daarmee ook politieke fragiliteit zien. Je kunt mensen weliswaar bang maken voor vreemdelingen en daarmee de nodige politieke invloed winnen. Je kunt zelfs je stad letterlijk afsluiten en lijfstraffen invoeren, maar dan nog kun je blijkbaar niet voorkomen dat er arme vreemdelingen naar binnen komen. In een open samenleving heb je die mensen simpelweg nodig om je gemeenschap draaiende te houden.’

Zag u nog meer parallellen met het nu?

‘Bijvoorbeeld dat de groep mensen die in een kwetsbare positie zit, de arme, migrerende vreemdeling dus, in de beeldvorming als een soort eenheid werd voorgesteld. Nogmaals: tot wel 50 procent van de bevolking van de Lage Landen was in die periode heel arm en trok in bepaalde fasen van hun leven rond, dus die groep moet enorm gemêleerd zijn geweest.

‘Hij bestond uit zowel mannen als vrouwen, sommigen hadden een opleiding, anderen hadden niets. Ze kwamen allemaal vanaf andere plekken en hadden allemaal andere redenen om te vertrekken, maar in de beeldvorming werd het één grote groep, omschreven met dezelfde stereotiepe kenmerken over bijvoorbeeld hun gebrek aan moraal en hun luiheid.

‘Dat beeld werd alleen maar steviger neergezet naarmate de politieke situatie instabieler werd; in die tijd speelde de Reformatie, waardoor de bewoners van steden een steeds grotere angst voelden om dingen kwijt te raken.’

Gingen ze, om nog een laatste parallel te trekken, in die periode wel goed om met hun eigen armen? Waren er, met andere woorden, middeleeuwse Pieter Omtzigten die niet ophielden over bestaanszekerheid?

‘Jawel, maar het was natuurlijk geen democratische samenleving. Er was een duidelijke hiërarchie tussen bevolkingsgroepen, dus het was niet per se de bedoeling dat iedereen gelijke rechten en kansen kreeg. Maar buiten die logica om was er wel een sterke, deels op christelijke, deels op gemeenschapszin gestoelde saamhorigheid. Dat zie je goed terug bij de diefstallen die ik tegenkwam: eigen armen die de fout ingingen, werden vaak geholpen door bijvoorbeeld buren en andere goede lieden. Zij getuigden dan dat de dief in werkelijkheid een goed persoon was, veel kinderen had voor wie hij of zij moest zorgen en daarom mededogen verdiende. Daar luisterden rechters ook echt naar.’

Op de longlist voor de Libris Geschiedenis Prijs stonden dit jaar opvallend weinig koningen en hertogen, en des te meer tot slaaf gemaakten, bedienden en dieven. Is die aandacht voor de ‘gewone mens’ een trend in de geschiedschrijving?

‘Dat denk ik wel, zeker in de academische geschiedschrijving. In de boekwinkel is de biografie bijvoorbeeld nog steeds behoorlijk populair, maar als je in de wetenschappelijke wereld een biografie wilt publiceren, moet je wel met iets heel speciaals komen.

‘We zijn ons er steeds meer van bewust dat de geschiedenis veel meer is dan die van de rijke witte man met macht. Kijken naar nieuwe sociale groepen levert namelijk altijd nieuwe perspectieven op. Uiteindelijk leefde de grote meerderheid van de mensen namelijk niet aan de bovenkant van de maatschappij, maar ver daaronder.

‘De trend om over ‘gewone’ mensen te schrijven zie je trouwens al opkomen vanaf de jaren zeventig, maar het duurt in de geschiedschrijving nu eenmaal vrij lang voordat de dingen echt op stoom komen. Vooral mijn eigen vakgebied, de middeleeuwen, is behoorlijk conservatief.’

Waarom?

‘Nou, niet omdat er tegenzin bestaat om over vrouwen of armen te schrijven – absoluut niet, zelfs – maar vooral omdat het moeilijk is om voldoende informatie te vinden over mensen zonder macht. Toch denk ik dat het besef steeds meer indaalt dat het de moeite waard is, gek genoeg ook dankzij maatschappelijke ontwikkelingen als MeToo. Ook daarbij zagen we dat mensen heel verschillende ervaringen kunnen hebben van dezelfde gebeurtenis. En dat al die ervaringen belangrijk zijn voor een volledig beeld van de waarheid. En dus de moeite van het uitzoeken waard.

‘Wat daarnaast natuurlijk meespeelt, is dat lange tijd de gedachte heerste dat geschiedenis vooral nuttig was als je haar kon gebruiken als ontstaansgeschiedenis. Hoe kwamen wij als maatschappij van punt A naar punt B? De focus lag daardoor altijd op het grote verhaal van Nederland, of het grote verhaal van Europa, dat nu eenmaal werd vormgegeven door een serie belangrijke mannen die met hun belangrijke ideeën belangrijke gebeurtenissen in gang hebben gezet.

‘Wat ik probeer te doen, en samen met mij steeds meer andere historici, is kijken naar parallellen die je kunt trekken. Geen van mijn dieven heeft bijvoorbeeld een belangrijke verandering teweeggebracht in het verhaal van Nederland, maar hun levens zeggen misschien wel iets over hoe de samenleving toen met bepaalde problemen omging. En omdat sommige van die problemen er nu nog steeds zijn, zoals xenofobie en migratie, kan het heel nuttig zijn om dat verleden te bestuderen.’

Om maar gelijk een parallel te trekken: hoe zou iemand die rond 1500 in Deventer woonde en onder een laken sliep waarvoor hij omgerekend 500 euro had betaald (en dat hij straks bij zijn overlijden zou doorgeven aan zijn oudste zoon) kijken naar onze consumptiemaatschappij?

‘Dat zou zo bizar zijn. De overvloed in onze winkelstraten natuurlijk, maar ook dat we televisieprogramma’s hebben waarin we elkaar leren te ‘ontspullen’. Dat zou volkomen vervreemdend zijn. Net als de prijs van de producten. Als je nu naar de kringloopwinkel gaat, kun je voor 2 euro een shirt kopen, wat bij een minimumloon ongeveer tien minuten werken is.

‘Natuurlijk is er ook in het huidige Nederland nog een groep mensen die moeite heeft om zich van dagelijkse levensbehoeften te voorzien, maar de waardeloosheid van gebruiksvoorwerpen die voor het overgrote deel van de samenleving geldt, is voor middeleeuwers totaal niet voor te stellen.

‘Verder zou diegene waarschijnlijk verbaasd zijn over onze onkundigheid in het vervaardigen van spullen. Sterker nog: wij weten niet eens meer waar onze kleren, meubels en eten vandaan komen. Laat staan dat we weten onder wat voor omstandigheden ze zijn gemaakt en wat voor impact het maakproces heeft op de omgeving.

‘En zonder hier een heel pleidooi af te steken voor het zelf verbouwen van groenten en het breien van je eigen geitenwollensokken, is het wel opvallend hoe afgesloten we inmiddels zijn van al die maakprocessen. Dat wij niet meer zien wie onze spullen maakt, zoals vroeger wel het geval was, leidt er ook toe dat het ons veel minder doet als die makers werken in precaire omstandigheden.

‘Toen woonden de makers bij jou in de straat en waaide de rook die bij het maakproces hoorde jouw huis binnen. Nu word je nooit meer met dat soort waarheden geconfronteerd. En ja, dat beïnvloedt de manier waarop wij consumeren behoorlijk, denk ik. En de manier waarop we samenleven. Ik vraag me af of een middeleeuwer zich daarbij thuis zou voelen.’

Janna Coomans: Dievenland – Overleven in de middeleeuwen. De Bezige Bij; 343 pagina’s; € 27,99.

CV Janna Coomans

1986 Geboren in Utrecht als dochter van twee onderwijzers: in biologie en het speciaal onderwijs.
2006-2012 Studeert geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, met een masterscriptie over middeleeuwse badhuizen.
2013-2018 Promotieonderzoek over publieke gezondheid en hygiëne in laatmiddeleeuwse steden. Promoveert cum laude en ontvangt de dissertatieprijs Praemium Erasmianum. Vindt tijdens onderzoek in stadsarchieven de eerste lange bekentenissen van dieven.
2022 Gaat werken als universitair docent aan de Universiteit Utrecht, met een onderzoeksproject over brand en stedelijke ontwikkeling.
2025 Boek: Dievenland Overleven in de middeleeuwen.

Janna Coomans woont in Duivendrecht en heeft twee kinderen: Sonja (5) en Otto (8). In haar vrije tijd maakt ze muziek, eerst met The Secret Love Parade en sinds 2021 als Ease Anais.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next