is columnist van de Volkskrant en werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.
Ook op links leven overtuigingen waarvan je als democraat zou moeten schrikken. Het is te zien in een opiniepeiling van Ipsos I&O, in opdracht van NRC.
De tevredenheid met de democratie neemt af, leert die. En over sommige redenen zijn Nederlanders het eens: gebrek aan samenwerking, gemis aan effectief beleid. Alarmerender zijn de verschillen. Vooral in de radicaal-rechtse hoek, relatief vaak ook onder praktisch opgeleiden, loopt de ontevredenheid op omdat ‘de wil van het volk’ onvoldoende wordt gehoord.
Daarentegen winden kiezers van GroenLinks-PvdA, D66, Partij voor de Dieren en Volt zich vooral op omdat instituties onder druk staan, zoals de rechterlijke macht.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Over het gevaar van die mythische volkswil gaat het hier al vaak. Het is de moeite om ook het risico aan de andere kant van het spectrum eens beter te bekijken. Zo kregen ondervraagden de keus tussen twee stellingen. De eerste luidde: de overheid moet doen wat de meerderheid wil, ook als dat ingaat tegen wetenschappelijke adviezen van experts. De tweede: de overheid moet zich bij beleid baseren op wetenschappelijke adviezen, ook als dat ingaat tegen de meerderheid.
De grootste groep, 37 procent, kiest voor de laatste stelling. En hoe verder je naar links gaat, des te hoger het percentage. Onder de aanhang van D66 en GroenLinks-PvdA is dat 70 procent. Terwijl dit óók niet is hoe democratie hoort te werken. Had ik mogen meedoen, dan had ik me aangesloten bij de 29 procent die invulde: ‘Beide stellingen passen even goed.’
Want op tal van terreinen is er geen definitieve, allerbeste, wetenschappelijke consensus over hoe je de samenleving moet inrichten, maar hangt alles af van waarden, perspectief en denkbeelden. Neem verdelingsvraagstukken in de economie.
En zelfs al ís er vrijwel consensus, zoals in de klimaatcrisis, het volk heeft het recht om onverstandig te zijn. De opgave is om de meerderheid van het juiste te overtuigen.
Ik snap dat het onbegonnen werk lijkt in een informatielandschap, geïnfecteerd door ongecontroleerde, commerciële techreuzen in handen van oligarchen met bizarre ideeën. En dat zo’n vraag niet in een vacuüm wordt beantwoord. Antidemocraten voeren aanhoudend aanvallen op deskundigheid uit. Dan wil je in je antwoord misschien steun voor de waarde van expertise uitspreken.
Maar ik proef toch ook een technocratisch denken, waarin de oplossingen zo voor de hand lijken te liggen dat het geduld opraakt met iedereen die ze in de weg zit. En een defensieve, onzekere houding. Als je gelooft dat andersdenkenden niet meer te bereiken zijn, kunnen ‘wetenschap’ en ‘rechtsstatelijke instituties’ dingen worden waar je niet alleen voor vecht, maar waarachter je ook beschutting zoekt.
Tal van initiatieven willen tegenwoordig de liberale democratische rechtsstaat beter tegen het autocratische wapengekletter beschermen en de meeste plannen zijn goed. Een onafhankelijker OM en rechterlijke macht, democratie-onderwijs, regels voor techplatforms, betere bescherming van ambtsdragers, hogere kwaliteit van wetgeving: doen hoor.
Maar als ik van zo’n initiatief, dat ik van harte steun – de Democratie Monitor – ook de suggestie lees om ‘iedereen binnen de Rijksoverheid’ een rode kaart te laten trekken als fundamentele rechten in het geding dreigen te komen en ‘in dat geval de besluitvorming stil te leggen en een onafhankelijke instantie om bindend advies te vragen’, besef ik dat je ook te veel veiligheidspallen kunt inbouwen. Zoiets lijkt me een recept voor bestuurlijke verlamming en volksopstand.
Bij al dat stutten van instituties moeten democraten niet het knokken om de macht zelf vergeten. Jammerklacht na jammerklacht is verschenen, ook van mij, omdat velen zwichten voor de antidemocratische verleiding. Wat komt er ná die waarneming? Wat wil je doen?
Zo veel tegenkrachten in het systeem bouwen dat een meerderheid irrelevant wordt? Dan ben je zelf ondemocratisch. Opgeven? Dat nooit. Rest dit: onder ogen zien dat in het existentiële gevecht om democratie gelijk hebben minder interessant is dan ooit. Na alle probleemanalyses mag het nu meer gaan over hoe je eigenlijk wint.
In Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaasimperium, een absurdistische film uit 1989, zit een scène waarin operazanger Marco Bakker dreigt te worden opgeknoopt door de heks Brigitta Berber, gespeeld door Adèle Bloemendaal. Het verhaal is hier niet uit te leggen, maar tussen Theo (Arjan Ederveen) en Thea (Tosca Niterink) speelt zich deze lijzige dialoog af:
‘We moeten iets doen.’
‘Ja, we moeten iets doen. Doe iets.’
‘Ja. Doe iets.’
Veel gesprekken tussen theoretisch opgeleide, progressieve democratisch gezinden klinken hetzelfde. En waar Theo en Thea na aanvankelijk geweifel de arena betreden, zie ik in kamp ‘democratische rechtsstaat’ nog niet overal actiebereidheid en het besef dat je voor elkaar moet zien te krijgen dat een meerderheid jouw idee van democratie omarmt, wil het overleven.
Nog moeilijker: je moet opponenten misschien een gelijk geven waar ze zelf niet eens precies om vragen. Want de overtuiging dat de stem van het volk onvoldoende doorklinkt, lijkt versmolten met de roep om migranten te weren. Maar als je objectief kijkt, ís het gewoon zo dat in een geglobaliseerde, onbegrijpelijk complexe wereld een Nederlandse regering meer speelbal dan stuurman is. En dus kan het niet anders of kiezers hebben minder te zeggen.
Mensen winnen voor de zegeningen van de liberale, rechtsstatelijke democratie is zo maar één deel van de strijd. Het andere is repareren wat er stuk aan is en leed verzachten waar dat niet lukt.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant