Terugkeer Na de val van Assad wilde schrijver en hoogleraar Ahmad al Hosain terug naar Syrië, ook al bleef zijn gezin in Nederland. Deze zomer zag zijn dochter (18) hoe het voor hem is weer daar te zijn.
Ahmad al Hosain loopt sinds zijn terugkeer uren per dag door Damascus, soms tot diep in de nacht.
Voor een man die na twaalf jaar eindelijk is terugverhuisd naar Syrië, is Ahmad al Hosain de afgelopen maanden veel met Nederland bezig geweest. In een zaaltje van een museum in Damascus, in de wijk Kanawat die grenst aan het oude centrum, gaf hij in juli een lezing over wonen in Sassenheim en Osdorp, Amsterdam-West. “Het is een mooi land”, zei hij tegen zijn Syrische publiek. En: “Het Nederlandse karakter is direct en eerlijk.” Hij vermaande de bouwvakkers die in zijn huurhuis in Damascus aan het klussen waren, omdat ze maar te laat bleven komen. “In Nederland komen mensen op tijd.” Hij berispte de organisatoren van een congres in de Syrische hoofdstad omdat ze geen stoel hadden klaargezet voor de minister van Cultuur: “Dat zou in Nederland nooit gebeuren”, zei Ahmad. “We hoeven ons niet te blíjven gedragen als een land dat net uit een oorlog komt.”
In december 2024 verjoegen rebellen de Syrische dictator Bashar al-Assad. Miljoenen Syriërs die waren gevlucht sinds het uitbreken van de burgeroorlog in 2011, werden volkomen verrast. Ahmad (56) had zich er al bij neergelegd dat hij de rest van zijn leven met zijn gezin in Nederland zou doorbrengen. Nu moest hij nadenken over de vraag: blijf ik in Osdorp of ga ik terug naar Damascus?
Een week na de val van het oude regime ging Ahmad voor het eerst terug naar Syrië, in zijn eentje. Hij bezocht zijn moeder, ze is ouder dan 100, in het noorden van Syrië. Hij bezocht de universiteit in Damascus waar hij ooit Arabische taal en literatuur doceerde. Vooraf noemde hij de reis zijn ‘proeftijd’, maar zodra hij vanuit Libanon de grens overstak wist hij: ik wil voor altijd terug. Hij vroeg de universiteit of hij zijn oude baan weer kon krijgen – en wacht nog op antwoord van de minister van Onderwijs.
Samen met andere Syriërs die net als hij naar Europa waren gevlucht en nu zijn teruggekeerd, bestudeert en bespreekt Ahmad de naoorlogse geschiedenis van Nederland en Duitsland. Hoe zijn die landen na 1945 weer opgebouwd? Als een wijk voor bijna 70 procent verwoest is, is het dan beter om te repareren wat er nog staat of om een heel nieuwe wijk te bouwen? Het kunnen allemaal lessen voor Syrië anno 2025 zijn. Waar moeten de straten lopen? Waar moeten de scholen staan, de elektriciteitshuisjes, de watervoorzieningen? Waar loopt het riool? “Net als bij ons was er na de oorlog in Nederland spanning tussen verschillende groepen. Op welke manier hebben zij die problemen toen opgelost?”
Sinds zijn terugkeer loopt Ahmad door zijn oude stad, door zijn oude wijk – drie, vier uur per dag, soms tot twee of drie uur ’s nachts, want Syriërs zijn nachtdieren, zegt hij – en praat hij met mensen. Eigenaren van kofferwinkels, die hun klandizie hebben zien verdampen omdat niemand meer vertrekt. Hij ziet veel meer mannen met een lange baard dan vroeger. Niet omdat de nieuwe Syrische regering het van ze vraagt, zeggen ze hem, maar omdat lange baarden ín zijn. Leider Ahmed al-Sharaa draagt er ook een – “de mensen volgen het geloof van hun koning”, zegt Ahmad. Hij hangt weer in café Corallo, waar hij vóór zijn vertrek naar Nederland ook altijd zat met andere schrijvers en journalisten.
In Damascus bezoekt Ahmad al Hosain weer hetzelfde café als vóór zijn vertrek.
Hij ziet hoe “minstens 70 procent” van de mensen in Damascus ineens zonnepanelen heeft aangeschaft, omdat het stroomnet amper werkt. Een Arabisch spreekwoord zegt dat je je geld opzij moet zetten voor een zware dag. “Maar er zijn zoveel zware dagen geweest, dat mensen die even niet meer verwachten. Daarom durven ze hun spaargeld wel in een zonnepaneel te steken.”
Op 7 juli brachten Ahmad al Hosains zoon en dochter hem naar Schiphol. Het was zwaar bewolkt en guur en halverwege bedacht hij dat hij de stukken kaas was vergeten die hij voor zijn vrienden had gekocht. Gauw terug. Hij had een klein koffertje bij zich, een rugzak van de Europese Unie op zijn rug. Die had hij van zijn dochter Naya geleend, die EU-kindervertegenwoordiger voor Nederland is geweest.
Veel spullen had hij niet nodig. Hij hoopte dat de nette pakken die hij twaalf jaar geleden bij een vriend had achtergelaten, nog goed zouden zijn. Waren die uit de mode geraakt? Was hij dikker geworden?
De weken voor zijn vertrek had hij zijn Nederlandse leven zorgvuldig afgewikkeld. Hij had de vergunningen voor zijn inburgeringsschool en tolkeninstituut teruggegeven. “Een eind aan tien jaar werk.” De leslocaties – er waren er nog twee over van wat ooit een school met 25 afdelingen was geweest – haalde hij leeg: tafel, stoelen, computers en whiteboards gingen naar de kringloop. Hij bracht zijn belastingen op orde, zegde zijn telefoonabonnement op, het contract bij energiebedrijf Vattenfall zette hij over op naam van zijn dochter die in het huis zou blijven wonen.
“Oké, dan ga ik maar”, zei Ahmad tegen Naya in de vertrekhal. Ze gaven elkaar een knuffel, daarna liep hij snel weg, zijn rugzak hoog opgetrokken. Een paar minuten later stuurde hij al een foto van zichzelf, huilend in de rij voor de douane. Hij was alleen.
Naya (18) had haar besluit om in Osdorp te blijven “een Nederlandse keuze” genoemd. Een volledig in Syrië opgegroeid kind had met haar vader mee gemoeten. Zij niet. Toen haar ouders in 2013 aankwamen dachten ze hooguit een paar jaar te zullen blijven. Het werden er vijf, tien, en langzaam begonnen ze te leven alsof ze nooit meer terug zouden gaan. “Mijn ouders pasten zich aan de Nederlandse manier van opvoeden aan. Waarin kinderen meer hun eigen keuzes kunnen maken.”
Naya woont nu twaalf jaar in Nederland, langer dan ze in Syrië heeft gewoond. Dit moet het jaar worden dat ze haar vwo-diploma haalt, daar heeft ze hard voor gewerkt. Misschien dat ze daarna rechten wil studeren. “Dan kan ik me in Leiden inschrijven, aan een universiteit die wereldwijd in de top-vijf staat. Als ik rechten zou studeren in Syrië, stond ik weer helemaal onderaan. Weet je hoeveel mensen ervoor betalen om in Nederland te kunnen studeren? En dan zou ik nu dáárheen gaan?”
Tot 2013 was Ahmad schrijver en hoogleraar Arabische literatuur en cultuur in Syrië. Hij was bekend, had een eigen tv-programma waarin hij culturele en maatschappelijke onderwerpen besprak – de verhoudingen tussen vrouwen en mannen in Arabische literatuur, bijvoorbeeld. Maar onder de dictatuur van Bashar al-Assad kon hij zijn werk steeds minder goed uitvoeren. “Ik ben specialist in moderne Arabische literatuur, maar de kritische boeken die in die laatste jaren werden geschreven, mocht ik niet bespreken.”
Samen met zijn vrouw woonde hij demonstraties bij, ze spraken zich uit. De veiligheidsdiensten van Assad kwamen meerdere keren langs. Nadat het huis waarin hij woonde met zijn vrouw en drie kinderen was gebombardeerd – naar hij vermoedde een gerichte aanval – verhuisden ze naar een ander huis in Damascus, waar ze hun vlucht begonnen voor te bereiden.
Eerst dachten ze aan Zweden, ze hadden al een afspraak gemaakt met een mensensmokkelaar, maar toen ze hoorden dat gezinshereniging minder lang duurde in Nederland, kozen ze daarvoor. Ahmads vrouw ging als eerste, Ahmad, Naya en haar broer en zus volgden later.
In Nederland is haar vader nooit meer écht gelukkig geweest in zijn werk, zegt Naya. Hij had zich in Syrië uit een familie van analfabeten opgewerkt tot hoogleraar. Toen ze naar Nederland kwamen, moest hij opnieuw beginnen. “Ze vroegen: kun je niet als schoonmaker aan de slag?” zegt Naya. “Waar heeft hij dan zo hard voor gewerkt? In Nederland waren we ineens minder dan alles en iedereen. Mensen associeerden ons met gastarbeiders, zoals de Marokkanen en Turken die naar Nederland zijn gekomen in de jaren zestig. Maar dat waren mensen die kwamen voor werk, wij vluchtten voor onveiligheid.”
Tot 2013 was Ahmad al Hosain in Syrië hoogleraar Arabische literatuur en cultuur.
Ahmad hoopte dat hij in Nederland als universitair docent of onderwijzer aan het werk kon, maar behalve een paar gastlessen aan de universiteit van Leiden lukte dat niet. En schrijven ging ook niet meer: in Syrië had hij zestien boeken geschreven, in Nederland liep hij vast. Hij begon een commerciële inburgeringsschool, werd succesvol ondernemer, maar het was niet wat hij wílde. “Ik voel het allemaal niet meer”, zei hij tegen Naya. Ahmad: “Als iemand me vraagt of ik vier miljoen wil verdienen als zakenman, of lesgeven op een universiteit, kies ik altijd voor het tweede.”
In het nieuwbouwhuis in Osdorp, waar Naya met haar broer blijft wonen – haar zus studeert in Middelburg, haar moeder woont nu in Den Haag – hangt een muur vol met diploma’s. De bovenste zijn van haar vader. Hij heeft ze pas twee jaar geleden opgehangen, ze betekenden in Nederland toch niets. Het duurde even voordat hij dacht: ik heb het toch maar mooi gedaan. Er hangen er ook twee van Naya: een certificaat van de Cambridge-Engelsopleiding en een oorkonde die ze kreeg toen ze een essaywedstrijd won.
Naya en haar vader videobellen elke dag sinds hij in Syrië is. In juli, Ahmad was pas anderhalve week terug, vuurde Israël raketten af op het centrum van Damascus. Naya belde meteen, in paniek. “Ben je oké?”, vroeg ze. “Hoezo?”, antwoordde hij. “Hoe bedoel je hoezo? Israël heeft net aangevallen.” Hij draaide de telefoon om en toonde haar live waar hij was: bij de centrale bibliotheek van Damascus, één gebouw naast het pand waar de bom was ingeslagen. Een paar ruiten waren uit de sponningen gesprongen. „Joh, het is maar een bommetje”, zei hij. Het hele gesprek duurde een minuut. Even later stuurde hij haar een selfie met de nieuwe hoed die hij op de markt gekocht had.
Twee weken later vloog Naya naar Syrië voor een vakantie. Ze wilde naar de ruïnes van Palmyra, naar Aleppo. Naar de zee bij Tartous. Ze wilde Damascus weer leren kennen: terug naar de universiteit waar haar vader werkte en waar zij als zesjarig meisje samen met haar broer “slechte dingen” fluisterde tegen een grote foto van Assad in de hal. Naar haar oma in het oostelijke Deir ez-Zor en als het even kon naar haar druzische tante die in het zuidelijke Sweida woont. Of dat zou lukken was de vraag: in juli werden daar meer dan duizend mensen, voornamelijk druzen, gedood door sektarisch geweld. Ook enkele van hun familieleden kwamen om.
“Ik moet er gewoon niet te veel over nadenken, dan ga ik stressen”, houdt ze zichzelf voor. Ze prent zich in wat haar moeder haar leerde toen ze klein was. “Als je bommen hoort, luister je hoeveel seconden ertussen zitten, of ze korter na elkaar vallen en of het dichterbij komt. Dán weet je pas of het gevaarlijk is.”
Mensen in Syrië hebben ervaring met oorlog, zegt Ahmad. “Er was altijd wel een drone of vliegtuig in de buurt. Ze zijn eraan gewend.”
Waar Ahmad over straat gaat, filmt hij. Alles gaat op zijn Facebookpagina, onder de foto waarop hij de Syrische aarde kust. Tegen de camera praat hij over politiek, de herinrichting van Syrië. Naya noemt het Syrië-propaganda, haar vader probeert zijn volgers te bewijzen dat het land niet meer gevaarlijk is.
Hoe veilig het daadwerkelijk is, daar houdt Ahmad zich niet mee bezig. Hij vóélt zich veilig. Liever besteedt hij zijn tijd aan nadenken over hoe het beter kan.
Ahmad zit weer als commentator in televisie-shows. Soms wordt hij op straat herkend.
Met een collega, historicus, maakte hij een serie filmpjes voor sociale media over de geschiedenis van Damascus. “In de laatste staan we op een kruispunt van vier wijken: een wijk voor de joodse mensen, een wijk voor de christelijke mensen, een wijk voor sjiieten en een voor de soennieten.” Om te zeggen: vroeger woonden we met elkaar zonder probleem, dit is het bewijs.
Van zijn oude collega’s zijn er veel gevlucht, omgekomen of met pensioen gegaan, maar veel van zijn oud-studenten zoekt hij op. Het gaat verrassend goed met hen, vindt hij. Ze bouwen hun levens opnieuw op. “Eén van hen geeft privélessen, de ander heeft een uitgeverij opgezet. Elke persoon heeft zijn eigen weg gevonden.”
Als Naya eind juli is aangekomen in Damascus, gaan haar vader en zij samen op zoek naar hun oude huis. Het gebouw staat er nog, met een gapend gat van de bominslag – daar was hun appartement. Tijdens de burgeroorlog is het leeggeroofd, zelfs de wc-pot is weg. Naya gaat op de grond zitten van haar oude kamer, nu zonder muren, en haalt haar handen door het gruis. Ze vindt een foto van haar broer, toen hij nog klein was. Een oude koran, die ze herkent. Scherven van koffiekopjes.
Ineens hoort ze geschreeuw bij de ingang van het gebouw, een oude vrouw roept omhoog. Een vroegere buurvrouw die vaak op Naya had opgepast. “Herinner je je me nog? Herinner je je me nog?”, vraagt ze. Ze begint te vertellen dat ze het juist die dag met haar man over de familie Al Hosain had gehad. Of die ook zouden terugkeren.
Ahmads dochter Naya vindt wat papieren in hun gebombardeerde huis in Damascus.
Naya herinnert zich dat de buurvrouw een avond kwam oppassen toen haar ouders naar een cultureel evenement gingen. Ze was boos dat ze niet mee mocht, wilde zich omkleden om tóch mee te gaan. De buurvrouw had haar getroost toen ze moest huilen. Naya is opgelucht: deze vrouw weet nog wie zíj was. “In het hoofd van die buurvrouw bestaan we nog. Dat bewijst dat ik hier echt ben geweest.”
Het Damascus dat Ahmad en Naya al Hosain zien, is een stad die opkrabbelt. In een paar maanden tijd zijn er duizenden mensen teruggekomen die een woning zoeken. Er is niet genoeg aanbod. Om de paar uur is er één uur lang elektriciteit – voor de mensen die geen zonnepanelen hebben aangeschaft. Werk dat genoeg betaalt om de huur te voldoen, is schaars. Een neef van Ahmad werkt voor twee euro per dag, hij zou vijf moeten verdienen om rond te komen. “Mensen met een overheidsbaan verdienen niet meer dan 150 euro per maand”, zegt Ahmad. “Ik ontmoette een docent van veertig die vertelde dat hij nog nooit naar een restaurant was geweest.”
Buiten de stad is de armoede nog groter. Ahmad en Naya reden zesenhalf uur naar zijn moeder, haar oma, in Deir ez-Zor. Je komt er alleen via de “dodenweg”: een weg waar zoveel gaten en scheuren in zitten dat je de hele tijd doef-doef-doef hoort. De stad, flink geraakt door de burgeroorlog, was jarenlang goeddeels ingelijfd door het kalifaat van terreurgroep IS. Nog steeds dragen veel vrouwen er zwart, valt Naya op.
Naya en haar oma in Deir ez-Zor, zesenhalf uur rijden van Damascus.
Als ze haar oma ziet, moet ze huilen. Tientallen neefjes en nichtjes staan eromheen en maken filmpjes. De meesten waren nog niet eens geboren toen Naya Syrië verliet. Twee van hen zijn vernoemd naar Naya en haar broer. Van alle kippen, konijnen, honden en koeien die vroeger op haar oma’s boerderij leefden, is nog maar één koe over, de rest is gestolen of dood. Een deel van de kinderen is niet naar school geweest, omdat IS de scholen had gesloten. Eén neef, een jongen van Naya’s leeftijd, is “best wel extremistisch” geworden, merkt ze als ze met hem praat.
Deir ez-Zor was een mooie stad, herinnert Naya zich, met winkels en markten. Er is niets van over. Er staan nog wat overblijfselen van gebouwen, de straten zijn leeg. Mensen die haar vader daar kende, wonen er niet meer.
Op de weg terug naar Damascus rijden ze langs Palmyra – een van de plekken op Naya’s lijst. Voor de ingang van het historische park staan een paar kinderen, die aan Ahmad vragen of ze een rondje in zijn auto mogen rijden. Verder is er niemand te bekennen. Er staan nog een paar pilaren van de ruïnes overeind, een oude tempel, maar ze weet dat er vroeger meer stond. Een aantal van de belangrijkste monumenten is door de militanten van IS opgeblazen.
Natuurlijk had Naya het fijn gevonden als haar vader net als zij in Nederland was gebleven. Maar ze ziet dat zijn creativiteit is teruggekomen, al meteen na zijn eerste bezoek aan Syrië. Hij werkt nu aan een boek over wat sinds de val van Assad in Syrië is gebeurd. “Vanaf het moment dat ik Damascus terugzag, stond het boek geschreven in mijn hoofd”, zegt Ahmad.
Op straat in Damascus wordt hij herkend. Bij de Belgische wafelkraam – “ja, die heb je hier ook” – gaf de uitbater hem een gratis wafel, omdat hij hem op televisie had gezien. Iemand die langs hem liep, vroeg hem om een foto. Nu hij terug is, wordt hij weer drie of vier keer per week gevraagd als commentator in Syrische tv-shows. Hij is net benoemd tot voorzitter van de Arabische Schrijversbond in Syrië.
Een paar weken na zijn terugkomst liep Ahmad alleen over straat. Het was in de buurt van de Al-Hamidiyeh-soek, de grootste winkelstraat van Damascus. “Heee, hoe gaat het?”, hoorde hij iemand in het Nederlands zeggen. Hij keek op en zag een meisje met haar telefoon aan het oor. Hij zwaaide naar haar, en toen ze klaar was met bellen zei hij dat hij óók uit Nederland komt. Voor hij het wist, zei hij haar dat hij in Amsterdam woont. Zelf woont ze in Zwolle, vertelde ze hem. Ze was in Syrië op zomervakantie.
Toen hij haar hoorde spreken gebeurde er iets in zijn hart, zegt Ahmad. “Ik dacht dat ik klaar was met Nederland. Maar toen ik háár hoorde praten dacht ik: iets in mij ís Nederland.”
Sinds de val van dictator Bashar al-Assad in december, zijn ongeveer 720 Syriërs die in Nederland verbleven teruggekeerd met de hulp van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV). Dat zijn mensen die bijvoorbeeld een tijdelijke verblijfsvergunning hadden (ongeveer 210) of een lopende asielaanvraag (ongeveer 330). Ahmad al Hosain heeft een Nederlands paspoort, waardoor hij zijn vertrek niet bij een Nederlandse overheidsinstelling hoefde te melden. Hoeveel Syriërs met een dubbel paspoort al terug zijn gegaan, is bij DTenV niet bekend.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC