Dierentuin Voormalig dierenoppasser Marjo Hoedemaker woont al 65 jaar in Dierenpark Amersfoort. „Onze eerste jachtluipaarden kregen we van een auto-importeur.”
Marjo Hoedemaker bij een medebewoner van Dierenpark Amersfoort.
Niemand in Nederland kan zeggen dat ’ie vanuit zijn huiskamer uitzicht heeft op twee brilberen, behalve Marjo Hoedemaker (79). Al 65 jaar woont hij in Dierenpark Amersfoort. Als de beren uit de Andes in de bomen klimmen, staat hij op ooghoogte met hen.
Hoedemaker was nog maar veertien jaar toen hij kwam wonen boven het theehuis dat destijds in de dierentuin stond. Zijn eerste bed was niet meer dan een veldbedje, maar hij wist meteen dat hij er nooit meer weg wilde. Een leven met buren in een woonwijk is hem vreemd.
„Hier liepen vroeger jonge chimpansees met luiertjes om”, vertelt Hoedemaker in de huiskamer van zijn bovenwoning. „Mijn vrouw bracht ze met de fles groot. Soms sliepen ze tussen ons in in bed.”
Andere tijden. Hij wil ze absoluut niet terughalen maar is o zo blij dat hij ze heeft meegemaakt. Er zijn zwart-witfoto’s waarop hij een leeuwenmannetje knuffelt; het beest – ook grootgebracht met de fles – staat op zijn achterpoten en heeft zijn voorpoten gebroederlijk op de schouders van de jonge Marjo gelegd. En we zien hem lopen met jachtluipaarden aan de riem. Als hondjes werden ze uitgelaten in het park, net als de tijgers.
„Wat je nu hoort zijn de monniksparkieten”, vertelt hij als we zijn gebruikelijke avondronde lopen. De volière staat pal naast zijn huis, er zitten 150 vogels in. Ze kwetteren tot de duisternis valt, dan gaan ze op stok en wekken ze hem en zijn echtgenote Liesbeth weer bij het krieken van de dag.
Het zijn de geluiden waar Hoedemaker aan gewend is, net als het gebrul van de leeuwen in de nacht en het hoge krijsen van de apen. Na zijn pensionering sliep hij nog jaren met de diensttelefoon naast zijn bed, maar sinds de bewaking is overgedragen aan een officieel beveiligingsbedrijf, hoeft dat niet meer. Hoedemaker, klein van stuk, grijs baardje, lachrimpels naast de ogen: „Eigenlijk doe ik in de dierentuin niets meer, behalve elke dag de vissen voeren. Alleen als iemand belt dat er ergens een alarm is afgegaan, ga ik natuurlijk nog wel kijken.”
We zijn op weg naar de vijver met de koikarpers. 250 stuks zitten er, en ze zijn de enige dieren die nog door bezoekers gevoerd mogen worden. Werp een muntje van vijftig cent in de automaat en je krijgt een handvol korrels. Hoedemaker vult na sluitingstijd de automaat bij en gooit een extra emmer vissenvoer in de vijver. Ook de steuren van wel een meter lang krijgen te eten.
„Als je vroeger hier liep, ijsbeerden de olifanten langs het gaas omdat ze een pinda hoopten te scoren. Bedelgedrag. Dat gebeurt al lang niet meer. Dierentuinen hebben in de ruim zestig jaar dat ik meedraai een enorme ontwikkeling doorgemaakt en dat is maar goed ook. Verzorgers stoppen nu voer in hoge manden waar de olifanten het zelf uit moeten vissen, dat houdt ze bezig en sluit veel beter aan bij hun natuurlijke gedrag.”
Als jong ventje zei hij al tegen zijn vader dat hij later olifantenoppasser wilde worden. Dat kwam zo: pa had een bakkerij in Arnhem en dierentuin Burgers’ Zoo was afnemer van oud brood. Marjo, die vaak meeging met de bezorging, zag in de dierentuin eens een man in een overall voorbijlopen met twee olifanten gedwee achter zich aan. „Ik vond dat zo indrukwekkend, dat die grote dieren luisterden naar die veel kleinere man.” De dierenliefde zit hem in het bloed, ook voor honden en paarden heeft hij al zolang hij zich kan herinneren een grote fascinatie.
Toen hij twaalf was, vroeg hij de directrice of hij in Burgers’ Zoo mocht komen werken. Dat mocht, hij begon met paden vegen en poep scheppen. Thuis verzamelde hij al dierenplaatjes en in zijn vrije tijd werkte hij aan een collectie dierencuriosa – denk aan schedels van paarden die hij zelf uitkookte en aan eigenhandig opgezette eekhoorns.
Op zijn dertiende besloten zijn ouders te verhuizen naar Bussum. In Burgers’ Zoo kreeg hij een leeuwenvel als afscheidscadeau.
„We verhuisden op een maandag, en op woensdag ben ik 21 kilometer van Bussum naar Amersfoort gefietst om daar naar de dierentuin te gaan. De zaterdag erop mocht ik al terugkomen om te helpen.”
Hoedemaker is even afgeleid door het gedrag van een van de Aziatische olifanten in het verblijf achter ons. Het dier knielt op één knie en strekt haar slurf helemaal uit zodat ze op haar langst is. Zo kan ze net bij de onderste blaadjes van de bomen.
Hoedemaker, opgewonden: „Dit heb ik haar nog nooit zien doen! Wacht, ik maak even een foto. Het is toch fantastisch dat ik nog elke keer unieke dingen zie.”
Hoedemaker en zijn vrouw hadden vaak jonge chimpansees over de vloer.
Marjo Hoedemaker is bijna tachtig, zijn vrouw Liesbeth 77. Ze hebben bewust geen kinderen, omdat ze al genoeg dierenkroost hadden om voor te zorgen.
Lang verhaal kort: Hoedemaker mocht blijven logeren in de dierentuin in Amersfoort zodat hij niet elke dag twee keer 21 kilometer hoefde te fietsen en hij werd de olifantenoppasser die hij zo graag wilde zijn. Daarna oppasser van nog veel meer dieren en uiteindelijk manager van alle Amersfoortse oppassers bij elkaar. Tegelijkertijd deed hij de inkoop voor de souvenirwinkel of een stukje pr, zaagde hij bomen om en handelde hij namens de dierentuin in dieren.
„Overigens gebeurt dat handelen al lang niet meer, maar in de jaren zestig en zeventig verdiende een dierentuin daar een aardige duit aan. We verkochten kamelen of apen aan circussen, dat mocht toen nog. Tegelijkertijd namen we dieren op die ons werden aangeboden. Onze eerste jachtluipaarden hadden we gekregen van een auto-importeur die het park een warm hart toedroeg en ik herinner me dat er eens een vrouw met twee kleine chimps kwam aanzetten. Ze lagen in een kinderwagen en droegen jurkjes.”
Er stond ook eens een chimpansee, Cockie, te wachten in Amsterdam om door Hoedemaker te worden opgehaald. De aap had jaren ingewoond bij een dame van lichte zeden en was net als zij verslingerd geraakt aan drank en sigaretten. Op de achterbank reed de aap mee naar Amersfoort.
Zo was het dierenbestand een bonte verzameling individuen waar de dierenoppassers en de directie zo goed mogelijk voor probeerden te zorgen. Pas later, vanaf de jaren tachtig, gingen dierentuinen steeds meer met elkaar samenwerken, kwam er meer aandacht voor degelijke stamboeken en veranderde de missie van de bedrijfstak. De nadruk ligt nu veel meer op educatie en natuurbehoud. Er zijn internationale samenwerkingsverbanden en Hoedemaker is namens de EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) mentor van een aantal dierentuinen in het oostelijke deel van het continent. Vorige maand was hij nog in Georgië om collega’s te adviseren over de modernisering van hun dierenverblijven en hij hangt regelmatig aan de telefoon met verzorgers in het Oekraïense Charkiv om aan te horen hoe de oorlog de nieuwe dierentuin in de problemen brengt. „Heel veel dierentuinen in Europa hebben geld ingezameld zodat de Oekraïners hun dieren kunnen blijven voeren”, vertelt hij. „Maar we hebben ook een noodplan besproken. Wat als er echt geen eten meer is? Dan ga je kijken of er bijvoorbeeld oude bokken zijn die je aan de roofdieren kunt voeren.”
Met commentaar dat zoiets ‘zielig’ is, kan hij niet zo veel. Selectieve verontwaardiging, noemt hij dat. Vlees eten door mensen vindt hij over het algemeen een stuk zieliger, omdat je vaak niet weet waar de biefstukken op je bord vandaan komen. Dieren in de dierentuin hebben naar zijn mening een beter leven dan die in de bio-industrie.
Vroeger sliepen er weleens babychimpansees tussen Hoedemaker en zijn vrouw in.
Als dierentuin kun je maar het beste transparant zijn in de keuzes die je maakt, is de opinie van Hoedemaker, ook al leidt dat steevast tot kritiek uit de maatschappij. Deze zomer was er ophef over de Zoo Leipzig die drie tijgerwelpjes had laten inslapen omdat de moeder ze verwaarloosde. Konden ze niet met de fles grootgebracht worden? Waarom was er geen geboortebeperking?
Hoedemaker snapt die reacties allemaal, maar begrijpt vooral de keuze van Leipzig. „Voor een groep dieren is het natuurlijk gedrag om geregeld jongen te krijgen. En als een moeder er niet voor kan zorgen, heeft dat een reden. Ze is bijvoorbeeld nog niet ervaren genoeg, zoals in Leipzig het geval was, dan gaat de volgende worp waarschijnlijk wél goed. Of er is iets met de jongen wat wij niet kunnen zien, een afwijking wellicht. De welpen euthanaseren is dan humaner dan ze laten doodgaan van de honger. Wat mij raakt is dat dierenverzorgers vaak meteen worden neergezet als dierenbeulen, terwijl dit een enorm ethisch dilemma is waar intern lang over gesproken zal zijn.”
Hij is vaak genoeg in Afrika geweest om te weten dat de natuur hard is. Jaarlijks bezoekt hij het Krugerpark, deze winter gaat hij zelfs twee maanden.
„Dan kijk ik alleen maar. Je ziet toeristen stoppen bij een waterplas en meteen weer wegrijden als ze niet meteen een dier zien. Maar als je een tijdje blijft staan, zie je de ene na de andere soort voorbijkomen om te drinken.”
Hoedemaker is er even bij gaan zitten. Vanaf een bankje kijken we naar de geelborstkapucijnaapjes die over touwbruggen hollen en op palen zitten. De vraag hoelang hij in zijn bovenwoning in het dierenpark kan blijven wonen is de eerste waarop de snelle prater niet direct een antwoord heeft. Hij is bijna tachtig, zijn vrouw 77. Ze hebben bewust geen kinderen, omdat ze in hun vruchtbare jaren vonden dat ze al genoeg dierenkroost hadden om voor te zorgen.
„Toen ik in 2023 moest revalideren na een operatie aan mijn hart, hebben collega’s van het park in mijn huis overal extra trapleuningen gemonteerd”, antwoordt Hoedemaker na een tijdje. „En de arts zei na de ingreep dat ik er weer twintig jaar tegen kon. Dus ik denk dat we hier voorlopig kunnen blijven wonen.”
Hij wil nog zoveel. Ook reizen maken en zoveel mogelijk dierentuinen bezoeken over de hele wereld, want dat is wat hij doet in zijn vrije tijd. Laatst las hij over een bijzonder project in de dierentuin van Zürich dat pas in 2035 klaar is. „Toen dacht ik: dat wil ik gewoon nog met eigen ogen zien.’
Hij houdt zichzelf fit door zo veel mogelijk te lopen. Niet alleen door het park maar ook rondjes over de parkeerplaats – als zijn stappenteller zegt dat hij nog niet aan zijn streefafstand zit.
„Kom, we gaan naar de leeuwen”, zegt hij als hij weer opspringt. Vroeger sliepen die ’s nachts in houten kisten in een binnenhok, allemaal apart. Dat is gelukkig al lang niet meer zo. De twee vrouwtjes en een mannetje liggen nu kalm op een rots in hun buitenverblijf terwijl een van de welpjes nieuwsgierig naar het raam komt om de late bezoekers te bekijken.
„Alle dieren kunnen 24 uur per dag zelf kiezen of ze naar buiten of naar binnen gaan. Behalve de parelhoenders. Die gaan naar binnen omdat ze anders ten prooi kunnen vallen aan een vos.”
„Het is toch fantastisch dat ik nog elke keer unieke dingen zie”, zegt Hoedemaker.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC