Misbruik Eén op de vijf mannen krijgt te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Jochum Veenstra vraagt zich af waarom we zo weinig horen van mannelijke slachtoffers.
Het duurde twintig jaar voordat ik het woord ‘slachtoffer’ over mijn lippen kreeg. Over de seksuele handelingen die ik als kind onderging, sprak ik lang niet in termen van misbruik. Hadden mijn mannelijke vrienden en ik het over eerste seksuele ervaringen, dan zei ik trots: „Ik win. Op mijn elfde had ik al een soort van seks.”
Doordat ik er stoer over deed, durfde niemand door te vragen en kon ik verdoezelen dat de ‘sekspartner’ een volwassene was. Pas rond mijn dertigste deed ik eindelijk een poging om het gewicht van het misbruik serieus te nemen.
Als kind was ik doodsbang geweest en had ik het seksueel geweld verstijfd van angst doorstaan. Naast schuldgevoel en schaamte over de bevriezingsreactie vond ik het moeilijk om eerlijk te zijn omdat ik bang was voor de consequenties. Zouden vrienden met kinderen mij nog bij hen thuis uitnodigen als ze wisten dat ik een misbruikverleden had? Ik was bang voor de hardnekkige misvatting dat mannen die als kind misbruikt zijn later automatisch dader worden. Of hoe zou het mijn relaties beïnvloeden: welke vrouw wil een partner met een seksueel trauma? Van mannen wordt verwacht dat ze het initiatief nemen, niet dat ze kwetsbaar zijn in bed.
Om niet als traumapatiënt weggezet te worden, vervormde ik het verhaal. Toen ik er voor het eerst zonder stoerdoenerij over sprak, vertelde ik het alsof ik verliefd was geweest op de 21-jarige man. Zo kon ik doen alsof ik zelf initiatief had genomen en controle had over de situatie. „Ik herken wat je zegt”, zei de vriend aan wie ik het opbiechtte. Hij begon over fantasieën die hij rond dezelfde leeftijd had: „Ik masturbeerde weleens terwijl ik dacht aan volwassen vrouwen.” Zonder dat hij ernaar vroeg, presenteerde ik plompverloren wat er bij mij was gebeurd: de vingers van de man raakte mij op plek x aan, zijn mond op plek y. We analyseerden de situatie: „Nee, als je verliefd was en geen ‘nee’ zei, dan kon het onmogelijk écht kindermisbruik zijn.”
Hij en andere mannelijke vrienden die volgden, corrigeerden mij niet en zeiden niet dat ik niet verantwoordelijk was voor wat ik als elfjarige meemaakte. Niemand benoemde de zorgrelatie tussen de volwassene en mij als kind. Ik werd niet van schuld vrijgesproken. Mijn eigenlijke verlangen om als slachtoffer erkend te worden, bleef onvervuld.
Mijn hele volwassen leven heeft het misbruik effect gehad op mijn seksuele relaties. Als late tiener ging ik met mannen mee die twee keer zo oud waren als ik. Wanneer vrienden vroegen hoe dat was, vertelde ik stoere verhalen waarin ik Andrew Tate-achtig dominant was. Gênante details liet ik achterwege. Meer dan eens werd een man hardhandig tijdens de seks, en één keer gaf ik iemand een stomp om weg te kunnen vluchten.
Toen ik begin twintig was, begon ik te beseffen dat de onenightstands zelden leuk waren. Bovendien merkte ik dat ik vrouwen minstens zo aantrekkelijk vond als mannen. Maar er was een probleem. Als ik seks met een vrouw had, het fijn was en ik ontspande, kreeg ik flashbacks van het misbruik en een paniekaanval.
Pas toen een vriendin me de ruimte gaf om over het misbruik te praten, durfde ik mijn psychische en relationele klachten serieus te nemen. Mede door de #MeToo-beweging sprak zij schijnbaar gemakkelijk over haar eigen nare seksuele ervaringen en de impact daarvan op haar leven. „Misschien heb ik hetzelfde meegemaakt”, zei ik tegen haar. Ze luisterde zonder oordeel en wilde weten hoe ik het had beleefd. Voor het eerst voelde ik dat mijn verhaal er mocht zijn. Het was een opluchting om er eindelijk eerlijk over te spreken, maar tegelijk voelde ik me eenzaam omdat ik dit gesprek niet met mijn beste, mannelijke vrienden kon voeren.
Toen ik las dat één op de vijf mannen ooit te maken krijgt met een vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag, vroeg ik me af wie deze lotgenoten zijn. Waarom horen we zo weinig van mannen die slachtoffer zijn? En hoe begin je zo’n gesprek met je vrienden?
Veel mannelijke slachtoffers van seksueel geweld worstelen met het heersende beeld dat mannen altijd autonoom en assertief moeten zijn. Volgens Iva Bicanic, klinisch psycholoog en directeur kennisontwikkeling van het Centrum Seksueel Geweld, zorgt dat stereotype ervoor dat jongens en mannen meer schaamte en schuld ervaren dan meisjes en vrouwen wanneer hun iets overkomt.
Daar komt het zogenoemde lucky-boy-fenomeen bij: het idee dat een man blij moet zijn met elke seks die hij krijgt. Seksueel geweld waarbij een vrouw de dader is, kan daardoor extra verwarrend zijn. Het stereotiepe beeld van seksualiteit is dat de vrouw iets weggeeft dat de man dankbaar ontvangt. In dat beeld is het haast onmogelijk dat de man slachtoffer is. Toch komt ook dit regelmatig voor. Bij mannelijke slachtoffers van boven de zestien jaar is in een derde van de gevallen de dader een vrouw.
43 procent van alle mannelijke slachtoffers wordt gedwongen om iemand te penetreren. Ongeveer de helft ontwikkelt psychische, seksuele of relatieproblemen.
Volgens Bicanic zullen verhalen over mannelijk slachtofferschap alleen vaker gedeeld worden als ons beeld van seksueel geweld verandert. „Het oude beeld is: iemand houdt je vast en je schreeuwt.” Ze noemt andere vormen van seksueel geweld: „Online, met en zonder fysiek geweld, hands-on, hands-off. Een jongen kan gedwongen worden om porno te kijken, om zichzelf te bevredigen of om een ander te bevredigen.” Ook het cliché van de man in de bosjes klopt niet. „Het is meestal iemand uit onze familie- en vriendenkring.”
De afgelopen maanden sprak ik tientallen mannen die slachtoffer zijn van seksueel geweld. Wanneer ik het onderwerp aansneed op borrels of verjaardagsfeesten, waren er altijd wel één of meerdere mannen die iets wilden delen. De getuigenissen liepen sterk uiteen. Verhalen over betast worden in het uitgaansleven door een homoseksuele man werden het makkelijkst gedeeld. In een verhaal over een vrouw die mannen uit haar vriendengroep betastte, beseften de betrokkenen pas dat het ongewenst was toen ze er als groep over spraken. Ongeveer de helft van de mannen vertelde over een situatie die niet in het openbaar plaatsvond.
Bijna iedereen probeerde mij ervan te overtuigen dat ze geen emotionele schade hadden opgelopen door het geweld. Of dat therapie had geholpen, zodat ze er nog maar zelden aan dachten. Vrijwel niemand, inclusief oudere mannen die als kind waren verkracht, vond het label ‘slachtoffer’ op zichzelf van toepassing. Alleen Gen Z’ers en millennials die jonger dan twintig waren toen ze werden misbruikt, durfden hun verhaal in termen van dader en slachtoffer te plaatsen.
Om de worsteling van mannen om over seksueel geweld te praten onder de aandacht te brengen, interviewde ik een aantal van hen voor de podcast NRC Vandaag. Voor Sandro van der Leeuw (35) duurde het jaren voordat hij kon uitspreken dat hij slachtoffer was van seksueel geweld. „Op mijn twintigste zag ik mijzelf als een mislukkeling omdat ik nog maagd was”, vertelt hij. Toen hij dit tegen een vriendin zei, stelde zij voor om naar een huisfeest van twee homoseksuele mannen te gaan. Aangekomen in de woning en terwijl vrienden in dezelfde woonkamer waren, werd Sandro door de twee mannen uitgekleed. Later namen ze hem mee naar hun slaapkamer. „Eén van de twee heeft toen zijn piemel zonder condoom bij mij naar binnen gedaan. Toen realiseerde ik me pas: dit is niet oké.” Sandro herinnert zich de penetratie alsof hij niet in zijn eigen lijf zat. Hij dissocieerde: „Het voelde alsof ik aan het toekijken was hoe dat gebeurde.”
Hoewel de ervaring traumatisch was, maakte hij er een verhaal van dat paste bij het beeld dat hij wilde uitstralen. „Ik deed er lacherig over en probeerde niet kwetsbaar te zijn.” Het bleek makkelijk om van het seksueel geweld een lucky-boy-verhaal te maken: „Ontmaagd zijn in een trio werd een sterk verhaal dat ik op feestjes vertelde.”
De ervaring had veel effect op zijn seksuele relaties. „Ik dacht dat ik misschien aseksueel was, omdat ik niet op een seksuele manier aangeraakt wilde worden.” Sandro zocht hulp en vond die in groepstherapie. „In die setting heb ik voor het eerst het hele verhaal verteld.” Hij leerde wat dissociatie is en dat hij grenzen mag aangeven. Uiteindelijk vond hij een partner die veranderde hoe hij naar zichzelf en naar relaties kijkt. Zijn ex accepteerde zijn grenzen en gaf daar actief aandacht aan. „Als ik tijdens de seks dissocieerde, konden we stoppen.” Na de eerste keer knuffelden ze. „Ik was op dat moment ook blij dat ik eindelijk anderen kon vertellen dat ik seks fijn kon vinden.”
Olivier Herter (29) schreef Dat het was, een monoloog over seksueel trauma die dit voorjaar werd opgevoerd door ’t Barre Land. Olivier verlegt in het werk de focus van het slachtoffer naar de samenleving: „Mijn wens is dat ik niet hoef te zeggen ‘dit is mijn trauma’, maar dat ik kan zeggen ‘dit is ons geweld’.”
Olivier spreekt bewust op een niet-gedetailleerde manier over zijn verleden, omdat het voor hem hertraumatiserend zou zijn om de details op te lepelen en terug te lezen. „Ik denk dat mijn terughoudendheid komt doordat het voor mij intrusief voelt om over de details te praten. Dan herhaal ik – hoewel woordelijk en niet per se fysiek – de gebeurtenissen zelf, en ontstaat er een vorm van binnendringen. In gesprekken hierover hou ik dus graag controle over het narratief. Dat het was beschrijft de gevoelswereld voor mij treffender dan een omschrijving van de toedracht dat zou doen.”
Voordat het stuk werd opgevoerd, was Olivier bang voor negatieve reacties of om anders behandeld te worden. „Negatieve reacties bleven uit, maar sommigen durfden nauwelijks een gesprek met mij aan te gaan.” Mooie gesprekken had hij onder andere met de toneelspelers van het gezelschap. „Zij durfden eigen ervaringen te delen en zich in mijn verhaal in te leven.”
Voor zijn mentale welzijn was de opvoering belangrijk. „Soms luister ik het hoorspel [van de toneeltekst] terug.” Het markeert een moment in zijn leven: „Het was, is gebeurd en is voorbij.”
De gevolgen van het taboe dat veel mannen ervaren reiken verder dan de individuele slachtoffers. Uit onderzoek van expertisecentrum seksualiteit Rutgers uit 2017 blijkt dat slechts 4 procent van de mannelijke slachtoffers (tegenover 11 procent van de vrouwelijke) aangifte doet van seksueel geweld. Daardoor blijven ze niet alleen zelf kwetsbaar voor verder misbruik, maar kunnen daders ook bij andere slachtoffers hun gang blijven gaan.
Voor slachtoffers zijn er vele redenen om geen aangifte te doen, zegt Bicanic. „Sommigen kunnen wat er is gebeurd niet goed onder woorden brengen en anderen zijn bang voor wraak. Ook hebben niet alle slachtoffers er persoonlijk baat bij dat de dader straf krijgt en willen ze soms liever dat de dader hulp krijgt.” Bicanic benadrukt dat deze redenen voor mannen en vrouwen hetzelfde zijn. Ze vermoedt dat de aangiftebereidheid onder mannen lager is doordat er vaker en meer schaamte en schuld spelen, vanwege het stereotype dat mannen plegers zijn, geen slachtoffers.
Het taboe op mannelijk slachtofferschap kan er volgens Bicanic toe leiden dat mannen hun ervaringen wegstoppen, waardoor zij die niet kunnen verwerken. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er een correlatie is tussen onverwerkt seksueel trauma en daderschap. „Naar schatting gaat 1 op de 25 mannelijke slachtoffers later zelf over de grens. Het is dus een kleine minderheid van de misbruikte jongens die ook pleger wordt.”
Bicanic wijst erop dat de angst om zelf pleger te worden veel slachtoffers belast. „De vrees om over andermans grenzen te gaan, kan zorgen voor een overmatige alertheid. Dat kan de spontaniteit uit algemeen contact halen.”
De cruciale les die ik leerde uit de gesprekken met andere mannen, is misschien de meest voor de hand liggende: het trauma van seksueel geweld is het trauma van geschonden grenzen. Een goed gesprek kan alleen plaatsvinden als die grenzen zorgvuldig worden gerespecteerd.
Bicanic vindt dat in een gesprek tussen vrienden de behoeftes van het slachtoffer centraal moeten staan. „Als je iemand kent over wie je iets vermoedt, dan merk je mogelijk dat er een bepaalde afstand heerst tussen jou en die vriend. Deels moet je die afstand respecteren, want iedereen heeft recht op een geheim.” Mocht je een opening zien om een gesprek te voeren, dan adviseert ze om niet direct naar het seksuele aspect te vragen. Het is namelijk mogelijk dat de ervaring voor het slachtoffer niet seksueel is geweest – zeker als diegene als kind is misbruikt. Vraag of er een ervaring is die in het latere leven een impact heeft gehad op relaties of seksualiteit.
In de gesprekken die ik voerde, merkte ik dat de fijnste uitwisselingen ontstonden als ik eerst mijn ervaring deelde. „Wil je mijn verhaal horen?”, vroeg ik voortaan. Nadat ik mijn ervaring had gedeeld en een gesprekspartner bevestigde dat hij iets soortgelijks had meegemaakt, vroeg ik: „Vind je het goed als ik daar meer over vraag, of laat je het liever hierbij?” Deze eenvoudige aftasting doorbreekt de cirkel van machteloosheid. Niemand speelt de rol van ondervrager of ondervraagde; beiden zijn gelijkwaardige partners. Het voorkomt dat het gesprek onbedoeld een reconstructie wordt en je in een oordelende dynamiek belandt.
Het spannendste aan zelf beginnen met delen, is voor mij de angst dat de ander mijn beleving ter discussie zal stellen. Die angst bleek ongegrond. Als ik duidelijk zei dat ik misbruikt was, durfde niemand mij tegen te spreken. Het beste voorbeeld daarvan is het gesprek dat ik onlangs had met de vriend die ik jaren geleden als eerste in vertrouwen nam. Dit keer vertelde ik hem dat ik vanwege het misbruik naar een psycholoog was geweest. De dynamiek tussen ons was anders dan de eerste keer. Nu was er ook ruimte voor zijn verhaal: hij vertelde dat hij dacht misschien misbruikt te zijn.
Tot slot leerde ik een versie vertellen waarin ik de meest grafische beelden achterwege liet. Niet omdat die details voor mijzelf onbelangrijk zijn, maar omdat ze anderen kunnen triggeren en niet noodzakelijk zijn om de essentie van de ervaring te vangen. Seksueel geweld gaat zelden alleen over de seksuele handeling zelf. Het gaat over het verlies van autonomie en over de langdurige impact op je zelfbeeld en je relaties.
Nu ik veel mannen spreek die een #MeToo-verhaal hebben, lukt het me om te accepteren wat mij is overkomen. Het uitwisselen van verhalen zorgt ervoor dat ik me minder eenzaam voel: er zijn heel veel mannen zoals ik.
Uiteindelijk kijk ik niet anders naar wie ik ben. Wat er in mijn jeugd is gebeurd, heeft me getekend. Jarenlang probeerde ik dat te verbergen door me assertief voor te doen. Nu ik open ben over wat er is gebeurd, lukt het me steeds meer om echt een zelfverzekerde en trotse man te zijn.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC