Home

Hoofdeconoom Triodos Hans Stegeman: ‘We zijn verslaafd aan groei’

Het Uur Hans Stegeman is hoofdeconoom bij Triodos en waarschuwt al jaren dat de klimaatcrisis om een nieuw economisch systeem vraagt. In Het Uur spreekt hij met Pieter van der Wielen over de mythe van groene groei en zijn radicale alternatief: ontgroeien.

Volgens Hans Stegeman, hoofdeconoom bij Triodos Bank, vraagt de klimaatcrisis om een nieuw economisch systeem. Het is tien jaar geleden dat de Parijse akkoorden zijn getekend en de klimaatdoelen voor 2030 lijken buiten bereik te liggen. Kortom: de tijd dringt. Het roer moet om. 

Stegeman spreekt over de mythe van groene groei en zijn radicale alternatief: ontgroeien. Maar hoe krijg je mensen zo ver in een samenleving die al 200 jaar fossiel verslaafd is en waarin groei heilig lijkt?

Kijk hier het hele interview

Luister hier het hele interview

Over dit artikel

Dit is een voor de leesbaarheid geredigeerde versie van het gesprek dat Pieter van der Wielen voerde met Hans Stegeman in Het Uur, de wekelijkse interviewpodcast van NRC. Luister en volg Het Uur via nrc.nl, de NRC Audio-app of een ander podcastplatform. Het Uur is ook te bekijken op YouTube.

Het is tien jaar geleden dat de Parijse akkoorden zijn getekend. Ik geloof dat we al die doelen niet gaan halen.

„Nee, dat zou miraculeus zijn als dat alsnog gaat lukken.”

Dat was toen een hele plechtige, grote belofte. Die werd overal gevierd en nu moeten we gewoon met teleurstelling vaststellen dat we gefaald hebben. Kortom, het roer moet om. Was jij altijd in de wieg gelegd om econoom te worden? Of was je eerst idealist en dacht je toen: ik moet het systeem bestuderen?

„Ik denk dat ik daarvoor in de wieg ben gelegd, maar ik ben wel opgevoed met het idee van je moet iets goeds proberen te doen met je talenten. Dat ik econoom ben geworden lag niet in de lijn met waar mijn familie iets mee had.

Vaak zijn mensen die voor economie kiezen wat meer rechts. Het zijn juist weer mensen die iets met geld hebben of geloven in het systeem.

„Ik zat bij dat kleine clubje dat niet koos voor het alleen maar bestuderen van bedrijven en bedenken hoe je winst moest maken, maar bij het clubje dat probeerde te bedenken hoe een economie in elkaar zit en hoe dat werkt.”

Je noemde al je familie, die toch wel zeiden van: je moet iets goeds doen, iets voor de wereld. Dat klinkt idealistisch.

„Mijn ouders zaten in het onderwijs, dus die hadden zoiets van: alles wat commercieel is, daar moet je niet aan meedoen. Dat heb ik wel meegekregen.”

Dus geld stinkt wel een beetje?

„Ja, geld stinkt wel. En aan de andere kant was solidariteit belangrijk. Mijn vader was gymleraar en die is daarna bij de vakbond gaan werken, gedreven door solidariteit. Met je medemens bezig zijn. Mijn opa was een klassiek socialist. Die zat in de gemeenteraad en die had een heleboel boeken. Ik las alles wat in huis was. En dus ik heb ook al die boeken gelezen over de jaren dertig, over de bittere armoede.”

Waarom las je opa die boeken over de jaren dertig?

„Mijn opa en oma, die woonden in Friesland in de jaren twintig, dertig. De vader van mijn opa was al vroeg overleden, dus dat was echt armoe. Hij had het geluk dat hij wel een opleiding kon genieten, omdat hij wel naar school kon door een rijke oom. Zij zijn vanwege de armoede uiteindelijk naar Twente gegaan. Daar is hij gaan werken bij machinebouwer Stork en daar is hij langzaam opgeklommen. Het is een heel klassiek socialistisch verheffingsverhaal.”

Wanneer is het bij jou gaan dagen dat de theorie en praktijk misschien niet altijd hand in hand gaan in de economie?

„Ik studeerde in Maastricht en toen zei een van de hoogleraren tegen mij van: „Hey, jij moet ook een keer rechts leren denken.” Dat opende mijn ogen. Ik ben blijkbaar best wel normatief in hoe ik kijk naar de economie. Ik heb een onderliggend wereldbeeld wat blijkbaar politiek is in de ogen van deze hoogleraren. Dus misschien moet ik meer open staan.

Maar de andere kant is natuurlijk ook hetzelfde: als ik dat heb, dan heeft iemand anders dat ook. Er is geen neutraliteit in economie en dat wordt wel zo weergegeven. Zo van: economie is toch een soort van waardevrije wetenschap. En dat is geen politiek. Nou, dat heb ik dus heel lang ook zo gelaten. Pas later, toen ik bij de Rabobank werkte, toen dacht ik: eigenlijk is het wel raar om me heel druk te maken in macro modellen terwijl er gewoon echte mensen zijn.

Het was in de financiële crisis van 2007-2008 waar ik dingen zag die niet stroken met het model. Sterker nog, ik kan die hele financiële crisis zoals die gebeurd is niet eens in mijn model zetten, want dan loopt mijn model vast. Dus iets klopte hier niet: of de werkelijkheid of mijn model. Ik kreeg een intellectueel onbevredigend gevoel. En als je dan kijkt naar duurzaamheid en klimaatverandering. Waarom zit dat überhaupt niet in onze modellen? Waarom zien we niks van onze natuurlijke omgeving in de definitie van de economie? En waarom heb ik daar bijna niks van gehad tijdens mijn studie?”

Alles gaat over waarden en schaarste. En toch stoppen we heel veel niet in die modellen. De waarde van het bos bijvoorbeeld. Het hout heeft een prijs, maar het bos niet.

„Nee, maar de economen losten dat vrij eenvoudig op met een aantal aannames. Als iets schaars wordt, wordt het duurder.”

De prijs zal het wel oplossen.

„Dan is de verdedigingslinie van economen die zeggen van: „Ja, maar het is niet dat de theorie verkeerd is. Het zijn beleidsmakers die het niet goed doen.” Maar macro-economische modellen zijn geschat op de relaties uit het verleden. En als de werkelijkheid zo anders is dan het verleden, dan kloppen die verbanden niet meer.”

Groei was heilig, dus groei is heilig. Geloof jij in groene groei? Want ik heb het nu toch alweer een paar lijsttrekkers horen zeggen. Dat is natuurlijk een mooie belofte: we gaan een omelet maken en gaan de eieren bewaren. Kan dat eigenlijk? Kan je groen groeien?

„Daar moet ik heel zorgvuldig antwoorden. Op sommige plekken, bijvoorbeeld bij CO2. Daarbij kun je de negatieve effecten op de leefomgeving zodanig reduceren dat we wel kunnen groeien, terwijl we wel binnen de planetaire grenzen kunnen blijven. Dus dat we kunnen ontkoppelen. Dus we zien de CO2-uitstoot in Nederland dalen terwijl de economie groeit. Maar die ontkoppeling die we dan hebben, die gaat niet hard genoeg om de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen.

Maar als het gaat over biodiversiteit, verlies en over andere effecten op onze leefomgeving, grondstoffengebruik, dan is er totaal geen bewijs dat dat kan. En het is ook heel logisch, want elke economische activiteit gebruikt iets. Altijd heb je een materiële component aan economische activiteit.”

Hans Stegeman: "Willen we in Nederland staal produceren?"

Dus het gaat er niet alleen om dat we de overlast minder snel moeten laten groeien, maar de groei moet eraf.

„Dat is superongemakkelijk natuurlijk, want ons systeem is gebouwd op economische groei. We hebben een systeem gecreëerd, het enige systeem wat groei nodig heeft om gezond te kunnen voortbestaan. Met kanker en andere dingen wordt op een gegeven moment groei vaak kwaadaardig. Nou, als je kijkt naar ons economisch systeem hebben we dat nodig, want bedrijven worden daartoe gedwongen. Die worden gedreven door een winstprikkel, door steeds efficiënter te zijn.”

Alles heeft groei nodig. Maar als we dus één kwartaal geen groei hebben, dan noemen we het stagnatie. Of dan wordt het recessie en dan wordt het zelfs crisis. Dus krimp is ontzettend slecht. En groei dan? Dan zijn we tevreden.

„Aan de ene kant is er altijd het individuele verhaal van mensen. Maar mensen hebben groei nodig om gelukkig te zijn. We worden gedreven door vooruitgang. En vooruitgang is groei, dus dat is iets goeds voor ons allemaal.”

Dat is bijna een psychologisch fenomeen.

„Ja, dat is wat je vaak hoort ter verdediging. Maar daarvan wil ik zeggen voor het grootste deel van de westerse samenleving, en zeker voor een land als Nederland, hebben we niet zoveel extra materiële spullen nodig. We hebben eigenlijk genoeg.”

Hans Stegeman: "Als je mensen vraagt wat ze belangrijk vinden is het nooit: spullen kopen."

Je levensgeluk neemt niet toe met meer economie. We hebben een groeiverslaafd systeem gecreëerd. Wat is groei eigenlijk? Dat is misschien een hele domme vraag.

„Nee, dat is een hele belangrijke vraag.”

De toename van het bruto binnenlands product. Op dat niveau snap ik het. Maar hoe ziet het er eigenlijk uit? Ik las bijvoorbeeld dat de helft van de economische groei in de Verenigde Staten van de laatste veertig jaar of zo naar de top-1 procent is gegaan.

„Ja, en eventjes terug naar het verleden. De definitie van economische groei of van bruto binnenlands product komt eigenlijk voort uit de exercities die in het interbellum in de jaren dertig zijn gedaan om meer grip te krijgen op hoe een economie werkt en hoeveel er geproduceerd kan worden. Na de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw is dat systeem van de nationale rekeningen, waar het bruto binnenlands product het grootste deel van is, is geëxporteerd met Marshallhulp. Ik denk ook dat dat er toe heeft bijgedragen dat we zo welvarend zijn geworden. Dus economische groei is niet altijd slecht. En waarom zou je het in die tijd ook hebben over grote milieuproblemen als die totaal onzichtbaar zijn en de schaal van de economie zo onvergelijkbaar kleiner was dan dat die nu is. Dus economische groei was goed om om mensen welvarender te maken.”

Het heeft ons gebracht waar we nu zijn en zo slecht is het niet. We maken het even concreet. Het ene jaar heb je een heerlijke kop koffie en dan denk je volgend jaar wil ik er twee. Want volgens de definitie van economische groei is dat geluk. Dat je meer krijgt. Of een koekje ernaast, want zo groot is die economische groei helemaal niet. Maar daar tegenover staat klimaatverandering. En dat blijft toch een beetje een abstract spook. Het is allemaal heel erg, dat weet ik en ik ken alle doemscenario’s van vloedgolven en bosbranden en orkanen en die zie ik ook wel op het nieuws. Maar als je het vertaalt naar je eigen situatie, heb je vaak toch een idee van een zekere abstractie.

„En sterker nog, je zou ook kunnen beargumenteren dat zeker in een land als Nederland, dit misschien de beste tijd ooit is om te leven. Het is hier toch iets warmer en we hebben bijna geen insecten waar we last van hebben. Er zijn een heleboel voordelen die je wel ervaart, terwijl de nadelen inderdaad abstracter zijn. En dat is ook de tragiek. Ik heb dat ook geprobeerd in mijn proefschrift uit te leggen. Dit zijn echte kantelpunten. Wij zijn als mensen zijn niet gewend om te gaan met niet-lineaire ontwikkelingen. Dat hebben we ook gezien tijdens de coronapandemie. Exponentiële groei, daar kunnen we nauwelijks mee omgaan.”

Als iets ineens heel hard gaat.

„En dat is natuurlijk ook wat we zien bij klimaatverandering, maar we zagen we ook zo’n kantelpunt van de week nog bij koraalriffen, bij het verzuren van oceanen. De waarschuwingen zijn er al lang, de bewijzen zijn er al lang, maar we zien nog helemaal niet zelf wat er gebeurt en dus doen we niks.”

Het is alsof ik dit glas water naar de kant van de tafel beweeg, dan kan ik heel lang zeggen: nou zie je, het gaat goed. Maar er komt een punt dat hij er gewoon in één keer vanaf valt. Ja, dat is een kantelpunt.

„Dan kom je net over het punt dat het verkeerd gaat. En dan gaat het allemaal ook op zo’n manier verkeerd dat je het niet meer kan corrigeren. Dus jouw glas water valt meteen kapot.”

Het zal niet geleidelijk van de tafel vallen.

„En dat zie je ook heel erg in beleid dat we toch een soort voorspelbare rust denken te hebben. Het gaat veel meer over disruptieve veranderingen die we juist helemaal niet in de hand hebben. We hebben het over ecologische. Kantelpunten zijn ook sociale kantelpunten waar opeens enorme verschuivingen in de samenleving kunnen optreden, waar opeens ander gedrag het dominante gedrag is. En daar heb je dan niet eens een meerderheid voor nodig, maar een substantiële minderheid.”

Zoals, in mijn herinnering althans, ineens iedereen een mobiele telefoon had.

„Ja, of een elektrische fiets.”

Je bent een jaar op vakantie geweest, bij wijze van spreken, komt terug en het heeft zich voltrokken.

„Ja, of denk terug aan de eerste maanden van de coronapandemie. Waar het toch ineens heel makkelijk was om gedragsverandering voor elkaar te krijgen. Als je mensen in actie wil krijgen, dan helpt het soms wel om normverandering eerst proberen te stimuleren. Maar op een gegeven moment kan dat dominant worden en kan een hele samenleving omslaan in ander gedrag.

Maar het kan ook verkeerd gaan. Als je te snel wil en te hard en druk bent en te technocratisch. Zoals we voor een deel klimaatverandering hebben aangepakt met allemaal wet- en regelgeving en doemscenario’s. Zeggen: jij moet dit doen. Een deel van de mensen krijg je dan mee, de mensen die dat ook kunnen betalen en het allemaal prima vinden. Maar de weerstand aan de andere kant wordt ook groter. Dat noemen we dan tegenwoordig polarisatie. Maar dat zijn niks anders dan twee kantelpunten of twee groeperingen die tegen elkaar inwerken, waardoor het uiteindelijk de vraag is welke norm gaat winnen.”

Je hebt als model in bedrijven van 25, 50, 25. 25 procent is in voor verandering, 25 gooit de kont tegen de krib. Die gaan muiten. Die moeten er niks van weten. En 50 houdt zich een beetje op de vlakte en kijkt wel welke stroming, wind of welke kant het op gaat. Hoe krijg je dat midden mee? Moet je het juist heel concreet maken? Hoe moet je zeggen van: „Ook jouw huisje gaat eraan”?

„Ja, ik denk steeds meer dat het besef is ingedaald dat een energietransitie begint met de sociale kant. What’s in it for me? Welk voordeel heb ik er nou van? En dat is heel dicht blijven bij het huidige wereldbeeld. Want we krijgen mensen niet in beweging als we zeggen: „Ja, dat doen we voor de greater good.””

Dus blijven geloven dat mensen in essentie egocentrisch zijn en voor eigen genot gaan?

„Nou ja, dat is een deel wat je moet doen. En de andere kant is dat we het ook moeten hebben over hoe onze economie in elkaar zit.”

Wat als we dat dogma van groei – het is bijna ondenkbaar – maar als we dat er gewoon uit zouden gooien?

„Dan denk ik dat in een land als Nederland dat een ontspannener samenleving kan opleveren. Een van de dingen die je dan kan doen is een basisinkomen invoeren. Minder gaan werken en minder winst maken. Democratisering van eigendom hoort daarbij. Dan krijg je een enorme herverdeling. Dus het is de vraag of dat met de democratie haalbaar is. Maar dat is dan wel het gedachte-experiment. En dan denk ik dat het voor de gemiddelde Nederlander uiteindelijk een veel prettigere samenleving is dan dat we nu hebben.”

Maar je zei net ook: groene groei bestaat niet. Dus daaruit volgt als dat zo is, dat die groei hoe dan ook op een zeker punt zal gaan stoppen.

„Ja, want we hebben een probleem met groei. Al zeker vijftien jaar hoor je bijna elk jaar weer: de economie groeit toch niet zo hard als eigenlijk zou moeten.”

Die cijfertjes zijn best teleurstellend.

„Dat de arbeidsproductiviteit niet zo hard groeit als dat we zouden willen. En we gaan ook nog eens vergrijzen. Ja, dan heb je dus daar al een probleem als je systeem daar afhankelijk van is. Dus wat doe je dan? En dat zien we mondiaal. Dan gaan we steeds meer schulden maken, want met schuld en met meer geld halen we toch weer groei naar voren. Want de toekomst maakt het allemaal wel goed.

Dus we doen er alles aan om dat beest van die economie te voeden om maar niet structureel te hoeven veranderen. Dus dat probleem is er al in het hier en nu, alleen we doen aan uitstel. Hetzelfde met klimaatverandering. Zolang we het niet zien en ervaren gaan we niks veranderen. En alles wordt nog steeds gedaan om dat verder weg te schuiven. Want, en ik ben de eerste om dat toe te geven, een systeemverandering is niet makkelijk en ook niet altijd leuk. En ik snap ook heel goed dat politici het liever hebben over radicaal kiezen voor groei dan radicaal kiezen voor systeemverandering.”

Het is niet een populaire boodschap, maar als ik net de analogie van het glas goed heb begrepen, is het eerder de keus tussen een harde of een zachte landing.

„Europa zou wat mij betreft een toekomst moeten hebben die gaat over brede welvaart of over een samenleving waar het fantastisch leven is. We zijn een van de rijkste continenten, maar dat vraagt wel dat wij ervoor zorgen dat we een circulaire economie hebben, dat we alles wat we hebben beter en langer gebruiken. En een circulaire economie is bij uitstek een strategie die zorgt voor minder groei, maar nog steeds evenveel welzijn.”

Dus een goede jas die niet elk jaar vervangen hoeft te worden. Of een telefoon die niet na twee jaar totaal achterhaald is en aan vervanging toe is.

„En stel dat de economie alleen maar bestaat uit telefoons en alle telefoons gaan opeens in plaats van één twee jaar mee, dan is de economische groei gehalveerd, terwijl wij nog steeds precies dezelfde telefoon hebben. Dan gaan sommige mensen zeggen: „Ja maar dan ontken je technologische vooruitgang. Want ja, we hebben wel elk jaar een betere telefoon.”

Is dat niet zo dan? Want hij wordt toch steeds groter en flitsender met meer functies?

„Ja, maar wat dat toevoegt aan maatschappelijke waarde? Dat wordt niet weerspiegeld in het bedrag wat je voor een extra telefoon betaalt. Dus het is niet maatschappelijk optimaal. Het is vooral winst voor iemand ergens anders en meestal niet in Nederland.”

Zoals onze aandacht wordt gegijzeld door telefoonverslaving omdat daar winst te behalen is. Terwijl mensen eigenlijk zeggen: het was niet zo’n leuke avond, want ik zat de hele avond op mijn telefoon.

„Ja, maar dat is natuurlijk de realisatie van de afgelopen jaren dat wij ook onze kinderen veel te veel op telefoons hebben laten kijken. Dus we zijn dat nu al aan het normeren. Dit is klassiek wat we zien bij technologie. Technologie gaat altijd de eerste richting op waar de meeste winst kan worden gemaakt en pas daarna kan je kijken naar de negatieve effecten en proberen die op te lossen. Dat is hoe de economie werkt.”

Dus eigenlijk moet je een heel nieuw systeem, een hele nieuwe samenleving ontwerpen.

„Wat zou nou mooier zijn als wij in Nederland alvast een beetje kunnen experimenteren met hoe dat in sommige opzichten anders zou kunnen? Dit gaat echt de komende tijd en in de verkiezingen geen rol spelen, maar ik denk dat we daar uiteindelijk niet aan ontkomen, dat we daar meer over moeten nadenken.”

Nou, dat is dus ook wel iets wat je daar zegt. Dit gaat in verkiezingen geen rol spelen. Geen wetenschapper zal ontkennen dat dit een enorm probleem is. En die lijsttrekkers die ook wel in hele idiote formats worden gedwongen, maar ik hoor ze er toch niet over.

„Nee, omdat – en dat wil ik ze niet eens verwijten… Omdat je wordt toch gedwongen in een soort mal van je huidige problemen te zoeken naar oplossingen die dichtbij genoeg liggen. Dan blijft het incrementeel en dan blijf je eigenlijk pleisters plakken.”

Wat bedoel je met incrementeel?

„Dat je alleen maar superkleine stapjes kan maken. Want je moet blijven denken binnen dat kader.”

En je kan nooit een keer er overheen kijken en denken goh, laat ik eens wat groter denken.

„Volgens deze regels gaan we de grote problemen niet oplossen.”

Hoe moeten mensen dat stemhokje eigenlijk in?

„Nou, in deze tijd van verdoemenis waarover je in de kranten leest, snap ik mensen wel…Wat doe je als je bang bent iets te verliezen? Dan ga je conservatief stemmen. Dan ga je stemmen en dan geloof je graag iemand die zegt van: „Hey, komt allemaal goed. We gaan terug naar toen het beter was.” Maar ik denk dat ik mensen wel zou vragen om na te denken of ze dat echt geloven of dat kan. Het is heel geruststellend als iemand je dat gaat beloven. Alleen we zien dat het niet gebeurt. We zien niet dat die partijen die dat beloven dat ook kunnen leveren.”

Maar het is dan ook wel geredeneerd vanuit een soort eigenbelang. Stem je voor jezelf en je eigen lot of stem je voor het land of de wereld?

„Ja, maar als we dat echt zouden doen, voor the greater good stemmen, dan denk ik dat zelfs de meest progressieve partijen nog niet progressief genoeg zijn.”

Want er mag dan wel een tandje bij.

„Ontgroeien is nog maar een slap aftreksel. Maar jouw vraag is: moet je stemmen in het algemeen belang? Ja, dat is dus één van de problemen van het neoliberalisme dat we het vanzelfsprekend vinden, ook politici, om kiezers te zien als een soort klanten. Klanten op een zo slim mogelijke manier moet verleiden om op je te stemmen.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next