Aukelien Weverling In haar nieuwe roman stelt zij het falen van de hedendaagse, wild om zich heen schreeuwende burger aan de kaak.
Lawaaidemonstratie tijdens een coronapersconferentie in 2021. Foto David van Dam
De maskers moesten op tijdens de coronaperiode, maar ergens was die pandemie ook een óntmaskering. Want hoeveel – veelal bekende – mensen verschenen er wel niet in beeld die aan de hand van de wildste theorieën tegen de beperkende adviezen van medische deskundigen in gingen? Om zo veel mogelijk mensen gezond te houden moest je je vooral inhouden, maar daar had niet iedereen trek in. Zoals komiek Louis CK het in een voorstelling verwoordde: „The whole world got told the same thing: if you go out unnecessarily, millions will die. And a lot of us said: ‘oh, I’m going out’.”
Gek zou je worden van zulk soort roekeloosheid, en dat is dan ook precies wat er gebeurt met Frida Overveen in Onder duizend vlaggen, de nieuwe roman van Aukelien Weverling (1977), ook medewerker van deze krant. Het boek is het sluitstuk van een trilogie (eerder verschenen Het land en het voor de Bookspot Literatuurprijs 2018 geshortliste In alle steden), zo las ik op Weverlings eigen site, maar volgens mij is deze nieuwe roman ook prima op zichzelf te lezen.
Frida wordt moeder in de vroege 21ste eeuw en raakt als hoeder over een slim zoontje gedeprimeerd van het moslimfundamentalisme, de klimaatcrisis, de expansiedrift van Poetin, het racisme en alle andere nare ontwikkelingen die haar via de media bereiken. Als gevolg hiervan zinkt ze alsmaar verder weg in een vorm van daderdenken: wie is schuldig aan al deze ellende? Er moeten toch schuldigen zijn?
Belangrijk aan Weverlings omgang met de geest van haar hoofdpersoon is dat de vijand in zekere zin onbenoembaar is en daarmee ongrijpbaar blijft. Het doel van Weverlings schrijven is dus niet zozeer een ontleding van het aloude zondebokdenken waarin een specifieke groep of een specifiek individu de bron van alle kwaad is, maar een weergave van een veel grotere en nog ongenuanceerdere denkbeweging waarin zo ongeveer iedereen schuldig is of kan zijn. In een combinatie van zelfoverschatting en onverbloemde minachting van anderen komt Frida opvallend vaak uit op zoiets als intelligentie en vindt ze het niet te verkroppen dat al die domme mensen niet wat meer verantwoordelijkheid nemen of zich, in het geval van Covid, gedeisd houden.
Hierin laat Weverling ook Frida’s eigen achtergrond een rol meespelen, want ooit was haar (anti-)heldin een begaafd kind dat vanwege dubieuze redenen op een zogeheten LOM-school belandde. Ze had het daar niet naar haar zin, tussen al die kinderen met een beperkt verstand. Het is een thema dat Weverling ook al behandelde in In alle steden, met de slimme Bennie die maar niet verder kwam in de maatschappij omdat zijn ouders niet rijk genoeg waren. Ten onrechte klein gehouden.
Toen Frida zelf een kind was waren er ook wel mondiale bedreigingen, maar haar moeder ging daar toch ontspannener mee om. Of zoals het er droogjes staat in een alinea over de ban-de-bom-tijd: „In het centrum van de stad stromen pleinen vol, mensen dragen borden en scanderen leuzen. Zij [Frida’s moeder, red.] niet. Ze geeft me een sticker waarop een cartoonfiguur tegen een raket trapt. Die plak ik op de deurpost. Ze is niet onverschillig voor de problemen van haar tijd.”
Waar dit Onder duizend vlaggen je goed over na laat denken is zoiets als het collectieve verleren van engagement, van burgers die in ons tijdsgewricht uit een maatschappelijke sluimerstand ontwaken en van de weeromstuit wild om zich heen beginnen te schreeuwen. Waar de moeder de angst nog de baas was door te wijzen op het hebben van „goede bondgenoten” (denk aan de NAVO en dergelijke instituties), daar kan Frida, die in een andere tijd moeder werd, niets met de troost van een transatlantisch bondgenootschap. Er is een nieuwe wereld, een wereld die lijkt te roepen om engagement, maar hoe?
Weverling is zich terdege bewust van het mistasten van een hedendaagse burger als Frida. Let maar eens op haar gebruik van grote, maar tegelijk nietszeggende want vage woorden: waar het een paar jaar terug al ging over „alle” steden, daar woedt er nu een strijd om „duizend” vlaggen. Het is het holle van de galmende orakeltaal, terug te vinden op bijna elke pagina, het is de wanhopende burger die niet weet tegen wie hij zich moet richten.
Beroepslezers waren verre van eensgezind over de stijl die Weverling in haar vorige roman hanteerde. Bennies zinnen, opgetrokken uit een mengeling van spreektaal en een rijk, ontwikkeld idioom, werden door de ene krant weggezet als „gefröbel”, terwijl een andere recensent juist een vreugdedansje maakte omdat ze zo afweken van het „anorexiaproza” dat je in veel andere romans tegen zou komen.
Het is volgens mij verstandig om dit verschil van mening er nog eens bij te halen, omdat je Weverlings stijl niet af kunt doen met een esthetisch argument, met simpelweg zeggen dat je haar zinnen mooi of lelijk vindt. Want Bennie en Frida, die de vertellers van beide boeken zijn, spreken niet om te behagen. Hun spreken mag dan voortkomen uit een weloverwogen keuze van Weverling, ik geloof niet dat het per se ‘mooi’ moet zijn, zoals een regisseur van een film ook niet per se mikt op schoonheid als hij een acteur bijvoorbeeld met een dialect laat spreken.
Nu het probleem: Frida slaat al vanaf het begin, maar zeker richting het einde, vaak volstrekte kolder uit die ook nog eens erg lelijk is. Anders gezegd: Weverlings ambitie om een mentaal ontsporende, zichzelf fundamenteel overschattende verteller neer te zetten is geslaagd. Maar de lezer zit in de dik tweehonderd pagina’s die het boek telt daardoor wel heel veel en best lang naar quatsch te luisteren. Als er eindelijk een einde komt aan een droge zomer, dan dienen zich tornado’s aan die „over het land joegen achter de mens en al zijn scheppingen aan”. Welke menselijke scheppingen kunnen achterna gezeten worden door een tornado? Over corona: „Over een paar jaar zou niemand zich waarschijnlijk meer goed herinneren hoe het allemaal was geweest, maar we zouden wel voortdurend de hapjes geserveerd krijgen uit de snelkookpan die we in die tijd vol begrenzingen gezamenlijk hadden aangezet. En wat er allemaal had staan sudderen zou ons te veel zijn, maar we zouden ons bord leeg moeten eten.”
Het is lelijk, het is gelul in de ruimte, het zijn veel te veel gastronomische metaforen zo kort op elkaar. Weverling vindt dit toch ook? Je zou bijna beginnen te vermoeden dat ze, door er niet voor te kiezen om Frida’s alleenspraak af te wisselen met bijvoorbeeld een slimmere alwetende verteller, het misschien zelf geen lelijke quatsch vindt. Eerlijk is eerlijk: dat zou ik best een ongemakkelijke constatering vinden.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC