Rechtsstaat Strafrechtkenner Ybo Buruma schreef bij zijn afscheid van de Hoge Raad een ambitieus boek waarin hij het begrip rechtsstaat verbindt aan twee eeuwen Nederlandse geschiedenis.
Portret van Willem I, koning der Nederlanden, in 1819 geschilderd door Joseph Paelinck. Beeld Rijksmuseum
Van veertien jaar lidmaatschap van de Hoge Raad ga je in ieder geval geen kortere zinnen schrijven. Beetje flauw misschien, bij dit imponerende boek van strafrechtgeleerde Ybo Buruma. In juni nam hij afscheid van het hoogste rechtscollege. Waarbij hij De onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025 achterliet. Maar met makkelijke kritiek ben ik nu dan ook wel klaar.
Het is zo veelomvattend en zo rijk dat je meteen wilt weten hoe lang de auteur ermee bezig is geweest. Tenminste een decennium, schat ik. Werkelijk álles wat je ook maar zou willen weten over de rechtsstaat is wel ergens te vinden. Hier moeten jaren van studie, verzamelen, organiseren, samenvatten en nazoeken in hebben gezeten.
En ja, je komt hier en daar wel eens een Hogeraadse zin van een halve alinea tegen. Maar niet hinderlijk vaak. En het is óók niet zo dat de kaartenbak van de auteur er doorheen schemert. Misschien wel diens behoefte om véél te vertellen – het is wel een boek dat concentratie vraagt. De informatiedichtheid is hoog en de favoriete stijlfiguur lijkt het understatement. Dat is ook een vonnis-stijltrucje – de lezer een conclusie of observatie zelf laten uitpakken. Dan blijft het daarna beter hangen, vermoed ik.
De kracht van het boek zit deels in de organisatie; die van een klassiek historisch boek dat in tijdperken denkt. Maar vooral het thema ‘Rechtsstaat’ steeds op de geest van die tijd wil laten aansluiten. Het gaat Buruma bij ‘tijdgeest’ vooral om mentaliteit, om maatschappelijk perspectief, om de ‘gedeelde vanzelfsprekendheden’ uit de alledaagse werkelijkheid van een afgebakende periode.
Maar hoe die te betrappen? Zijn creatieve oplossing: kenmerkende kinderboeken uit die periode als wegwijzer gebruiken. Van Hieronymus van Alphens moralistische ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ (19de eeuw), via Pietje Bell (modernisme), Swiebertje (autoritaire periode), wederopbouw l (Ciske de Rat), de culturele revolutie (Pluk van de Petteflet) en Carry Slee (risicosamenleving).
Het is vooral het concept dat dit boek onderscheidend maakt. Buruma verbindt de tijdgeest steeds met de feitelijke stand van de rechtsstaat in iedere periode. En laat zo zien dat het recht zijn tijd ‘ademt’ en vooral steeds verandert. De rechtsstaat blijkt in historisch perspectief een flexibeler concept dan je geneigd bent te denken.
De grenzen die de Hoge Raad in iedere periode verlegde, plaatst hij naast de maatschappelijke en culturele behoeften van die tijd. Beroemde arresten als Lindenbaum-Cohen, Kelderluik of Quint te Poel, voor menig jurist vooral abstracte leerstukken, vallen daardoor in de sociale en historische context op hun plaats.
Waarom rechters zich juist toen vrijheden veroorloofden en waarom de samenleving van gedachten veranderde: om dat toegankelijk uitgelegd krijgen is ronduit een feestje. Dat de auteur jarenlang strafrecht doceerde is de motor van dit boek. Buruma legt het nog één keer uit, maar nu in historisch kader. Aan de hand van vaste lemma’s. Wat gebeurde er met politiek en economie, met wetgeving, machtenscheiding, rechters en advocaten en ‘andere instituties’. Wie het uit heeft constateert dat tot ver in de jaren zestig de rechtsstaat en zijn instituties nog altijd meer op de 19de eeuw leken dan op de 20ste. En dat de grootste veranderingen dus in de laatste decennia plaatsvonden.
De vraag of dit een naslagwerk of een leesboek is, dringt zich ook op. En: wie zou dit allemaal willen weten, in deze detaillering, met zoveel feiten en duiding? Dat de auteur zoveel kennis op een coherente en intelligente manier bij elkaar bracht is mooi. Maar wat kun je ermee? Deze opportunistische lezer ging er eerst als een luie student doorheen – van de zeven hoofdstukken eerst maar eens het ‘slot’. En daarna het laatste hoofdstuk in z’n geheel: de huidige ‘risicosamenleving’, in krap honderd bladzijden samengevat. En pas daarna terug naar hoofdstuk 1. Daar heb ik achteraf spijt van. De lol zit juist in de opbouw, de confrontatie met het deels zeer onrechtstatelijke verleden van het Koninkrijk (slavernij, koloniën), de achterhaalde juridische concepten die ooit met passie werden verdedigd (vrouwen in toga, nee!?), de wandaden van het Koninkrijk. En pas dan op naar de moderne tijd.
Chronologisch lezen houdt ook de illusie van vooruitgang in stand. Bovendien ontdek je dan al in hoofdstuk 1 dat koning Willem I en Donald Trump sprekend op elkaar lijken. Allebei voerden ze een ‘besluitenregering’, inspraak en rechtspraak liefst negerend. En dat in de jaren dertig in het Nederlandse parlement keurige heren voor ‘daadkrachtig leiderschap’ pleiten. En de president van de Hoge Raad (met tweehonderd anderen) een manifest ondertekende dat het toenmalige staatsbestel afwees als ‘schijndemocratie’.
Wie de zeven periode-hoofdstukken heeft ontleed tegen het decor van het (internationale) nieuws, hoopt in het slothoofdstuk dan op antwoord. Waar gaat het naar toe? Houden ‘we’ de rechtsstaat overeind? Dat valt zowel mee als tegen. Van lang in de Hoge Raad zitten word je misschien ook wel voorzichtiger. Als Buruma conclusies trekt en de toekomst duidt, doet hij dat met de rem erop, zo lijkt het.
Hij vermoedt dat we „aan het begin van een nieuw tijdperk staan”. Hij ziet risico’s voor de rechtsstaat „die nu al in de lucht hangen”. De gestage opmars van Europese regelgeving kan het vertrouwen in de instituties aantasten, als die er blijvend niet in slagen om dat democratisch te legitimeren. Hij ziet rechtsbescherming door regelgeving afnemen – er komen te veel en te vaak regels die te ruim zijn. Waardoor de burger weerloos is; vrijwel elke vergissing die hij maakt houdt dan een overtreding in. Maar ook te veel regels die juist te rigide zijn geformuleerd, waardoor de rechter in een keurslijf de burger niet goed kan beschermen. Of juist politiek onder vuur komt als hij dat toch doet en ze buiten toepassing laat. Ook komt de rechter steeds vaker in een positie waarin hij nationaal recht moet afwegen tegen ‘hoger’ internationaal recht. Dan kan de rechter veelal niet anders dan kritisch zijn op ‘Den Haag’ – zie stikstof.
Maar de echt radicale verandering komt van kunstmatige intelligentie. Buruma schetst de ‘smart courts’ die al in China opereren, waarbij burgers digitale adviezen en rechters digitale concepten krijgen van wat de meest logische uitspraak zal zijn. Het systeem ‘wise judge’ selecteert daar al in de voorraden van rechtbanken op zaken waarin vonnissen automatisch kunnen worden geschreven, omdat ze erg op eerdere zaken leken.
Rechters van de toekomst zullen „meer moeten oordelen of er reden is om af te wijken van de uitkomst van algoritmes”. Anderzijds kunnen onbedoeld discriminatoire uitkomsten ook digitaal gesignaleerd worden. Een toekomstige rechter wordt dus meer data-afhankelijk en moet de regie zien te behouden. En vooral het contact met de burger.
Het idee van ‘de rechtsstaat’ verandert waar je bij staat, door wat Buruma een ‘wonderlijk samenspel’ van wetgeving, institutionele veranderingen en ‘externe gebeurtenissen’ noemt. En dan als troost: „…maar de teloorgang ervan mag en hoeft niet plaats te vinden”. Er zal altijd weer nieuw ‘vanzelfsprekend onrecht’ zijn dat de burger in actie brengt. Een meer dan relevant boek dus. Voor ieder die in bestuur, geschiedenis en politiek is geïnteresseerd. Heus niet alleen juristen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC