Steeds vaker bekruipt me het gevoel dat het hele Westen in een grote Weimar-republiek is veranderd. Politici verketteren elkaar alsof er een binnenlandse oorlog woedt. Hun aanhangers verkondigen hun boodschap met veel agressie en schelden politici uit voor ‘kankerjood’. Ook dat doet je denken aan Weimar, waar de Joden de schuld kregen van alles wat er was misgegaan.
Alleen daarom al komt de vertaling van Bertolt Brechts in 1956 postuum verschenen Flüchtlingsgespräche (Gesprekken tussen vluchtelingen) als geroepen. Het is een filosofische roman, waarin de mens in al zijn wanhopige pogingen tot redelijkheid en twijfels wordt neergezet aan de hand van twee uit nazi-Duitsland gevluchte mannen: een burgerlijke intellectueel en een arbeider. In de stationsrestauratie van Helsinki nemen ze in 1940 de wereld door. Het leidt tot boeiende en soms absurdistische dialogen, die je aan het denken zetten over je eigen positie in de huidige wereld. Zo zegt de arbeider, Kalle genaamd, dat het nobelste deel van een mens zijn paspoort is: „Een mens kan overal ontstaan, totaal onbezonnen en zonder logische reden, een paspoort niet.” Wel voegt hij eraan toe dat een pas weer niet op zichzelf kan bestaan, om vervolgens die gedachtelijn door te trekken naar de dictators van dat moment, de Führer en de Duce, die als ze geen volk hadden om te leiden nergens zouden zijn.
De scheikundige Ziffel is de redelijkheid zelf. Maar voor die levenshouding is in zijn wereld geen plaats meer, nu sterke mannen de massa’s aan zich weten te binden door een ‘Grote Tijd’ aan te kondigen. In die stationsrestauratie krijgen de twee het algauw over het belang van orde voor een goed functionerende samenleving. Volgens Ziffel is de mens anders niet in staat tot handelen. Maar tegelijkertijd beseft hij dat die orde een wezenlijk onderdeel is van een dictatuur, die ten koste gaat van iedere vorm van menselijkheid.
Ook hebben Kalle en Ziffel het over onderwerpen zoals materialisme, Freud en seks, Hegel en geweld, rassenleer als verheffingsmiddel, concentratiekampen als modelinstellingen, het kweken van onvoorwaardelijk geloof in de Führer, en onderwijs als leerschool voor „valsspelen, kennis voorwenden, de kunst van de straffeloze wraak, je gemeenplaatsen vlot eigen maken, vleierij, onderdanigheid, bereidheid om je gelijken te verlinken aan een hogergeplaatste”.
Ziffel vertelt dat in Weimar zelfs de helderste geesten het overzicht over de economie verloren. Volksmenners maakten daar handig gebruik van door met simplistische oplossingen te komen, die veel mensen aanspraken. Hitler, door Ziffel steevast ‘Hoeheetienou’ genoemd, werd daardoor ineens het gesprek van de dag. Hij trok circustenten vol met een act die iedereen aan het schaterlachen bracht. Maar die pret ging over in een humorloos geloof in zijn verkondiging van een ‘Grote Tijd’ en ‘grote ideeën’ zoals ‘de totale oorlog’.
En dan was er nog de rancune. Die keerde zich tegen de ‘verjoodsing van het systeem’ en was uit op massale wraak op iedereen die de ‘Grote Tijd’ verstoorde. „Eerst begonnen een paar mensen wat anderen te bedreigen, vervolgens bedreigden een paar mensen iedereen en uiteindelijk iedereen iedereen”, zegt Ziffel. Populisten zoals Poetin, Trump en Orbán zullen zich in die woorden ongetwijfeld herkennen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC