De tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw in het Amsterdamse Rijksmuseum graaft dieper dan de mooie spulletjes van rijke mensen. Hoe leefden de mensen nu echt? Voer voor archeologen, die botjes vonden met de prikgaatjes van de vork er nog in.
schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.
Je ontdekt telkens iets nieuws, als je voor het poppenhuis van Petronella Dunois staat. Het 17de-eeuwse kunstwerk, een twee meter hoge, halfopen kast op poten waarin zeven miniatuurkamers zijn ingericht, bevat in totaal zo’n zevenhonderd spulletjes. Sommige herken je direct – de schilderijen aan de eetkamermuur, het zilveren theeservies, de porseleinen vazen op de kasten: met zulke voorwerpen staan musea vol. Maar al die potjes en tonnetjes in de voorraadkamer, wat zit daar eigenlijk in? En is die pop op zolder nou aan het strijken?
Veel tijd om te puzzelen is er niet, voor je het weet moet je plaatsmaken voor de volgende nieuwsgierige. Want in de zaal in het Rijksmuseum waar de twee 17de-eeuwse poppenhuizen uit de collectie normaal gesproken staan, is het altijd druk. Niet verwonderlijk, want het kijken in zo’n miniatuurhuis voelt als geoorloofd gluren bij de buren. Dat die buren vier eeuwen geleden leefden, en in een zeer luxe optrekje nog wel, maakt het gluren alleen maar interessanter.
Het blijft een intrigerende vraag: hoe leefden onze voorouders eigenlijk; hoe zagen hun huizen eruit, en wat deden zij daarin? Het dagelijks leven van toen staat nu centraal in Thuis in de 17de eeuw: de eerste grote tentoonstelling van het Rijksmuseum over wooncultuur. Ook de twee poppenhuizen zijn voor de gelegenheid naar de tentoonstellingsruimte verplaatst.
Zoals de poppen van Dunois, zelf rijk geworden door een erfenis van haar jonggestorven ouders, leefden er maar weinig mensen vroeger. De spullen van de voorouders van de meeste bezoekers zullen meer hebben geleken op wat er te zien is in metrostation Rokin, op anderhalve kilometer afstand van het Amsterdamse museum.
In twee vitrines langs de roltrappen liggen daar bodemvondsten uitgestald, opgegraven tijdens de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn. Potscherven, gebroken glas, een rijtje lepels, een aantal pijpjes. Geen bijzondere, bewaarde spullen, maar gewone dingen – het meeste afval. De overblijfselen van mensenlevens waarover we verder vrijwel niets meer weten.
Het volledige bezit van een arme tijdgenoot van Dunois zou moeiteloos passen in een kast die net zo groot is als haar poppenhuis. Dat illustreert Steef de Jong, theatermaker, kunstenaar en vormgever van de tentoonstelling, door tegenover haar poppenhuis zo’n kast van karton neer te zetten. Daarin zit de hele, door de kunstenaar nagemaakte inboedel van Thomas Hendriks, die in de 17de eeuw in Zwolle leefde. Een pot, een pan, wat linnen – veel meer is het niet.
We weten meer over de levens van rijke mensen, ook omdat ze meer spullen hebben achtergelaten. Maar zelfs van hen bleven vooral de pronkstukken bewaard, die van generatie op generatie zijn doorgegeven en in museale collecties zijn beland. De alledaagse gebruiksvoorwerpen werden als ze kapot waren weggegooid, maar nog liever hergebruikt: hout belandde in de haard, metaal werd omgesmolten. Terwijl juist die gewone spullen, de kookpotten en het kinderspeelgoed, ons zo veel kunnen zeggen over dat dagelijkse leven.
Het Rijksmuseum richt zich nu op de mensen achter de spullen. Dat is een verschuiving: voorheen werd vooral naar de objecten zelf gekeken, hun afzonderlijke, artistieke waarde werd bestudeerd. Van oudsher heeft iedere vorm van kunstnijverheid in de collectie – textiel, glas, zilver, meubelen, enzovoorts – een eigen conservator, een materiaalspecialist. Maar spullen waren van iemand, stonden samen in een huis, werden gebruikt en gekoesterd. Die bredere blik mis je, als je alleen maar kijkt naar hoe iets is gemaakt.
Om die bredere blik op de Nederlandse wooncultuur te kunnen vatten, werkten specialisten van de afdeling toegepaste kunst samen aan de tentoonstelling. En er werd kennis van buiten het team binnengehaald: speciaal voor dit project zijn een antropoloog en een archeoloog aangenomen.
Steef de Jong richtte met zijn kenmerkende kartonnen decors de tentoonstelling zo in, dat de originele context van de tentoongestelde spullen duidelijker wordt. En die spullen komen niet alleen uit museumcollecties, maar zijn ook opgegraven door archeologen.
De tentoonstelling is ingedeeld als een dag. De bezoeker begint bij het thema opstaan, waar de dagelijkse verzorging centraal staat, en eindigt bij de avondmaaltijd en het potje ganzenbord achteraf. Onderweg kom je langs thema’s als de huishouding, de opvoeding en het werk.
‘Eerst wilden we de tentoonstelling inrichten zoals een poppenhuis, met verschillende kamers’, zegt Sara van Dijk, textielconservator en initiator van de tentoonstelling. ‘Maar dan zou de tentoonstelling een elitewoning representeren. Het voordeel van een indeling als een dag is dat ieder huishouden een dag doormaakte. Of je nou in een eenkamerkelderwoning zit zonder rookafvoer, of in een grachtenpand in Amsterdam.’
Door deze opzet zijn er door de hele tentoonstelling wel objecten te vinden die ook in arme huishoudens zouden kunnen hebben gestaan. Altijd zijn dat archeologische vondsten, en vaak dingen die door alle klassen werden gebruikt. Een voorbeeld is de tentoongestelde heiboender: een klein, goedkoop handbezempje. Welgestelde mensen haalden die in veelvoud in huis – in Dunois’ poppenhuis ligt er een stapeltje op zolder – maar ook eenvoudigere huishoudens gebruikten zulke handzame bezempjes.
Het verschil tussen arm en rijk wordt het best zichtbaar in de tentoonstellingszaal over werk. Aan de ene kant van de ruimte staat een groot, chic bureau, gemaakt van verschillende soorten hout. Daarnaast staat een ijzeren kachel, versierd met Bijbelse scènes. In een vitrine ligt de almanak van de Amsterdamse wijnhandelaar Isaac Pol, waarin hij ook zakelijke transacties bijhield. Allemaal spullen uit het ‘comptoir’, de werkkamer aan huis, van een welgestelde heer.
Aan de andere kant van de zaal liggen een heleboel ronde, kleine, aardewerken voorwerpen met een gat erin: spinstenen, waarmee mensen thuis garen konden spinnen. Naast zo’n spinsteen was daar alleen een houten stokje en wat wol of vlas voor nodig. Mensen met weinig ruimte en zonder bijzondere vaardigheden konden daarmee aan de slag. De textielindustrie zat altijd om garen verlegen, dus het was een populaire manier om wat bij te verdienen, vooral bij vrouwen uit de lagere sociale klassen.
Het spinwerk wordt extra relevant als je bedenkt dat in de 17de eeuw veel vrouwen alleen in hun inkomsten moesten voorzien. Er was destijds een vrouwenoverschot in de steden, vermeldt de tentoonstellingscatalogus. Vanuit het buitenland kwamen vrouwen naar de Republiek om te werken, terwijl mannen juist vertrokken. Ze gingen het leger in, of naar zee – een derde keerde nooit meer terug. Veel vrouwen moesten het dus alleen zien te rooien.
Archeologische vondsten kunnen een licht werpen op de levens van mensen die verder niets hebben achtergelaten. Maar ook over rijkere levens vertelt de archeologie ons dingen, vaak heel alledaags, waar we met alleen de in musea bewaarde pronkstukken of geschreven bronnen nooit achter waren gekomen. Zo bevatten beerputten, waarin 17de-eeuwse stedelingen al hun afval dumpten, een schat aan informatie voor archeologen.
‘Als je echt wilt begrijpen hoe een huishouden functioneerde, dan vertellen juist de weggegooide spullen een eerlijk verhaal’, zegt Marijn Stolk, de archeoloog die heeft meegewerkt aan de tentoonstelling en zelf onderzoek deed naar beerputten. In die putten belandden gewone gebruiksvoorwerpen als ze kapot of afgedankt waren, maar ook etensresten.
Zo komen we door beerputten meer te weten over vroegere eetgewoonten. Maar omdat verschillende (vooral arme) huishoudens zo’n beerput vaak deelden, en omdat die ook weleens werd geleegd, is niet altijd goed vast te stellen wie precies wat at.
Wat dat betreft is er in Hoorn een unieke beerput gevonden, waarvan we weten dat die toebehoorde aan één huishouden, en zo ruim is dat die nooit is geleegd: die van burgemeester Albert Sonck. Het Rijksmuseum toont keukengerei uit die beerput, en heeft ook onderzoek naar de etensresten laten doen door specialisten op het gebied van dierlijke en botanische resten.
De familie Sonck had een behoorlijk gevarieerd dieet, wordt in de catalogus verteld, van onder meer noten, eieren, vruchten, mosselen, oesters en vis. En ze aten veel gevogelte, zoals blauwe reiger en rietgans, misschien wel geschoten door Albert Sonck zelf: als vooraanstaand burger bezat hij het jachtrecht. Destijds werd het als gezond gezien om je eten aan te passen aan je stand. Voor boeren zou het gezond zijn om knollen te eten; gevogelte paste goed bij het voedingspatroon van een burgemeester.
De keukenkast van de familie Sonck staat op de tentoonstelling, althans: de kast is nagemaakt van karton, maar de spullen erin komen echt uit hun huis. Uit de beerput zijn luxe blauw-wit porseleinen borden uit China tevoorschijn gekomen, maar ook eenvoudigere aardewerken kookpotten van hier, die net zo goed in een armer huishouden hadden kunnen staan.
Onder in de kartonnen kast, achter een luikje, liggen de etensresten: een vissenwervel, oesterschelp, wat botjes. Grappig detail: in sommige van die botjes zie je nog de gaatjes van de vork waarmee iemand er ooit in heeft geprikt.
Stolk: ‘Toen ik als archeoloog werd aangenomen voor deze tentoonstelling, had ik gelijk het idee om ook etensresten te laten zien. Maar ik dacht ook: ik weet niet hoe een museum daartegenover staat. Zit het Rijksmuseum wel te wachten op varkenspootjes en vissenwervels?’
Dit keer wel. En juist in die combinatie van spullen ligt de kracht van de tentoonstelling: in één ruimte zien we niet alleen de mooi gedekte tafel met zilveren kandelaars en Delfts blauwe borden, maar krijgen we ook een idee van de maaltijd die op tafel kwam. We zien de prikgaatjes én, in een nabije vitrine, het soort (vergulde) vork waarmee die ooit zijn gemaakt. Het schilderij van de familie Sonck aan de wand geeft ons er de gezichten bij. Juist doordat we zoiets alledaags weten als wat ze hebben gegeten, voelen hun levens dichterbij dan ooit.
Tegelijkertijd blijft het zoeken naar sporen van armere levens. Af en toe is er een object tentoongesteld dat ook minderbedeelde mensen hadden, of wordt er op tekstbordjes naar eenvoudigere huishoudens verwezen. Maar die arme levens worden al snel overschaduwd door de overdaad aan spullen uit rijkere huishoudens.
Dat heeft ook te maken met de aard van een museum. Tentoonstellingen zijn visuele presentaties, waarin verhalen worden verteld aan de hand van objecten. In zo’n context is het lastig om levens te tonen van mensen van wie nauwelijks spullen zijn overgebleven. En de spullen die er zijn, zijn vaak stuk en niet altijd direct herkenbaar; ze vereisen meer uitleg. Terwijl tekstbordjes vaak summier zijn, zeker in het Rijksmuseum. De ideale tentoonstellingsobjecten zijn visueel veelzeggend, vertellen uit zichzelf al een verhaal.
Een voorbeeld is het kinderspeelgoed. In een hoek van de ruimte die over opvoeden gaat, zijn op laag niveau – kinderen spelen immers op de grond –miniatuurvoorwerpen tentoongesteld, allemaal archeologisch gevonden. Kleine kookpotjes, een vergiet, zelfs een steelpannetje met roetsporen erop. Dit soort spullen roepen direct een hele wereld op: je ziet die kinderen al voor je, keukentje spelen, zelfs echt iets bereiden met hun pannetje op het vuur.
Omdat zulke miniaturen ook van goedkope materialen konden worden gemaakt, waren ze voor veel kinderen toegankelijk, staat op het tentoonstellingsbordje – niet alleen de rijke, dus. Het wordt niet duidelijk of er ook armeluisspeelgoed tussen het tentoongestelde zit. De gedecoreerde miniatuurvuurstolp zal in ieder geval niet in een eenkamerkelderwoning hebben gestaan.
Spullen van betere kwaliteit zullen ook beter bewaard zijn gebleven. Toch is soms juist het goedkope ding beter bestand tegen de tand des tijds dan het duurdere spul. Zo gebruikten mensen in de 17de eeuw ook muizenvallen, net als nu, maar bestonden er meer en minder geavanceerde varianten. De goedkope muizenval was een oude kookpot, waarin iets lekkers werd gedaan en die zo werd gepositioneerd dat een muis er wel in, maar niet meer uit kon kruipen.
Er was ook een duurder soort val. Op de turfzolder van een van de poppenhuizen van het Rijksmuseum, een droge, warme ruimte waar de turfvoorraad werd bewaard, staat een ingenieuze, houten muizenval, die dichtklapt als een muis zijn lokaas komt halen. Die miniatuurmuizenval werkt echt; hij heeft een speciaal mechanisme dat reageert op beweging.
Van de goedkope muizenvallen hebben archeologen er meerdere gevonden; potjes met de muizenlijkjes er nog in. De dure variant daarentegen, zo’n geavanceerde val als uit het poppenhuis, is nergens meer bewaard. Het lijkt een zeldzame omkering.
Thuis in de 17de eeuw, Rijksmuseum, Amsterdam, t/m 11/1.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant