Home

Meer van het andere: vier echt nieuwe geluiden in de Nederlandse literatuur

Nieuwe stemmen Vier literaire debuten van echt nieuwe stemmen maakten dit najaar de Nederlandse literatuur een stukje kleurrijker.

De voordelen van diversiteit kun je in grote woorden vatten (op het gevaar af dat het ene nog holler klinkt dan het andere), maar je kunt ze ook zien, in vier literaire debuten die dit najaar de Nederlandse literatuur een stukje kleurrijker maakten. Een ideaal literair debuut heeft iets nieuws te vertellen op een nieuwe manier. Die ambitie verenigt deze vier debuten, en die heeft niet toevallig te maken met een niet-standaard culturele of etnische achtergrond van de schrijver, met genderdiversiteit. Wortels in Afrika, Suriname of ‘de provincie’ leiden tot taalgebruik dat niet de standaard volgt, verhalen die afwijken van de norm. Een nieuwe stem, een nieuw verhaal – minder van hetzelfde, meer van het andere.

Teddy Tops

Egelskop. Nijgh & Van Ditmar, 157 blz. € 22,99

Samengebald leven

De meeste boeken die iets groots vertellen, beginnen klein. Egelskop van Teddy Tops (1981) begint juist met een algemene bespiegeling over vrouwen „die van vrouwen hielden”. Die vallen door hun gebrek aan nakomelingen gemakkelijk ten prooi aan de vergetelheid.

De ik-verteller voelt zich belast door de gedachte aan haar twee oma’s die ongelukkig stierven, „omdat ze moesten leven naar wat van hen verwacht werd. Wanneer ze niet mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zouden mijn ouders niet geboren zijn, zou ik niet geboren zijn, hadden zij misschien een vol leven kunnen leiden.”

Daarmee is Egelskop een roman met een missie: redden wat er te redden valt. Haar oma’s kregen wél dat kleinkind, en zij zet zich ertoe om hun geschiedenissen te schrijven. Die van oma Jo, telg uit een groot Drents arbeidersgezin dat in de Eindhovense Philips-fabriek ging werken („Knokige figuren. Met neuzen als érpel en met bulderende buitenstemmen.”). En van oma Levi, uit een Amsterdams Joods gezin dat eerst een dood kind te verwerken krijgt (zijn naam wordt een jaar later doorgegeven aan het nieuwe meisje) en vervolgens de Holocaust.

Tops vertelt compact, maar laat haar proza ook vloeien – er zit ontzagwekkend veel leven samengebald in deze 157 bladzijden. En veel geschiedenis: je krijgt ook iets voorgeschoteld als de collectieve autobiografie uit Annie Ernaux’ De jaren: „We zingen mee met Doris Day en Peggy Lee, we proberen met zeep en olie onze haren net zo te laten glimmen en krullen als dat van de mannen.”

Op die grote culturele golven deinen Jo en Levi mee, maar ze lopen ook tegen de beperkingen aan. Echt voor hun diepste wensen kiezen, los van normen of conventies, zou een te diepe duik betekenen. Het is met vrijheid als met water: het „had een aantrekkingskracht op haar. Ze wilde erin, en was er bang voor. Het was iets verbodens, en iets oneindigs.”

Dat is geen toevallige metafoor. De verteller verloor als jong kind haar ouders toen zij in een auto te water raakten. Ze fantaseert over de minuten tussen tewaterlating en verdrinking: wat als de loop van de geschiedenis verlegd kon worden? Die vraag werkt ze ook uit tot een alternatieve, queergeschiedenis voor haar grootmoeders – de missie van Egelskop, om met een nieuw verhaal levens te redden, is meervoudig. En vergeefs: als dit werkelijkheid was geweest, had de verteller niet bestaan. Dus het blijft fictief, en dat is de wrange realiteit waartoe Egelskop zich heeft te verhouden. Des te sterker voel je de zin van deze missie, of: de vurige wens dat hij zin heeft.

Xillan Macrooy

Mensen als zonnen en mensen als manen. Blauw Gras, 420 blz. € 23,99

Ventiel voor verbeelding

Xillan Macrooy (1993) kan zo goed beginnen dat hij het drie keer doet in zijn debuutroman, en telkens krachtig. Eerst met een gedicht, een „ode aan de jongens/ die ontwaken als vulkanen/ en vuur spuwen als draken// sta niet in mijn weg als je niet bulletproof of vuurvast bent.” Dan met het decor: „Mijn stad wordt gekleurd door duizenden kleine levens”. En dan met deze gelaagde openingszin: „Het is de laatste tijd benauwd in Paramaribo”, wat niet alleen slaat op het weer, en het beeld van met ramen die lichtgevend afsteken tegen het donker, als „kleine bioscoopschermpjes die zweven in de lucht”.

De verteldrift bulkt van de bladzijden in Mensen als zonnen en mensen als manen, en wat roept Xillan Macrooy meteen veel op, geuren, kleuren, gevoel, en wat is hij gul met zijn talent. Deze beschrijving van de tweelingbroer van ik-verteller Lanny lijkt ook over hemzelf te gaan: „Het geprepareerde canvas op zijn schildersezel is blijkbaar te klein om wat hij in zijn hoofd ziet volledig te vangen. Het moet groter, het moet meer. Hij is bang dat zijn dromen gaan rotten in zijn hoofd, dus moet hij zijn verbeelding vertalen in kleuren, vormen, klanken en materialen.”

Al heeft Lanny niet alleen een ventiel voor zijn vrolijke verbeelding nodig, hem zitten ook „moeilijke dingen” dwars, in benauwd Paramaribo. Hij moet het opbiechten in een chatgesprek, boem, maar niet van harte, de „toetsen van mijn laptop zijn gloeiende kolen”. Dit: hij valt op jongens. En dat is een probleem, voelt Lanny, in zijn macho-conservatieve, bijna dorpse Suriname.

Mensen als zonnen en mensen als manen is in de kern ‘gewoon’ een coming-of-ageverhaal van een gay jongen, maar de hemelbestormende, compromisloze en trefzekere wijze waarop Xillan Macrooy dat vertelt maakt het tintelend nieuw. In de vorm: een ik-vertelling die soms metamorfoseert in spoken word of een sprookjesachtige tori over draken, alles kan en hoort erbij. In de taal: netjes Nederlands doorspekt met Sranan, zonder woordenlijst – wie empathisch leest, echt luistert, kan genoeg volgen. In de inhoud: dit is geen coming-of-age die discreet de blik afwendt, maar mept heel Grindr in your face.

Enige minpunt: het is veel, maar niet van alles genoeg. We volgen Lanny van zijn zeventiende tot eenentwintigste, en dan weer even als hij 24 is en alles is goedgekomen, zijn coming-out, de ingewikkelde verhouding tot zijn tweelingbroer – maar er gapen gaten in dit verhaal. Dat multitalent Xillan Macrooy werkt aan een theatervoorstelling én een muziekalbum om dit verhaal te vervolgen, schept dan weer alle vertrouwen. Want wat een begin.

Alara Adilow

Kijk es naar al dat licht. De Bezige Bij, 269 blz. € 23,99

Sjokkend langs het licht

Dat Alara Adilow (1988) een beloftevolle nieuwe stem was, wisten we al sinds de dichtbundel Mythen en stoplichten (2022), bekroond met C. Buddingh’-prijs én Herman de Coninckprijs. Niet alleen was Adilow een nieuw, ongekend type schrijver – als Somalisch-Nederlandse trans vrouw die haar licht liet schijnen over een onbarmhartige wereld van armoede, geweld en lust. Vooral zocht zij „een nieuwe plek in de taal”, aldus de Herman de Coninckjury. Adilows taal was zo vunzig, vlezig, vlammend en verdovend als dat beschreven leven verdiende.

Zo laat ook Adilows eerste roman zich lezen: als een brok taal waaruit ze haar eigen universum optrekt. Dat is bewonderenswaardig en ook meteen lastig aan Kijk es naar al dat licht, dat duidelijk het prozadebuut is van een dichter: meer dan om verhalende kracht of een spanningsboog gaat het hier om geïnspireerde zinnen. Het zijn de formuleringen waarin het gebeurt. Zo begint de roman: „Sagal vindt zichzelf gespleten in vele delen, in een steeg die naar pis en rotte perziken ruikt. Ze vindt zichzelf midden in de nacht, midden in een bad break-up (jeetje, o, nee!).” Hier tref je zowel eigenzinnigheid als clichés aan, en zowel melodrama als ironische intelligentie als vaagheid – Adilows roman heeft het allemaal.

Het verhaal: succesvolle (cis) vrouw Sagal heeft een abortus laten uitvoeren, nadat ze zwanger was geraakt van haar vriendin Diana, een trans vrouw met mannelijke voortplantingsorganen, die terug is naar haar ex Eduard. Dat wordt in het eerste hoofdstuk uitgetekend, waarna de rest van de roman flardsgewijs vertelt over hoe het liep tussen Sagal en Diana, via hun beider Somalische komaf, moeilijke jeugd, genderworsteling. Dat is een kronkelige weg met veel seks, drugs en trauma, soms glinsterend verlicht en vaak diepduister, zoals de slotzin van het eerste hoofdstuk al preludeert (denk ik): „Ik presumeer voorzichtig: het lichaam gaat sjokkend door tijd en langs licht, meesjouwend zijn eigen rusteloze spiegelbeelden die nevelig en duf zijn en wij allen zijn net als Sagal plagiaat: een verzameling citaten met uitgewiste delen.”

Dit is niet de enige zin waarin je verstrikt kunt raken: zo vaak als Adilow raak formuleert, zo vaak gaat ze ook de mist in. Of lijkt dat te doen – wat je stilistisch wankel kunt vinden, zou ook bedoelde ongepolijstheid kunnen zijn. De vorm wekt dezelfde twijfel: er zit wel erg weinig ontwikkeling in Adilows narratief, weinig spanning. Beheerst Adilow de romanvorm onvoldoende, of verzet ze zich doelbewust tegen de conventies? Het voordeel van de twijfel is niet gemakkelijk te geven: de stem van Adilow is onderscheidend maar onevenwichtig, Kijk es naar al dat licht een te ruwe diamant.

Nisrine Mbarki Ben Ayad

Kookpunt. Uitgeverij Pluim, 153 blz. € 21,99

Chaos is leven

De verhalen borrelen in Kookpunt, het prozadebuut van Nisrine Mbarki Ben Ayad (1977). Ze gutsen naar buiten. Bijvoorbeeld bij de vrouw die een huis koopt op het Franse platteland en verzeild raakt in de herinneringen aan het Marokkaanse dorp van haar jeugd. Of bij de man op een terrasje „in de oksels van Brussel, waar hij weer mens wordt, zoals hij vroeger was voordat hij hier aankwam”, denkend aan zijn verloren liefde én nucleaire tests in de Algerijnse woestijn.

De zeven hoofdstukken/verhalen in Kookpunt zijn verschillend maar samenhangend: steeds draait het om dromen en herinneringen, en wat die in het heden betekenen. Deze personages kunnen hun dromen niet afdoen als iets onwerkelijks, ze behoren niet tot het verleden of het irreële. Ze zijn iets wat ooit echt was of dat had kunnen zijn, iets met echte gevolgen, dat nu, hier, met volle kracht is opgedoken, vragend om aandacht.

Maar wat willen ze zeggen? Je krijgt daar niet meteen grip op, net zomin als de personages. Maar Mbarki, die eerder de dichtbundel Oeverloos (2022) publiceerde, daagt je uit om bij de les te blijven, door haar personages levendig op te roepen, met beelden waar vuur in zit: „Als je heel goed keek zag je achter haar enorme zwarte wimpers sporadisch de slapende sintels in haar ogen.” Soeverein laat Mbarki haar personages, allemaal verbonden met Noord-Afrika, soms iets Arabisch denken of zeggen, onvertaald (maar wie heeft er geen Google Translate met camerafunctie?) – terecht, want het gáát in Kookpunt ook over meertaligheid. Over hoe taal je verbindt met verschillende plekken en identiteiten, met de vrijheid om niet maar één ding te hoeven zijn.

Het is niet overdreven om Kookpunt te lezen als een viering van diversiteit, want een overtuigende overeenkomst tussen de verhalen is een terugkerende vijand: het individualisme. Dat fnuikende individualisme, dat vaak voortkomt uit westers imperialisme, dat leidt tot efficiëntie, tot eenvormigheid, en menselijkheid veronachtzaamt. Het blijkt voor de personages heilzaam om zich daarvan af te wenden: „De chaos geeft haar het gevoel dat ze leeft en dat heeft ze nodig, mensen zijn als microben, totaal afhankelijk van elkaar. Ze begrijpt niet hoe mensen alleen kunnen leven in een geordende wereld, chaos is tenslotte leven.”

In dat idee moet je mee willen gaan, want Kookpunt is ervan doordrongen, ook de structuur. Nisrine Mbarki Ben Ayad dist wat ze te zeggen heeft niet hapklaar op, wat de verhalen uitdagend maakt en niet altijd even dwingend. Maar orde en eenheid moeten we hier misschien niet verlangen: Mbarki weet wat ze doet, en ze doet iets nieuws, het is aan ons om dat mee te maken.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next