Alma Mahler ‘Een monster’ werd ze genoemd, ‘een drankorgel’ en ‘een liederlijke vrouw’. Slut-shaming speelde bij al deze benamingen ongetwijfeld een rol, schrijft Arnon Grunberg over Alma Mahler. Over haar zijn nu twee nieuwe muziekvoorstellingen te zien.
Al aan het begin van haar memoires Mijn leven zet Alma Mahler-Werfel (1879-1964) de toon: „Mijn vader was een geniaal mens en had dus schulden, zoals dat nu eenmaal bij zulke mensen hoort.”
Haar vader, de Oostenrijkse landschapsschilder Emil Jakob Schindler, streefde eigenlijk een militaire loopbaan na, toen dat niet lukte legde hij zich toe op het schilderen. Het geldgebrek was zo hevig dat eerste levensbehoeften vaak niet konden worden aangeschaft.
Maar het genie, tegenwoordig ontmaskerd als symptoom van een in ontbinding verkerende meritocratie, staat boven de eerste levensbehoefte. Hij staat kennelijk boven vrijwel alles en is bij voorbaat verontschuldigd, daarom is het zo prettig genie te worden. Al zullen velen zeggen dat die verontschuldigingen op zijn best een romantisch misverstand zijn en aangezien genieën lang voornamelijk mannen waren misschien ook kenmerk van een bepaald soort chauvinisme.
De dochter van Emil Schindler besloot hoe dan ook genieën te verzamelen en zij deed dat met een uitzonderlijke hartstocht en gretigheid. Haar genieënverzameling, die gepaard ging met schrijfdrift, is een kunstwerk an sich geworden.
Haar drie echtgenoten, de componist Gustav Mahler (1860-1911), de architect Walter Gropius (1883-1969) en de schrijver Franz Werfel (1890-1945), vormen slechts de top van de ijsberg van Mahler-Werfels verzameling.
Zo werd zij de beroemdste weduwe van de twintigste eeuw, een vrouw die de competitie die liefde heet glansrijk heeft gewonnen. In Nederland leek iemand als Connie Palmen in de voetsporen van Mahler-Werfel te treden, maar het schijnt dat Palmen voortijdig de handdoek in de ring heeft geworpen. Eerlijk is eerlijk, concurrentie met Mahler-Werfel is onmogelijk.
In zijn in 2004 verschenen biografie Witwe im Wahn, in het Nederlands getiteld Alma Mahler-Werfel, de biografie noteert Oliver Hilmes in de vertaling van Irving Pardoen: „De lijst van tijdgenoten – echtgenoten, minnaars, vrienden en satellieten – die in Alma Mahler-Werfels vijfentachtig levensjaren haar pad kruisten, is lang en doet soms aan als een lijst van prominenten van de twintigste eeuw.”
Van de componist Alban Berg via schrijver Klaus Mann tot priester Johannes Hollnsteiner, ja wie staat er niet op de Mahler-Werfel-lijst? Je moet in de eerste decennia van de twintigste eeuw in Europa weinig hebben voorgesteld om niet het pad van Mahler-Werfel te hebben gekruist. En priesters kunnen natuurlijk ook genieën zijn. Dochter Anna herinnert zich dat Hollnsteiner haar moeder het celibaat nader toelichtte, kuisheid was alleen nodig zolang je het priesterlijke gewaad droeg. Mahler-Werfel op haar beurt verbaasde zich erover dat de priester nooit over de zonde sprak. Vermoedelijk was dat ook niet nodig als de toga eenmaal was uitgetrokken. Voor dit soort katholicisme zou ik me bijna willen bekeren.
Wie was deze Alma Mahler-Werfel, die door de filosoof Adorno „een monster” werd genoemd, door de schrijver Claire Goll „een drankorgel” en door de componist Richard Strauss „een liederlijke vrouw”? Slut-shaming speelde bij al deze benamingen ongetwijfeld een rol. De angst voor het genot van de vrouw is een constante in de westerse cultuur en vermoedelijk ook in andere culturen. Deze angst heeft prachtige kunstwerken opgeleverd, van de roman Madame Bovary tot de opera Carmen, maar dat mag geen excuus zijn voor de benepenheid die erachter schuilgaat. Waaraan wellicht ten overvloede nog moet worden toegevoegd dat vrouwen dikwijls beter zijn in vrouwenhaat dan mannen.
Alma Mahler-Werfel was de dochter van de Weense operettezangeres Anna von Bergen en de reeds genoemde ietwat tragische landschapsschilder Emil Schindler, die zo weinig geld had dat hij ook na zijn huwelijk ‘in een klein vrijgezellenappartement’ in de Mayerhofgasse in Wenen woonde. Kort na de geboorte van Alma, hij wist overigens niet goed wat hij met een kind aanmoest, kreeg hij dysenterie waaraan hij lichte verlammingsverschijnselen overhield. Of het aan die verlammingsverschijnselen te wijten was of aan gezonde levenslust, niet lang daarna begon Anna von Bergen een verhouding met een collega van haar man, Julius Victor Berger, waaruit op 16 augustus 1880 Margaretha Julie werd geboren. Schindler wist dat hij niet de vader was, maar was grootmoedig genoeg om het kind als het zijne te accepteren.
In de zomer van 1892 stierf haar vader en Mahler-Werfel noteert in haar in 1960 verschenen memoires dat ze „het beste” in haar leven had verloren, even verderop schrijft ze in de vertaling van Willem van Toorn: „Ik was eraan gewend geweest, alles om zijnentwille te doen, al mijn ijdelheid en eerzucht hadden als enige bevrediging de blik van zijn begrijpende ogen gehad.”
Oliver Hilmes verwijt Mahler-Werfel onder andere dat de namen Hitler en Mussolini niet in haar namenregister voorkomen; hij suggereert dat ze iets te verbergen had, maar dat lijkt me grotendeels onzin. Over haar antisemitisme, dat werd afgewisseld met oprispingen van Jodenliefde, ook wel filosemitisme genaamd, is ze openhartig. Zo noteert ze: „Zonder Joden zou ik niet kunnen leven, ik leef dan ook constant bijna alleen met hen; maar ik ben vaak ook heel kwaad op ze, zodat ik soms in verzet wil komen.”
Goed, ze schreef aan haar redacteur, schrijver Willy Haas, die Hilmes ietwat kwaadaardig haar ‘ghostwriter’ noemt: „Laat alsjeblieft de hele Jodenkwestie van het toneel verdwijnen.” Maar Jodenhaat in de decennia na 1945 was natuurlijk iets anders dan voor die tijd.
In een uitstekend artikel over Mahler-Werfel dat eerder dit jaar verscheen in The New Yorker schrijft Alex Ross dat het klassieke excuus van de antisemiet luidt dat sommige van zijn beste vrienden Joods zijn. Mahler-Werfel slaagt ook daarin de overtreffende trap te bereiken: sommige van haar beste echtgenoten waren Joods.
Voor een gezonde antisemiet, zou ik zeggen, zit er maar een ding op: een Joodse partner zoeken.
Na de dood van haar vader begint het spel dat liefde heet. Naar eigen zeggen is „de eerste die zich ontfermde over haar dwalende geest”, Max Burckhard, regisseur en directeur van het Burgtheater. Zij is dan 17, hij 42. Over hem schrijft ze: „Wij waren beide begeesterde Nietzsche-bewonderaars, en hij was een revolutionaire modernist. Maar als man stond hij mij niet aan, en zijn grote verliefdheid wekte mijn tegenzin. We waren het altijd met elkaar eens, en dat verveelde mij op den duur.”
Ongeveer in dezelfde tijd leerde ze de schilder Gustav Klimt (1862-1918) kennen. Haar moeder vroeg bezorgd of ze misschien van deze schilder hield maar de dochter antwoordde ietwat hautain dat ze van niemand „zo vurig, zo innig” houdt als van de componist Richard Wagner, die overigens dan al dood is.
En er was de componist en dirigent Alexander Zemlinsky (1871-1942), volgens sommigen haar eerste minnaar, zelf laat ze dat in het midden, die een van de begaafdste musici van Wenen in die tijd was en die Alma pianoles gaf. Haar composities zijn ook door hem beïnvloed. Kort voor de naam Zemlinsky in haar dagboeken opduikt schrijft ze: „Ik haat alle moraalpredikers – en iedere moraal. Want mijn liefde gaat uit naar de natuur.”
Anders dan Hilmes vind ik dat ze uitstekend schrijft, misschien beter dan velen van de schrijvers die om haar heen cirkelden. Als zij aan het eind van de twintigste eeuw had geleefd had ongetwijfeld iemand opgemerkt: „Zij schreef minstens zo goed als ze neukte.” Tegenwoordig moet men met dat soort waardeoordelen voorzichtig zijn.
Over Gustav Klimt merkt zij op: „Hij had niemand anders om zich heen dan waardeloze vrouwmensen – en daarom zocht hij mij, omdat hij voelde dat ik hem had kunnen helpen.”
Aan overdreven bescheidenheid leed Mahler-Werfel niet. Wel is het interessant om te lezen hoezeer zij het concept genie serieus neemt, en lijkt te geloven dat verlossing door middel van de schone kunsten mogelijk is, terwijl ze tegelijkertijd weinig anders doet dan het genie ontmaskeren. Het (mannelijke) genie wordt door haar gefileerd met alle stijlmiddelen die zij tot haar beschikking heeft, van milde ironie, zie de opmerking over Klimt, tot bot sarcasme. Over haar laatste echtgenoot Franz Werfel schrijft ze: „Werfel is een dikke Jood, met O-benen, dikke lippen en spleetogen.” Ze wist zich kennelijk over lippen, benen en spleetogen heen te zetten.
Behoeftig, jaloers en onverdraagzaam is het genie, dikwijls ook nog eens lelijk, al kan de lezer samen met Mahler-Werfel best mededogen voor deze mensensoort opbrengen, die zijn armzaligheid probeert te compenseren met een radeloze scheppingsdrang waarvoor soms het woord ‘geniaal’ inderdaad op zijn plaats is. Hier is haar beschrijving van haar eerste echtgenoot, de componist Gustav Mahler, een tot katholicisme bekeerde Jood: „Gedreven, opgejaagd door de onzichtbare jager Dood – zo kende ik hem de tien jaar die ik met hem samen mocht leven. Ons leven was alleen ingesteld op zijn werk en zijn gezondheid.”
Mahler verbood zijn echtgenote zelf muziek te componeren. Zo is het genie, verscheurd door eigen onzekerheid waar zijn omgeving onder lijdt.
Haar jongere minnaar, de schilder Oskar Kokoschka (1886-1980), de relatie begon in 1912, liet een pop maken die op Alma leek toen hij besefte dat zij hem ontglipte. Mahler-Werfel schrijft: „De pop lag altijd op de sofa. Kokoschka praatte dagenlang tegen de pop, waarbij hij zich zorgvuldig van iedereen afsloot… en zo had hij mij eindelijk waar hij mij hebben wilde.”
Kokoschka liet zelfs vanuit Parijs het duurste ondergoed voor de pop komen, maar tijdens een dronken bui onthoofdde hij de pop in zijn tuin en toen was dat ondergoed niet meer nodig. Overigens blijkt het genie niet alleen aan eigen driften te lijden maar telkens weer ook aan geldnood. Eerst vreesde Kokoschka te arm te zijn voor Mahler-Werfel, later verkocht hij één en hetzelfde schilderij drie keer. Waar gerechtvaardigde strijd tegen geldnood eindigt en oplichting begint is in het geval van kunstenaars niet altijd duidelijk.
Haar tweede echtgenoot, de architect Walter Gropius (1883-1969), komt er in haar memoires bekaaid vanaf, iets waar hij zelf aanstoot aan nam. Die beknoptheid zal ook te wijten zijn aan het feit dat bij Mahler-Werfel altijd alles door elkaar liep, vooral in de liefde. Ze moet aan monogamie meer aanstoot hebben genomen dan aan het fascisme.
Hoe vrolijk haar memoires vaak ook klinken, het waarlijk tragische was in haar leven nooit ver weg. Alex Ross vat het in The New Yorker bondig samen: „Van haar vier kinderen is er maar eentje ouder geworden dan achttien.”
Met name de dood van haar dochter Alma Manon Gropius, die op achttienjarige leeftijd stierf aan de gevolgen van polio, greep Mahler-Werfel aan. „Als ik een kind zie, zie ik meteen in zijn trekken het snel rijpende, wordende, voorbijgaande leven en de nabije dood. Als ik een dier zie – de dood. Als ik planten zie – dan kijkt de dood mij aan door ze heen.”
Met Franz Werfel vluchtte ze in 1940 via de Pyreneeën naar Amerika, ze bleef hem trouw, maar Kokoschka kon ze nooit vergeten. Toen de schilder in de zeventig was en zij in de tachtig schreven ze elkaar weer erotische liefdesbrieven. Hij bood aan een houten pop met een lid te maken die bij haar in bed kon liggen als Kokoschka-vervanger. Tot een ontmoeting kwam het niet meer. Hilmes suggereert dat Mahler-Werfel haar minnaar niet als oudere vrouw tegemoet wilde treden, maar jaloezie jegens de echtgenote van Kokoschka kan ook een rol hebben gespeeld. Kokoschka, die ook aardig kon schrijven, schrijft Mahler-Werfel in de zomer van 1949: „Denk eraan dat dit liefdesspel het enige kind is dat wij hebben.”
De amour fou als het overlevende kind.
Haar laatste jaren bracht Mahler-Werfel alleen door in Manhattan. Niet lang voor haar dood kwam een journalist van de Duitse televisie haar nog opzoeken. Het moet een merkwaardig schouwspel zijn geweest. Ze zat in een vrijwel volledig verduisterde kamer, ze praatte veel, maar omdat ze doof was geworden gaf ze geen antwoord op de vragen van de journalist. Kort voor haar dood probeerde haar laatste overlevende kind, Anna Mahler, haar moeder tevergeefs te omhelzen: Mahler-Werfel duwde haar dochter met zoveel kracht van zich af dat die op de grond viel. Anna: „Ze wilde van niemand hulp hebben.”
Het einde is doorgaans eenzaam, ook al was het leven zelf gevuld met amour fou. The New York Times schreef na haar dood: „Mrs. Mahler-Werfel benadrukte in haar autobiografie dat ze zich steeds aangetrokken heeft gevoeld tot genieën, en naar het schijnt voelden genieën zich ook tot haar aangetrokken.”
Mahler-Werfel is bijgezet in Oostenrijk, naast haar dochter Manon Gropius.
Haar memoires eindigen met de zin: „Ieder mens kan alles – maar hij moet ook tot alles bereid zijn.”
Of dat eerste waar is betwijfel ik, maar Mahler-Werfel was zeker tot veel bereid, in goede en slechte zin. Haar liefdesleven was ook een vorm van zelfonderzoek en alleen al daarom verdient haar leven navolging. Hoewel men tegenwoordig hoop ik minder snel de eigen artistieke ambities opgeeft ten gunste van het zogenoemde of zogenaamde genie.
Op zijn minst zijn haar memoires, haar dagboeken, is haar bestaan een uitnodiging enkele scrupules opzij te zetten en te onderzoeken wat dat is, wat dat kan zijn: leven.
In de nieuwe opera De Verborgen Bladzijde zingen Elisabeth Hetherington en Ekaterina Levental met het Intercontinental Ensemble. Componist Ernst Spyckerelle wil ‘Alma’s omgang met de waarheid en haar fascinerende dubbelrol als „oppressor” en „oppressed” centraal stellen.’ Première: 17 oktober, Muziekgebouw Amsterdam. Daarna tournee door Nederland. intercontinentalensemble.com
Zangeres Ellen Pieterse en pianiste Monique van de Ven toeren al een tijd door het land met De Windbruid, over ‘het leven, de vragen en de keuzes’ van Alma Mahler. Acht liederen van haar hand vormen de basis van de voorstelling. dewindbruid.nl
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC