Home

Waarom we vrede willen en toch oorlog voeren

Carel van Schaik | primatoloog Zijn mensen ten diepste geneigd tot oorlog? Of hebben ze er een grote weerzin tegen? „Niemand wil graag vechten. Maar verdedigen willen we allemaal.”

Een soldaat krijgt eerste hulp tijdens de Slag aan de Somme tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Geen twee minuten zitten we in een restaurant in Cuijk, en dan al wijst primatoloog Carel van Schaik opgewonden naar een grafiek op zijn laptopscherm. „Kijk, er is wél een groot verschil tussen jager-verzamelaars en landbouwers als het gaat om oorlog voeren!” Van Schaiks opwinding is terecht, want het onderwerp van ons gesprek is gróót en de grafiek belangrijk bewijsmateriaal. De vraag is of de mens ten diepste geneigd is tot oorlog. Is grootschalige strijd aangeboren en onvermijdelijk? Veel mensen antwoorden ‘ja’. Want lees de kranten, en zo is het altijd al geweest. Rome! Kijk naar Kaïn en Abel, of naar het 3.500 jaar oude massagraf in Wassenaar, waarin een tiental mensen als overwonnen vijanden in een kuil gekwakt zijn, sommigen met ingeslagen schedel, anderen met een pijl in de borst.

Maar Van Schaijk en zijn twee medeauteurs van het net verschenen boek Waarom we vrede willen maar oorlog voeren zeggen juist keihard nee tegen het heersende idee van een biologische basis van oorlog. Oorlog is helemaal niet onvermijdelijk, betogen ze, en het is ook totaal niet altijd normaal geweest. Honderdduizenden jaren lang, tijdens het overgrote gedeelte van de evolutie van de moderne mens, was er voor mensen geen dwang en was er ook praktisch geen oorlog. Van Schaik: „Hoe kan oorlog dan genetisch gedetermineerd zijn? Conflicten tussen groepen werden vooral met praten opgelost of de ene groep trok weg om strijd te vermijden. Pas toen mensen niet meer weg konden trekken ging het fout. En ook toen lang niet altijd.”

Op Van Schaiks scherm pronkt in het restaurant een grafiek uit een recent onderzoek van de Zwitserse antropoloog Jürg Helbling uit Luzern die de vaak gebruikte ‘oorlogscijfers’ bij Australische Aboriginals eens nader ging bekijken. Voor aanhangers van de ‘oorlog is van alle tijden’-theorie golden die cijfers als een bewijs par excellence. Want als zelfs in de uitgestrekte territoria van Australië geïsoleerde nomaden elkaar de hersens insloegen, voor de komst van landbouw, kolonisatoren of missionarissen, dan móét oorlog voeren de mens wel ‘in de genen’ zitten.

Van Schaik (1953) is (emeritus) hoogleraar biologische antropologie en directeur van het Institut für Evolutionäre Anthropologie in Zürich. Hij is primatoloog uit de beroemde Utrechtse school van Jan van Hooff, waartoe ook Frans de Waal behoorde. Van Schaik is beroemd als orang-oetankenner, maar vanuit Zürich onderzocht hij ook onder meer hersengrootte, menselijke samenwerking en de evolutie van intelligentie. De afgelopen jaren verscheen van hem en de Duitse wetenschapsjournalist Kai Michel een reeks populaire publieksboeken, over evolutionaire sporen in bijbelverhalen, de leugens van het patriarchaat, de ‘oermens in ons’ en nu dus over de oorsprong van oorlog. Van Schaik is korte tijd in Nederland voor een lezing. Op een rijwiel van zijn schoonzoon, met kinderzitje, kwam hij naar Cuijk gefietst.

Maar niet dus, zegt Van Schaik triomfantelijk. Nomadische Aboriginals zijn in die cijfers altijd op één hoop gegooid met de groepen die wel degelijk op een plek bleven wonen omdat daar bijvoorbeeld geweldige visgronden of uitgestrekte vruchtenboomvelden waren. In die veel hogere bevolkingsdichtheid ontstaan mechanismen die wel tot oorlog kunnen leiden. Echte nomaden voeren vrijwel geen oorlog. En omdat onze voorouders tot voor kort allemaal nomadisch waren, concludeert Van Schaik: „Oorlog is niet aangeboren of onvermijdelijk, en het ontstaan ervan is afhankelijk van bepaalde omstandigheden.”

Carel van Schaik in Cuijk.

Uw boek is één lange aanval op dat idee dat oorlog is aangeboren. Maar als we na honderdduizenden vredelievende jaren door landbouw en vaste bewoning in een andere situatie komen, blijken we toch wel erg goed oorlog voeren. Al vele duizenden jaren. Hoe kan dat dan?

„Nog altijd bestaat er bij vrijwel alle mensen een grote weerzin om een ander mens te doden. Als er al iets aangeboren zou zijn, is het eerder die weerzin dan de neiging om oorlog te voeren! Ook in de vroege landbouwtijden, en zeker in de eerste staten waarin volgens ons oorlog pas echt de overhand krijgt, blijft die weerzin bestaan. Het verschil is dat er in die tijden nieuwe mogelijkheden komen om die weerzin te overwinnen. In het belang van de machthebbers. Het simpelste is wel dat die staten veiligheid kunnen bieden in de strijd, door overmacht, om een gemakkelijke overwinning te halen. Anders gaat al helemaal niemand vechten. Dat is bij chimpansees al zo.

„In Oost-Afrika zijn de rondtrekkende clubjes van chimps vaak klein. Een grote club van de buren kan daar een overmacht vormen en zo dat kleine clubje aanvallen en doden, zonder zelf een schrammetje op te lopen. Chimps vallen alleen aan als ze zeker zijn van de overwinning. In West-Afrika trekken de chimps veel meer rond, in grotere groepen. Daar zijn zulke overmachtssituaties zeldzaam en zie je dus veel minder oorlog. Omstandigheden, omstandigheden! Er is geen genetisch determinisme om te vechten. Dat is echt onzin. Daar moeten we van af.”

Maar genetisch of niet, wij mensen hebben dus gewoon twee gedragsrepertoires: we zijn goed in vrede, maar dan toch ook in oorlog?

„Zeker, maar voor oorlog moet dus wel veel meer moeite worden gedaan, om mensen zover te brengen. Bij nomaden lukt dat vrijwel niet, het gebeurt pas op grote schaal in de landbouwstaten, met centrale machthebbers. Vrede heeft geen rechtvaardiging nodig, oorlog wel. Oorlog spreekt niet vanzelf. De mens is heel terughoudend met geweld tegen vreemden, dat is óók een soort instinct. Voor ons zijn de mensen verderop helemaal niet automatisch een vijand. Je bent op je hoede misschien, maar vreemden kunnen ook nuttige materialen en kennis leveren, en ook partners.

„Om oorlog te voeren heb je – behalve het gevoel de sterkste te zijn – twee belangrijke elementen nodig. Het ene is dat we ons bedreigd moeten voelen. Verdediging is altijd goed, maar zomaar aanvallen voelt echt slecht. Nog steeds. En daar bovenop hebben we voor oorlog óók een duidelijke morele rechtvaardiging nodig. De vijand moet slecht zijn, ons bedrogen hebben, mensen van ons gedood hebben, dat soort dingen. Ik begin mijn voordrachten vaak met de vraag wie denkt dat er altijd oorlog is geweest en dat altijd zo zal blijven. Dan gaan bijna alle handen omhoog. En dan vraag ik: wie wil vechten om het vaderland territoriaal uit te breiden? Een aanvalsoorlog dus. Dan zie je geen hand meer omhoog gaan. Wie begint dan toch die oorlogen?

„Een klassieker is het bericht waarmee Hitler-Duitsland de Tweede Wereldoorlog begon, in de aanval op Polen. ‘Seit 5:45 Uhr wird jetzt zurückgeschossen’. Teruggeschoten, een leugen natuurlijk. Maar zelfs het nazi-regime had die morele legitimatie nodig. Als een groep wordt aangevallen sluit men de rijen. Ik heb het meegemaakt in Amerika, bij de aanval op 9-11. Die reactie was heel emotioneel, ontzettend ingrijpend. En ja, dat is óók een soort instinct, je kan de biologie hier niet helemaal uitsluiten. Maar dan moet het dus wel echt duidelijk zijn, dat ‘we’ aangevallen worden.”

Voor de ervaren primatenkenner was precies dát de eyeopener van het recente onderzoek dat hij voor dit boek deed, vertelt Van Schaik: „Dat er voor het beginnen van een aanvalsoorlog zo veel manipulatie nodig is! Niemand wil graag vechten. Maar verdedigen willen we allemaal. Aanvallen is altijd riskant voor de gewone soldaat.”

Britse soldaten nemen een Duitse stelling onder vuur in 1918.

Van Schaik: „Wie een oorlog wil ontketenen moet dus eerst het verdedigingsinstinct activeren. En vervolgens worden dus ook de vijanden ontmenselijkt, met een hele lading van morele rechtvaardigingen. En als zo’n oorlogssituatie langdurig bestaat, komt er ook een heleboel nieuwe cultuur bij, met heldeneer en krijgersmoraal. Maar ziet, na de Tweede Wereldoorlog had vrijwel iedereen daar genoeg van, en kwam er een soort vredescultuur met mensenrechten en de Verenigde Naties.”

Waarom is een hoge bevolkingsdichtheid, zoals sinds de landbouwtijd ontstond, dan zo gevaarlijk?

„De bevolkingsdichtheid zelf is niet per se gevaarlijk, maar wel de maatschappelijke ongelijkheid die er vaak het gevolg van is. Voordat de landbouw kwam, leefden de mensen vrijwel altijd in egalitaire samenlevingen, zonder dwang. Maar als de landbouw er eenmaal is, ontstaan structuren waarin één persoon of een kleine groep de baas kan worden. Voor zo’n persoon kan het dan wél interessant zijn om het territorium uit te breiden, zonder gevaar voor zichzelf! En dan verandert het narratief en oorlog wordt opeens mooi en goed en geweldig. Voor de toplaag kan dat waar zijn, maar de rest wordt dan vaak onder dwang als kanonnenvoer gebruikt.”

Een brede laag van de bevolking kan toch ook best van zo’n oorlog profiteren?

„Ik denk dat dat alleen werkt als je een erg ongelijke samenleving hebt, met heel veel arme mensen zonder enig perspectief. Dan kan je als individu het enorme risico van zo’n oorlog wel accepteren, want je hebt nu toch niks. Voor een despoot of een rijke toplaag snijdt het mes dan aan twee kanten. Die grote ongelijkheid leidt er ook toe dat er relatief veel willig kanonnenvoer is. Daarom beginnen echte democratieën juist zelden oorlogen. Oorlog is zo tegen het algemeen belang. En dat is dus de boodschap van dit boek. Mensen, word wakker!

„Kijk, als je aangevallen wordt, moet je je natuurlijk verdedigen. En zolang we een gevaarlijke despoot bij de buren hebben, moeten we ons voorbereiden op een mogelijke verdediging. Maar tegelijkertijd moeten we op de langere termijn proberen dit soort risico’s te minimaliseren. De Duitsers hadden dat mooie Wandel durch Handel. Ja, het is in deze situatie met Rusland mislukt, maar het is op zich geen gek idee. Je zou kunnen zeggen dat de hele Europese Unie erop is gebaseerd. En wie kan zich nou nog voorstellen dat Frankrijk en Duitsland oorlog voeren? Dat soort structuren moeten we nu versterken, meer dan ooit! Dat is óók de boodschap van ons boek.”

Welk bewijs is er dat er in de verre prehistorie niet op grote schaal werd gevochten?

„Allereerst is er is negatief bewijs. Uit een periode van honderdduizenden jaren tot het einde van de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden, vind je vrijwel geen sporen van geweld. En als je het ziet gaat het om één individu. Ruzie, of misschien gewoon een ongeluk, maar dus geen oorlog. En dat is dus ook de periode dat Homo sapiens ontstond. En het is heel duidelijk dat het daarna geleidelijk aan anders wordt, als mensen langer op één plek blijven wonen. En dán krijg je massagraven, het eerste bekende in Soedan circa 13.000 jaar geleden. En dan krijg je ook verdedigingswerken, de eerste oorlogswapens, en afbeeldingen van gevechten. Geleidelijk aan, maar wel een duidelijke overgang binnen een paar duizend jaar. Daarvoor zie je dat allemaal niet. In die massagraven liggen dan ook soms behoorlijk wreed toegetakelde lichamen. Ook iets nieuws! Wij zien dat als een aanwijzing voor de opgeklopte haat en de morele rechtvaardiging die nodig was om de normale weerzin tegen massale moord te overwinnen.

„En er is ook positief bewijs voor vredelievende contacten met vreemden. Een kwart miljoen jaar geleden vind je bijvoorbeeld in Afrika messen van vulkanisch glas, obsidiaan, op wel twee-, driehonderd kilometer van de oorsprong. Dat moet doorgegeven of verhandeld zijn. Dat soort netwerken vind je ook terug in de etnografie. In de Kalahari-woestijn had je het Hxaro-netwerk van de !Kung, met beloftes van onderlinge hulp, over honderden mijlen. Met kraaltjes en andere sieraden die werden doorgegeven als symbolen van de samenhang. Dat is het voordeel van die openheid voor vreemden: in onzekere tijden kun je elkaar ook juist helpen.

„Dit is een relatief nieuw inzicht. Vroeger dachten wetenschappers dat er alleen maar kleine losse groepen waren, in de prehistorie en bij moderne jager-verzamelaars. Alleen de local group, het kamp, de band, en dat was het dan. Maar er zijn juist altijd grote netwerken geweest, dat wordt nu ook door genetisch onderzoek bevestigd. Er was een maatschappij op vele niveaus. Mensen konden daardoor ook vrij makkelijk van groep wisselen.

„En als mensen toch dicht op elkaar wonen en conflicten dreigen, worden allerlei tegenmaatregelen genomen. Op de Andamanen [een eilandengroep in de Indische Oceaan] was geen landbouw, maar dankzij rijke visgronden was er wel een hoge bevolkingsdichtheid die tot oorlog zou kunnen leiden. En daar ontstond dus een systeem waarbij kinderen van andere groepen op het eiland werden geadopteerd om onderlinge strijd te voorkomen. Alles beter dan oorlog!

„Toen de zoete aardappel in Nieuw-Guinea werd geïntroduceerd en de bevolking groeide en oorlogen uitbraken, organiseerden Papoea-groepen zelfs een soort NAVO avant la lettre. De groepen spraken af dat als een groep een oorlog begon, hij alle andere tegenover zich zou krijgen. Dat ging weleens mis, maar het systeem als geheel bleef heel lang bestaan. Dus met het ontstaan van oorlog, begon ook de beweging om de vrede te bewaren.

„Stel je dan eens voor dat we allemaal als chimpansees waren. Dan zou dat nooit gebeuren, dat ruilen van obsidiaan, die structuren om elkaar ook buiten de eigen groep te helpen. Een chimpanseeman die een vreemde man ziet, wil hem doden. Bij mensen is dat niet zo. In de Tweede Wereldoorlog ontdekten de Amerikanen zelfs dat de meeste soldaten expres mis schieten. Daar is de drill toen op aangepast. Dat wel.”

Toch zijn moordfilms en oorlogsfilms enorm populair. Hoe kan dat?

„Kijk, elk sociaal gedrag dat fitness-consequenties heeft, vinden we spannend. Als ik bij mijn apen zit en iemand gaat vechten dan komen ze allemaal kijken. Je wilt weten wat er aan de hand is. Wie wint, wie verliest, dat is belangrijke informatie. Maar dat is nog geen aangeboren neiging tot oorlog!”

Kai Michel, Harald Meller en Carel van Schaik Waarom we vrede willen, maar oorlog voeren. Een geschiedenis van de mensheid Uitgeverij Balans, 368 pagina’s, €27,95

Carel van Schaik.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next