Mentale gezondheid Mensen met een migratieachtergrond gebruiken volgens het CBS gemiddeld minder ADHD-medicatie. Er is ook nauwelijks wetenschappelijk onderzoek gedaan naar die groep, die veel obstakels ervaart wanneer ze aanklopt voor hulp met mentale problemen.
„Als ik dingen vergat of liet mislukken, of als ik niet stil kon zitten terwijl dat van me werd verwacht, kon ik mezelf wel haten”, vertelt actrice en filmmaker Nora Akachar. „Ik dacht: ik ben niet slim genoeg. Of: ik kan dit niet. Maar het blijkt dat ik gewoon anders in elkaar zit.”
Akachar (40) begon in 2019 een Facebook–groep: Trauma’s van Nora. Ze schrijft onder meer: „In groep 3 werd aan mijn vader verteld dat ik niet goed kon meekomen. Ik moest naar een school voor moeilijk lerende kinderen. Mijn vader ging snel akkoord, hij had wel andere dingen aan zijn hoofd.”
Inmiddels weet Akachar dat haar leerproblemen werden veroorzaakt door ADHD, een psychische stoornis die naar schatting voorkomt bij 3,6 procent van de Nederlandse kinderen en 3,2 procent van de volwassenen. Ze kreeg de diagnose toen ze bijna dertig was. „Dat gaf rust.”
Akachar, die als vierjarige van Marokko naar Nederland verhuisde, heeft zelf gewerkt in de hulpverlening. Ze wist waar ze mentale hulp kon krijgen. Maar die kennis heeft lang niet iedereen, weet ze. „Terwijl, ik gun het de eerste paar generaties migranten hun klachten te onderzoeken. Is het ADHD, autisme, trauma, of iets anders?”
Afgelopen zomer publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek over het gebruik van ADHD-medicatie. In zes jaar is dat verviervoudigd, vooral door een inhaalslag van diagnoses bij vrouwen, volgens experts. Mensen met een niet-Nederlandse afkomst gebruiken minder medicatie dan mensen met een Nederlandse herkomst. Hoewel weinig onderzoek is gedaan, verklaren behandelaars van culturele minderheden tegenover NRC dat de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg (ggz) er niet is op is ingericht om die groepen goed te behandelen.
„Culturele minderheden vormen een blinde vlek in de geestelijke gezondheidszorg”, zegt Ki Eun Bae, onder meer behandelaar bij het Expertisecentrum Transculturele Therapie (ETT). Tien jaar geleden werd het ETT om die reden opgericht: het richt zich op mensen met een migratieachtergrond.
Die blinde vlek heeft diverse oorzaken, vertelt Bae. „Migranten van de eerste generatie richtten zich vooral op hard werken, of ze nu om politieke of economische redenen naar Nederland kwamen […] Als je vooral bezig bent met overleven, is er geen ruimte om stil te staan bij je mentale gesteldheid of die van je kinderen. Wij krijgen vaak pas cliënten van de derde generatie te zien.”
Binnen niet-westerse culturen bestaan bovendien stigma’s over mentale gezondheidszorg en stoornissen , zegt Bae, zelf van Zuid-Koreaanse herkomst. „In Zuid-Korea wordt autisme bijvoorbeeld gezien als een heel ernstige ziekte. En ADHD wordt dan weer weggewuifd.”
Ook ervaren veel migranten barrières wanneer ze dan toch mentale hulp proberen te krijgen, zegt Bae. „Niet iedereen snapt bijvoorbeeld dat de huisarts in Nederland de eerste stap is naar een behandeling.” En eenmaal bij de psycholoog wordt volgens Bae de „culturele mismatch” voortgezet. „In Nederlandse therapie gaat het vaak over het aangeven van je eigen grenzen, tegen familie bijvoorbeeld. Maar veel mensen met een migratieachtergrond zien familie als hun basisbehoefte.” Directe confrontatie of het contact verbreken, is dan geen werkbare oplossing, „terwijl dat voor de psycholoog [die werkt met een westerse toolbox] voor de hand ligt”.
Zorgvragers zijn ook huiverig voor vooroordelen van de psycholoog, legt Akachar uit. „Stel, iemand maakt huiselijk geweld mee. Een witte psycholoog denkt misschien snel: ‘O, typisch.’ Maar je wilt dat iemand zonder waardeoordeel over mensen met een niet-westerse achtergrond naar zo’n situatie kan kijken.” Die kloof is heus te overbruggen, denkt Akachar. „Alleen, als je aan de grond zit – meestal zoeken mensen dan pas hulp – is het fijn om dat deel te skippen.”
In 2023 werd een verkenning van discriminatie in de (jeugd)zorg aan de Tweede Kamer gepresenteerd, samengesteld door het Verwey-Jonker Instituut en Movisie. „Culturele intensiviteit” (een ‘blinde vlek’), „stereotypes” en een „witte norm” leiden tot ongelijke en soms ontoereikende behandeling, zo stelden de auteurs, die dit alles schaarden onder ‘indirecte discriminatie’.
Bae herkent het beeld. „Mijn opleiding geneeskunde was hartstikke wit”, zegt ze. „Het zou mooi zijn als meer op culturele verschillen wordt getraind, meer tijd wordt gemaakt om de culturele context van een patiënt te leren kennen.”
Jongeren met een Surinaamse, Turkse of Marokkaanse achtergrond belanden minder vaak in de jeugd-ggz dan degenen met een Nederlandse achtergrond, volgens de verkenning. En jongeren met een „niet-Nederlandse achtergrond” zijn juist óververtegenwoordigd in zwaardere vormen van jeugdzorg, zoals de kinderbescherming en jeugdreclassering. De onderzoekers noemen culturele stereotypes in de jeugdzorg een van de (nader te onderzoeken) oorzaken. Vooroordelen beïnvloeden welke behandeling jongeren krijgen, schreven ze op basis van eerder onderzoek, wat de diagnose van stoornissen kan beïnvloeden.
Of en hoe stoornissen daardoor over het hoofd worden gezien, is lastig in te schatten, zegt kinder- en jeugdpsycholoog Victor Kouratovsky, die bijdroeg aan de oprichting van het ETT. Zelfs in de richtlijnen voor diagnose zitten volgens hem blinde vlekken.
Stoornissen zoals ADHD en autisme worden bij kinderen doorgaans vastgesteld op basis van de DSM-5, het handboek voor psychologen en psychiaters. „Categorieën daarin stoelen op procedures van psychiaters in de VS”, vertelt Kouratovsky. „Die baseren zich op een ‘WEIRD’-populatie: Western, educated, industrialized, rich and democratic.”
En dat blijft niet zonder gevolgen. „Neem intelligentietests, die ook bij de diagnose van stoornissen worden gebruikt. Kinderen van migranten komen sneller als zwakbegaafd uit de bus, omdat die testen heel cultureel bepaald zijn.”
Volgens Kouratovsky ontbreekt diversiteit niet alleen in de praktijk, maar ook in het onderzoek. Bae: „Er is vrijwel geen onderzoek naar hoe neurodivergentie [anders werkend brein] zich uit in verschillende culturen.” De oorzaak van bepaald gedrag herleiden – tot iemands cultuur, een trauma of neurodivergente stoornis – kan daardoor heel lastig blijken, zegt ze. Zeker als een behandelaar onbekend is met de culturele achtergrond van een patiënt.
De Facebookgroep Trauma’s van Nora lijkt met bijna zestigduizend overwegend Marokkaanse en islamitische leden in een behoefte te voorzien: praten over (gezins)trauma, teneinde te worden begrepen en gehoord. Leden delen (al dan niet anoniem) eigen ’trauma’s’ – soms lacherig, soms weemoedig, soms ernstig. Er wordt op gereageerd met adviezen, onder meer zo nu en dan om therapie te volgen. Akachar: „Het is een beetje groepstherapie.”
Begin dit jaar heeft Kouratovsky met andere zorgverleners het Kenniscentrum Inclusieve GGZ (KIG) opgericht. Mensen met een migratieachtergrond lopen tegen drempels aan die makkelijk kunnen worden verlaagd, zegt Kouratovsky. „Bijvoorbeeld telefonisch een afspraak moeten maken of een vragenlijst moeten invullen wanneer je het Nederlands niet goed beheerst.”
Maar als Nederland de geestelijke gezondheid van migranten écht belangrijk vindt, moet ook anders worden omgegaan met migranten, vindt Kouratovsky, die ook met gevluchte kinderen heeft gewerkt. „Opgroeien in een azc en dan veertien keer verhuizen: wie wordt daar nou gezond van?”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC