Waar drukke mensen bergen werk kunnen verzetten, schieten niet-drukke mensen soms van het kleinste klusje al in de stress. Hoe komt dat, en hoe krijg je ook als niet-drukkerd dingen gedaan?
is cultuurverslaggever bij de Volkskrant.
Nu de ene helft van Nederland vanwege de herfstvakantie in een bos of op het strand zijn ‘hoofd loopt leeg te maken’ en de andere helft daar reikhalzend naar uitkijkt, is het wellicht aardig in deze zoektocht naar rust, reinheid en regelmaat eens stil te staan bij het tegenovergestelde van rust, namelijk drukte.
Want ach, wat zijn we toch druk! De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving noemt de samenleving zelfs ‘hypernerveus’, een wereld vol rusteloosheid en gejaagdheid waarin je als individu altijd ‘aan’ moet staan. We moeten op de rem trappen, meent de Raad. Mee eens natuurlijk, nietsdoen en lummelen zijn van levensbelang.
Maar stilstand is ook niet goed en een druk leven hóéft niet verkeerd te zijn. Met drukte is het net als met cholesterol: je hebt slechte en goede varianten.
Hoeveel rust, reinheid en regelmaat heeft een mens nodig? Volkskrantverslaggever Wilma de Rek, tevens auteur van het boek Rust, reinheid en regelmaat, gaat in een serie op zoek naar antwoorden. Lees hier de andere artikelen terug.
Een van de interessantere uitspraken over drukte komt van Benjamin Franklin (1707-1790) en gaat zo: ‘Als je iets gedaan wilt hebben, vraag het dan aan een druk iemand.’
Dit klinkt op het eerste gehoor idioot. Waarom zou je met je klusjes aankloppen bij iemand die al genoeg omhanden heeft, en niet bij de lamlendeling die toch maar op de bank ligt te vegeteren? Maar inderdaad kent iedereen wel drukke mensen die er altijd nog wel wat bij kunnen hebben, en niet-drukke mensen die van het kleinste werkje al in de stress schieten. Hoe dat mechanisme werkt, legde Franklin niet uit.
Zelf hoorde Franklin bij de drukke types. Hij bleef tot op hoge leeftijd actief met dingetjes als het stichten van de Verenigde Staten van Amerika en het uitvinden van de open houtkachel. Hij richtte ziekenhuizen en bibliotheken op, ontdekte dat bliksem ontlading is van elektriciteit en gaf 25 jaar lang de Poor Richard’s Almanack uit, voor veel Amerikanen het enige boek dat ze in huis hadden (een almanak was een soort jaarkalender) en die Franklin daarom volstopte met uitspraken waarmee hij ze een beetje wijzer hoopte te maken. Waaronder dus ‘Als je iets gedaan wilt hebben, vraag het dan aan een druk iemand’.
Hoe kreeg Franklin zoveel gedaan zonder over de kop te slaan?
Een deel van het antwoord is discipline. Franklin ging vroeg naar bed, stond vroeg op en stopte zijn bezigheden in strakke tijdsschema’s. Maar, belangrijk: die schema’s werden hem niet opgelegd. Hij was dus autonoom (gebrek aan autonomie is een belangrijke factor bij burn-outs). En, nog belangrijker: al die dingen die hij deed, deed hij omdat hij gedreven werd door een tomeloze nieuwsgierigheid – Franklin was een echt kind van de verlichting.
Deels is de hoeveelheid werk die mensen aankunnen een kwestie van aanleg, leeftijd en conditie. Niemand verwacht van kleine kinderen, zieken of ouderen dat ze elke dag 8 uur per dag aan het werk zijn. Maar van iedereen daartussenin wél. En daar gaat het mis.
Want mensen zijn niet ontworpen om elke dag 8 (of 4 of 6 of 12) uur te werken. We zijn immers helemaal niet ‘ontworpen’, we zijn ontstaan. We zijn een van de tijdelijke resultaten van een lang en evolutionair proces waarvan ons lichaam de talloze sporen draagt.
Toen dat lichaam zich vormde, bestonden er geen vaste werkdagen. Onze verre voorouders werkten soms urenlang en soms maar heel even, maar altijd uitsluitend als het moest, net als alle dieren. In zijn diepste essentie is werk niets anders dan zorgen dat je in leven blijft, wat neerkomt op voedsel vergaren, een veilig slaapplekje vinden, jezelf voortplanten, het nageslacht opvoeden en passerende griezels in elkaar beuken of je snel uit de voeten maken: allemaal urgente zaken.
In onze tijd kan werk van alles zijn. Daytraden, de manager uithangen, stukjes schrijven: vaak dingen waar de urgentie niet bepaald vanaf spat. En dat is het probleem. Onze instincten zijn gemodelleerd op een leefomgeving die heel anders was dan de omgeving van nu, met als gevolg dat we niet alleen sterk geneigd zijn meer te eten en minder te bewegen dan goed voor ons is, maar ook om alleen in actie te komen als het echt noodzakelijk is.
Drukte begint met druk. In het ideale geval komt die druk van binnen. Denk aan de dichter met een sonnet dat ‘eruit moet’, of aan de nieuwsgierige Franklin. In minder ideale gevallen wordt de druk van buitenaf opgelegd in de vorm van zweepslagen, prikklokken, bonussen of dreigingen met ontslag.
Dan is er de brede tussencategorie waarbij mensen zichzelf druk proberen op te leggen via to-dolijstjes, deadlines of een van de andere duizenden methodes die de zelfhulpboeken aanraden en die allemaal gedoemd zijn te mislukken, aangezien je diep vanbinnen heus wel weet dat je jezelf aan het belazeren bent.
Hoe krijg je dan wel dingen voor elkaar? Misschien zo, in lijn met Franklins uitspraak: creëer geen nepdruk maar échte druk. Verander de dingen die je wilt doen in een probleem, want bij problemen komt ons primitieve ik meteen in actie. De keuken dweilen omdat de vloer vies is stel je gemakkelijk uit, maar als die vloer blank staat omdat je een raam hebt laten openstaan tijdens een hoosbui, ga je als een gek aan de slag.
Afgelopen zondag heb ik deze theorie getoetst met een werkje dat er al vrij lang niet van kwam: de kledingkast uitmesten. Met woeste gebaren veegde ik de planken leeg en smeet de inhoud op de grond. Daarna was de slaapkamer zo onbegaanbaar dat ik niet anders kon dan de boel opruimen. En terwijl ik lekker druk bezig was, voelde ik dat ik er nog best een klusje bij kon hebben ook.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant