Corpsleven Jojanneke van den Berge schreef de roman Uf over twee Utrechtse corpsstudenten. En ja, zelf zat ze er ook bij. „Wat vrouwen doen: meedoen, meelachen, geen zure trut zijn.”
Jojanneke van den Berge
Jojanneke van den Berge (45) schraapt haar keel, kucht en lacht zichzelf uit. „Mijn Uffen-stem komt opzetten.” De heesgebralde stem van een corpsmeisje. Uffen, zo heten de leden van U.V.S.V. / N.V.V.S.U., de Utrechtse studentenvereniging, de laatste in Nederland met louter vrouwen. Ze is presentator, journalist, documentairemaker en ja, ze was ooit lid in Utrecht, of nee, ze is het nog steeds, want corpslid blijf je voor het leven. Behalve misschien als je doet wat zij heeft gedaan, de externe eer doorbreken: de afspraak onder leden niet naar buiten te brengen wat er binnen de gelederen gebeurt en al helemaal niets negatiefs. Haar net verschenen roman Uf gaat over twee Utrechtse studenten: Eline Balfour Banga (niet van adel, wel uit een patriciërsgeslacht) en student David van Voorst (een familie met nét te weinig geld en naam). Hij is lid van USC, de mannentak van het Utrechtse corps.
Ze roept precies de wereld op die de buitenwereld toch al zo verfoeit; die van oud en nieuw geld, zuipen en zegelringen, van nullen en mores. Jonge mensen die zich een paar jaar buiten de orde uitleven, verzekerd van de beste plekken daarna. Zelf is Jojanneke van den Berge ook niet kritiekloos. Ze schrijft over waargebeurde misstanden – de speeches waarin Amsterdamse corpsleden vrouwen ‘sperma-emmers’ noemden. De verkrachting van vier studentes door een Utrechts lid. De recent uitgelekte bangalijsten van Vindicat (Groningen) en USC met namen, foto’s én 06-nummers van de grootste ‘sletten’ van de vereniging. Burgers – zoals niet-leden heten – vinden dat schandalig, media ook, universiteiten stoppen met de corpora geld geven, iedereen haakt af, behálve de leden. Elk jaar weer zijn er wachtlijsten en lotingen en even aangenomen dat niemand een student dwingt bij het corps te gaan, moet er dus ook iets leuks of goeds aan zijn.
„Humor, bescheidenheid en zelfrelativering” is wat corpsleden zo prettig in de omgang maakt, schreef oud-Quote-hoofdredacteur Sander Schimmelpenninck, lid in Rotterdam. De gemiddelde Nederlander, zegt Jojanneke van den Berge, weet niet dat het corps een plek kan zijn om talenten te ontwikkelen, waar mannen en vrouwen plezier maken en waar ouderejaars de jongerejaars ‘opvoeden’ tot verantwoordelijke volwassenen. „We liggen onder een vergrootglas”, laat ze een personage zeggen. „Het is te makkelijk en oneerlijk om het corps af te rekenen op wangedrag dat ook buiten in de echte wereld voorkomt.”
Ze vergoelijkt niks, maar je „blindstaren op een groep jongvolwassenen” vindt ze zelf ook overdreven. Uf is geen autobiografisch verhaal, zegt Jojanneke van den Berge, maar uit de details, de woorden, de gebruiken, druppelt doorleefde kennis van binnenuit. Uffen drinken paardenkutten (Apfelkorn met Spa rood), mannen heten gasten en drinken pottentreinen (rijtjes bier). Wie in een prominent huis woont, borrelt donderdags op de sociëteit – de Kroeg voor mannen, de Club voor vrouwen, discotheek Woo voor allebei. Er zijn sjaarsjokken, feuten, goede gesprekken in de geru en huisdiners. En op zo’n diner in een jongenshuis gaat het mis voor Eline Balfour Banga. Ze drinkt zich zo laveloos dat ze nauwelijks nog doorheeft dat haar date verdwenen is en een andere huisgenoot zich over haar ‘ontfermt’.
„Nee, zo niet. Ik heb wel eens een paar uur out bij de wc gelegen. Dat was op een gala van een prominent jongensdispuut uit Delft, ergens op het strand. Iemand had iets in mijn drankje gedaan en toen ik bijkwam was het feest voorbij en de strandtent leeg. Dat had heel anders kunnen aflopen.”
„Het is altijd ingewikkeld om over een wereld te schrijven waar je zelf deel van uitmaakt. Ik heb mijn ervaringen verwerkt en situaties die ik heb meegemaakt, of waarvan ik weet dat die vaak voorkomen. Wat Eline in het boek overkomt, gebeurt vaker. In Amerika is onderzoek gedaan naar fraternities en sororities bij grote universiteiten als Yale en Harvard. Jongens die lid zijn van zo’n besloten studentenclub hebben drie keer meer kans om pleger te worden van seksueel misbruik dan jongens die nergens lid van zijn, meisjes lopen 74 procent meer kans om slachtoffer te worden. Dat is huge.”
„De beslotenheid, de monocultuur van hoogopgeleide, heteroseksuele, witte mannen onder elkaar. Je ziet dan, ook in Utrecht, een giftige cultuur van controle, dwang en seksuele competitie.”
„Mijn vader, mijn moeder, ooms, tantes, neven en nichten, bij ons in de familie was iedereen lid. Veel in Utrecht, een aantal in Leiden en Groningen, Amsterdam. Maar toch, ik was er niet mee opgegroeid, mijn ouders hebben nooit gezegd: je moet erbij. Dat zie ik wel gebeuren bij vrienden van vroeger wier kinderen nu gaan studeren.”
„Dat was in mijn tijd nog niet. Het is nu populairder dan ooit, ondanks alle negatieve berichten.”
„Niet dankzij. Ik denk dat jonge mensen meer dan ooit behoefte hebben aan saamhorigheid, je thuis voelen en ergens bij horen. Dat is echt iets wat je bij het corps vindt.”
„Nee joh, ik woonde in Brabant. Eerst zat ik op een dorpsschooltje en daarna op de middelbare school in Helmond waar niemand ooit van het corps had gehoord. Scholieren uit Wassenaar, Bloemendaal, het Gooi of de goede scholen in Den Haag en Amsterdam worden uitgenodigd voor pre-borrels waar de beste plekken in huizen of disputen worden geregeld. Zo wordt het steeds incestueuzer.”
„Mijn nicht was lid bij U.V.S.V., ik logeerde in haar ouweballenhuis, zij ging die zomer voor ik aankwam naar New York. Zij heeft me voor het eerst meegenomen naar de Club.” Sociëteit Hestia, gevestigd in een herenhuis aan de Drift in hartje Utrecht. „De deur die openging, die warmte, dat geluid. Fantastisch.”
Jojanneke van den Berge studeerde rechten, switchte naar communicatiewetenschappen in Amsterdam, maar bleef in Utrecht wonen. „Ik koos voor de plek waar toneel belangrijk was, dat heb je bij alle corpora wel, maar vooral in Utrecht. Die toneelvereniging is een wereld waar de buitenwereld geen weet van heeft, zo’n leuke en creatieve plek waar jongens en meisjes sámen prachtige dingen maken. Ik heb in het bestuur gezeten, met die mensen van toen heb ik nog contact, vaak ga ik naar de voorstellingen. Veel van ons zijn ook echt acteur geworden of terechtgekomen in de tv- en theaterwereld. Daar hoor je nooit wat over, maar echt niet elk corpslid eindigt op de Zuidas. Mijn man, Thijs [Zonneveld, oud-wielrenner en journalist] heeft wel gestudeerd, hij is jurist, maar had niks met het corps tot hij mijn vrienden leerde kennen. Hij was verbaasd dat iedereen zo goed kon spreken, zulke mooie verhalen kon houden.”
„Er zijn genoeg dingen die ik wanstaltig vind, maar mooie dingen zijn er zeker. Die wilde ik ook laten zien. Ik heb mijn boek laten lezen aan het bestuur. Zo van: dit komt eraan, dan weet je wat erin staat.”
„Ze waren positief verrast. Dan zie je de reflex waar het corps altijd inschiet bij aandacht van buitenaf. ‘Zal wel weer negatief zijn.’ Wat ook gewoon vaak zo is. En dat maakt weer dat ze de deuren nog wat dichter houden.”
„Het corps is een microkosmos. Alles wat ‘buiten’ gebeurt zie je daar ook, maar uitvergroot. Seksistische grapjes, vrouwen aanspreken met hoer of hertje, meisjes uitroepen tot jaarlekkertje, het corps doet het allemaal af als grap. Ik zie het als voedingsbodem voor erger, voor misbruik en geweld. De mannen die bij het lustrum-diner in Amsterdam opperden de ‘nekken van vrouwen te breken om hun lul erin te steken’ – dat was een onrealistische overdrijving, zei het Openbaar Ministerie. Het kwam niet tot vervolging wegens groepsbelediging, want vrouwen zijn voor de wet geen groep. De advocaat van de USC’er die terechtstond voor verkrachting, voerde ter verdediging aan dat de jongen in een cultuur leefde van bier en heel veel seks. Aha, dus is het oké dat hij vrouwen verkracht, bedoelt-ie dat? Een bangalijst is niets anders dan slutshaming en het effect ervan is desastreus.”
„Ik niet, een familielid wel. Ik stond alleen in de almanak, alle eerstejaars-meisjes werden beoordeeld met bunny-oortjes, dus niks met ‘kankervies’ of ‘slet’ erbij. Ik kwam er geloof ik bekaaid af. Achteraf was dit ook al niet oké natuurlijk.”
„Ik was geen popje in elk geval. Ik kwam aan door de drank, ze vonden dat ik een dikke reet had. Als je foto’s ziet van mijn huis en mijn jaarclub, allemaal dikke koppen, capuchon-truien, afrits-broeken, Timberlands eronder. Heerlijk. Ik heb me nergens zo krachtig gevoeld als toen met al die vrouwen in een vereniging. Zonder mannelijke blik, los van alle verwachtingen en voorschriften voor hoe vrouwen horen te doen. Lomp zijn, schreeuwen, stoeien, vechten. Wanneer mogen meisjes dat nou? Die vrijheid om te rauzen, je hele lijf in te zetten, dat heb ik alleen maar daar ervaren. Heer-lijk. Op die zusterschap teer ik nog steeds.”
„Ook in mijn tijd moest je als meisje uitkijken dat je niet werd betrapt met een jongen. Ging je als eerstejaars met een paar jongens naar bed, dan was je het laagste meisje van je jaar. Op kroegavonden lagen er opblaaspoppen met jouw naam erop, en dan ben je net 18.”
„Ik begrijp het, maar ik vind toch dat je de verkeerde pakt. De opdrachtgevers laat je ongemoeid, de ouderejaars in de prominente huizen, de jongens die weer dikke vriendjes zijn met jongens van de Kroeg en het bestuur. En je laat de senaat, die prostituees op de sociëteit uitnodigt voor een showtje anaal ringwerpen, wegkomen met publieke excuses voor het vréselijke incident dat totáál niet in overeenstemming is met de normen en waarden van het USC. Ik word daar woest van. Je gooit jongens die net kind-af zijn voor de bus en laat de smerige cultuur in stand.”
„Wat een gelul, moet je je als vrouw overal terugtrekken omdat het er vrouwonvriendelijk aan toegaat? Nee, je moet juist lid worden en ruimte innemen. Proberen de boel van binnenuit te veranderen.”
„Ik heb er totaal geen traumatische herinnering aan, maar het wás natuurlijk vernederend. De man-vrouwverhoudingen werden in één klap duidelijk. De jongens net klaar met de ontgroening, zij hadden gegeten en gedoucht. En wij, ongewassen en uitgeput, onder gespoten met ketchup, knoflooksaus en mayonaise. Hup, zo de sociëteit uitgeveegd, dwars door een haag jongens die ‘hoeren, hoeren’ scandeerden. Pas later ga je denken: gek dat we dat deden. Maar dit is dus precies wat vrouwen doen als ze ergens ruimte proberen in te nemen, op de werkvloer, in de universitaire wereld. Meedoen, meelachen, geen zure trut zijn, geen zeikwijf.”
„Wat ik lastig vind aan de mediawereld, er worden misschien geen bangalijsten gemaakt van redactieleden, maar ik heb aan den lijve meegemaakt dat het er niet heel anders aan toegaat dan bij het corps. De grappen, de mannen in leidinggevende functies die iets willen of proberen. Ik erger me kapot aan de high horse-positie van media, hoe het corps wordt neergezet als een of ander obscuur, rechts eliteclubje waar van alles mis is. Een buitenlandcorrespondent laat je niet schrijven over een land waar-ie nog nooit is geweest, over het corps gebeurt dat wel. Corpsleden trekken zich niet aan van wat slecht-geïnformeerde mensen vinden, spijt-knorren noemen ze die” – jaloerse mensen die stiekem best lid hadden willen zijn. „Oud-leden met goede posities in de politiek en media zouden zich moeten uitspreken over misstanden. Maarten van Rossem, prins Pieter-Christiaan waren lid in Utrecht, Ruben Nicolai [cabaretier en presentator] ook. Het gekke is, dat merk ik ook, de angst om buiten de groep te stappen blijft. Of mensen hebben weer kinderen die lid willen worden en die willen ze niet benadelen, dat snap ik ook. Ik heb met dit boek ook even gedacht: misschien raak ik nu alles kwijt.”
„In de journalistiek, maar ook nu ik even rondloop in de literaire wereld, het is not done om te zeggen dat je bij het corps zat én het nog leuk hebt gevonden ook. Maar ik doe het toch, bij dezen. Als ik naar mijn leven kijk, ik ben net met mijn oude huis naar Lissabon geweest, ik had afgelopen weekend een grote oudhuisgenotendag met zestig vrouwen, met de helft van mijn jaarclub heb ik hecht contact, met iedereen van het toneelbestuur. Dus ja, het klopt wel, corpslid ben je voor het leven.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC