Home

Met programmeren bereik je niet een betere digitale wereld

Programmeren Een inclusievere digitale wereld moet nog steeds het streven zijn, schrijft Felienne Hermans. Maar de manier daarvoor is niet om meer mensen de wereld van de programmeertalen in te lokken met beloftes over het veranderen van de wereld.

Open dag voor kinderen en hun ouders in het Technovium in Nijmegen.

Na een lang proces zijn vorige maand de nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid gepubliceerd, die alle basisscholen en middelbare scholen in de onderbouw moeten gaan aanbieden. Een van die doelen gaat over maken in de digitale wereld, waar ook programmeren onder zal vallen. Eindelijk, verzuchtten veel van mijn programmerende vrienden, eindelijk moeten kinderen verplicht kennismaken met programmeren.

Felienne Hermans is hoogleraar Computer Science Education aan de VU.

De verplichting komt echter op een wrang punt in de tijd, net nu AI ervoor lijkt te zorgen dat begrip van programmeren niet meer nodig is, iedereen ‘vibecodet’ toch zo een appje in elkaar? Nu is dat absoluut niet mijn reden om niet enthousiast te zijn; zoals veel feitenkennis en goede leesvaardigheid nodig is om de hallucinaties in tekstuele output van AI te kunnen zien, zo is programmeervaardigheid nodig om te snappen wat ChatGPT of Claude voor je programmeert, en om de juiste prompts te kunnen schrijven. Als je niet weet wat het verschil is tussen een app en een database kom je niet ver.

Er is voor mij een hele andere reden dat ik niet meer sta te springen om programmeerles op school. Hoe ik van mijn geloof gevallen ben? Dat ging, zoals dat gaat, eerst heel langzaam en toen heel snel.

Maakvirus

Toen ik zelf als kind leerde programmeren, werd ik gegrepen door het maakvirus; als je code een beetje snapt, kan je games maken, apps en zelfs je eigen programmeertaal als alle bestaande je niet bevallen. Ik dacht, ten onrechte zie ik nu, dat dat virus bij anderen net zo besmettelijk zou zijn, en dat ieder kind na een paar lessen spontaan hele nachten zou gaan programmeren. Om ze te veranderen van consumenten in producenten, zo zei ik steeds, niet om meer programmeurs te kweken voor Silicon Valley. En het maakvuur wilde ik dan vooral op doen laaien bij niet-traditionele programmeurs: meiden en kinderen zonder computer thuis. Programmeren is voor iedereen!

De realiteit bleek taaier. Toegegeven, in iedere groep die ik lesgaf zaten er wel een paar die de smaak ook te pakken kregen en begonnen aan eigen games en apps. Maar het grootste gedeelte van de leerlingen vond programmeren saai, moeilijk, en zag niet waarom het nuttig was. Hoe makkelijk, leuk of ‘spelenderwijs’ ik het ook maakte, het lukte niet.

En misschien ligt dat niet aan programmeren? Een uurtje programmeren kan niet op tegen een wereld waar eindeloos vermaak op TikTok loert, en vakken als kunst, handenarbeid en techniek een bijzaak zijn. En welke ouders geven thuis nog het voorbeeld en máken dingen? Dat was een fijne gedachte waar ik een tijdje troost in vond: het ligt niet aan mij, de maatschappij moedigt maken niet meer aan, dus digitaal maken ook niet.

Error!

Naarmate de tijd echter vorderde, ging ik steeds meer nadenken over wat programmeren met je doet. Wie weleens heeft geprogrammeerd, al is het maar in een formule in Excel, weet dat de computer onvergeeflijk is. Een puntkomma of soms zelfs een spatie op de verkeerde plek? Error! Je kunt programmeertalen wel makkelijker maken, maar je loopt toch tegen dit gedoe aan, ook als je je codes uit een LLM (Large Language Model) tovert. Wat zegt dat over wie die barrière wél overwint?

Mijn wereldbeeld kantelde pas echt toen in een gesprek met een bevriende journaliste, die tijdens haar studie leerde programmeren maar al snel opgaf. Waarom, vroeg ik, want ze leek me een slim en leergierig iemand. Een van de mensen die het haar leerde, zo legde ze uit, sprak steeds in absolute waarheden, zoals „om iets te printen moet je print („hallo”) typen”.

Maar waarom moeten we iets printen, vroeg ze? En waarom moeten daar ronde haakjes? Wat is het doel waar we naartoe werken? De persoon van wie ze les kreeg vond haar vragen heel frustrerend en zei: „Doe nou maar gewoon wat ik zeg!” Ook ik heb weleens dat soort antwoorden gegeven aan leerlingen, dat voelt heel onbevredigend, maar je moet je aan de regels houden, anders doet de computer niet wat je wilt. Ze stopte, want, „als er geen ruimte is voor waarom-vragen, dan voel ik me een vak niet thuis.”

Bam, dat was raak! Programmeren vormt wie erin zit, én wie er niet in wil blijven. Ik geloof dus niet meer in programmeren als een manier om een betere digitale wereld te bereiken, want de mensen die dat zouden kunnen doen, die komen niet. Die zien een wereld die onveranderbaar is, rigide, en abstract, en denken: geef mijn portie maar aan Fikkie.

Ik wil nog steeds een betere, inclusievere digitale wereld met software die uitnodigt tot dialoog, participatie en creatie, maar ik denk niet dat de manier daarvoor is om meer mensen de onmenselijke wereld van de programmeertalen in te lokken met beloftes over het veranderen van de wereld.

We moeten niet mensen wier natuur het is om te bevragen en dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken, in de stramienen van de computer dwingen. We moeten juist mensen die van nature in onbuigbare regels denken, of dat zijn gaan doen door herhaaldelijke blootstelling aan computers, leren om vragen te stellen, om te betwijfelen en om soms de computer aan de wereld aan te passen. Met andere woorden: meer humanities in de bèta, niet andersom.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next