Een goede week geleden, op zondag 5 oktober, even na het middaguur, reden er motorrijders in escorte door mijn straat: dat rijden kan ook rustig gebeuren, maar zo’n machine smeekt als het ware om geraas en een onbehoorlijk aantal decibellen. Dat was het geval, geluid als wapen, heel effectief. Aan de achterkant voerden die motoren grote, Palestijnse vlaggen met zich mee. Was dit bedoeld als adhesiebetuiging aan de Rode Lijndemonstratie, die een uurtje later op het Amsterdamse Museumplein zou beginnen? Ik vond de combinatie motorgeweld-Rode Lijnprotest intuïtief vreemd. Ronkende motorclubs verwacht ik eerder bij boerenprotesten en anti-asielbijeenkomsten. Dat er op die Rode Lijnzondag zo’n 250.000 mensen door de straten van Amsterdam trokken, zonder noemenswaardige vernielingen of opstootjes – het is maar weinig demonstraties gegeven. Het merendeel van de deelnemers kwam niet op voor het directe eigenbelang op – hoger loon, minder werkdruk – maar protesteerde tegen de aanhoudende verwoesting van mensen, gebouwen en een complete cultuur op zo’n vijf uur vliegen hiervandaan.
Ik moet nu als columnist even overschakelen op de toekomende tijd, want de anti-asieldemonstratie die zondag ook in Amsterdam plaatsvond, ligt op het moment van schrijven, de vrijdag ervoor, nog in het verschiet. Dat is een probleem, want een voorspellende gave is mij niet gegeven. Wel lukt het prima om mijn eigen nervositeit en die van de stad Amsterdam als geheel te onderkennen. De herinnering aan het anti-asielprotest in Den Haag op het Malieveld van 20 september helpt daar ook bij. Daar viel werkelijk weinig vreedzaams te ontdekken, ook dankzij rellende deelnemers en voetbalhooligans – het onderscheid was niet altijd even duidelijk.
Bovendien weet ik iets van de organisator van het Amsterdamse anti-asielprotest van zondag: dat is Martijn Koops. Ik vond een oud interview met hem in het Algemeen Dagblad van eind 2020, waarin Koops zich opwierp als de tegenstander van de anti-coronamaatregelen die toen waren genomen – het was die tijd. Hij dreigde om die reden dat toenmalig burgemeester van Utrecht Jan van Zanen „een baksteen in zijn nek” zou krijgen. Maakte zich sterk voor Zwarte Piet en de omgekeerde Nederlandse vlag want „blauw, wit, rood, Nederland in nood”.
Overheden hebben zich niet te bemoeien met de inhoud van een demonstratie, maar als gewoon burger is het ondoenlijk je onpartijdig op te stellen.
Ik haal het bijvoorbeeld niet in mijn hoofd zondag naar het Museumplein te gaan. Iedereen die verdacht kan worden van een niet ‘passend’ Nederlands uiterlijk – wat dat ook moge zijn – weet dat zoiets linke soep kan zijn. Het is de vrees die vooruitsnelt, en die ervoor zorgt dat een groot deel van de stad niet in blijde, maar in angstige verwachting verkeert.
Er is de laatste weken veel geschreven over Nederland als ‘hypernerveuze samenleving’. Wat in een heel land gebeurt, laat zich nog sterker voelen in een stad, zeker als het de stad is waar je al zo’n kleine vijftig jaren woont. Ik zal niet de enige zijn die zich zondag unheimlich voelt in zijn eigen woonplaats. Is zo’n demonstratie al die spanningen waard?
Nee, wil de angsthaas in me zeggen. Ja, knikt de brave burger met tegenzin, want in een liberale democratie is het demonstratierecht niet heilig, maar wel essentieel.
Ik voorzie één pluspunt: de planning is het protest om 16 uur te beëindigen, want toevalligerwijs gaat dan net de Johan Cruyff Arena open voor de WK-kwalificatiewedstrijd Nederland-Finland. Zo’n anti-asieldemonstratie is natuurlijk broodnodig, maar alles op zijn tijd, hè.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC