Ziekte-uitbraken onder vee zijn zo oud als de veeteelt zelf. In 1866 leidde runderpest tot economische ontwrichting – en tot de eerste wet op dierziektes. Wat hebben we sindsdien eigenlijk écht geleerd?
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Het begon met een vrachtschip uit Tallin. Op 29 mei 1865 leverde de kustvaarder S.S. Tonning een transport runderen vanuit Rusland af in de Engelse havenstad Hull. Een van de dieren leek tijdens het lossen niet helemaal in orde, maar dat werd door de bemanning opgelost met een paar slokken brandewijn. Drie dagen later stonden de koeien op de veemarkt in Londen, inclusief het zieke dier, dat besmet bleek met het zogeheten morbillivirus, de veroorzaker van runderpest.
Zo raakte Londen in de greep van een jarenlange vee-epidemie, die zich uitbreidde naar het de rest van het Verenigd Koninkrijk, en vervolgens naar Frankrijk, België en Nederland. Grote en kleine uitbraken van dierziektes zijn ook de afgelopen jaren gemeengoed, van de mond-en-klauwzeerepidemie van 2001 tot varkenspest, Q-koorts en blauwtong. Het meest recente geval is voorlopig een vogelgriepuitbraak op een pluimveehouderij in Gasselternijveenschemond, op de grens van Groningen en Drenthe.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
De veepest van 1866 was geen nieuwe ziekte. De Romeinse dichter Severus Sanctus Endelechus schreef al in de 4de eeuw in De mortibus boum (‘Over de dood van rundvee’) over een besmettelijke ziekte die volgens moderne onderzoekers overeenkomt met de runderpest. In Nederland waren vooral in de 18de eeuw een paar langdurige uitbraken geweest, onder meer van 1713 tot 1719, van 1741 tot 1756 en van 1768 tot 1786.
Overheden hadden in de loop van de 18de eeuw proefondervindelijk geleerd hoe je dierziekte-epidemieën moest bestrijden. In twee woorden: indammen en terugdringen, respectievelijk met een vervoersverbod voor vee en door het afmaken en zo snel mogelijk begraven van getroffen dieren. Dat indammen en terugdringen is nog steeds de kern van de Nederlandse aanpak. Na de uitbraak in Gasselternijveenschemond werden alle 71 duizend kippen van de getroffen boerderij vergast. In een straal van 10 kilometer rond het veebedrijf geldt nu een vervoersverbod en een zogeheten ophokplicht voor pluimvee.
Zo’n verbod heeft een zwakke plek: iedereen moet zich eraan houden, anders werkt het niet. Tijdens de runderpest van 1866 was dat een belangrijk probleem. Om de verspreiding van het virus te stoppen, had de regering een militair kordon rond het getroffen gebied in (met name) Zuid-Holland gelegd, inclusief bewapende stoomboten. Dat kordon was allesbehalve waterdicht. Een artikel in het tijdschrift De Gids, destijds een belangrijke spreekbuis van met name liberale politici, beschrijft het ontstaan van bendes die de blokkades probeerden te omzeilen: ‘Zoodra de lijn, waarlangs het kordon loopen zal, vastgesteld is, vormt zich uit de aanwonende streken een corps smokkelaars, die (…) zamenzweren tegen allen, aan wie de bescherming van het kordon is toevertrouwd.’
Er was nog een probleem: om de ziekte te bestrijden, waren veemarkten voorlopig opgeschort. Gevolg was dat handelaren (‘een heirleger veekoopers’, volgens De Gids) niet meer naar markten gingen maar nu van boerderij naar boerderij trokken, waar ‘de besmetting maar al te dikwijls door hen schijnt te worden overgebracht.’
De runderpestuitbraak van 1866 duurde ongeveer twee jaar. Het is onmogelijk te zeggen hoeveel dieren in die periode verspreid over Europa zijn gestorven of afgemaakt – honderdduizenden, mogelijk zelfs miljoenen. In Nederland was de pestepidemie aanleiding voor de Veewet van 1870. Voor het eerst kwamen er vaste, landelijke regels voor dierziektebestrijding. Een van de belangrijkste bepalingen in de wet was een meldplicht voor dierziektes als runderpest, kwade droes, mond-en-klauwzeer en schapenpokken.
De vee- of runderpest is sinds 2010 officieel uitgeroeid, maar andere veeziektes blijven regelmatig opduiken. Mogelijk schiet de wetgeving tekort, houden niet alle betrokkenen zich aan de regels, of vormen ziekte-uitbraken simpelweg een onvermijdelijk bijverschijnsel van de moderne landbouw.
Die laatste conclusie is bepaald niet nieuw. Al in 1866 constateerde De Gids dat de bestrijding van de pestuitbraak ingrijpende economische gevolgen had: ‘Landbouw kan in den tegenwoordigen tijd niet bestaan zonder handel en vervoer van voortbrengselen; beperking doet al spoedig meer nadeel dan de runderpest.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant