De Britse politiek van vlak voor de Brexit heeft verdacht veel weg van het Den Haag van nu, zo valt te lezen in de memoires van de Britse oud-minister (en populair podcastmaker) Rory Stewart. Waarom zou iemand nog beginnen aan dat ‘afschuwelijke beroep’?
is politiek verslaggever en onderzoeksjournalist van de Volkskrant.
Ex-premier Mark Rutte leek in zijn Haagse jaren onkwetsbaar voor kritiek. Na een pijnlijke onthulling of een scherpe analyse bleef hij allerhartelijkst. Brede lach. Duim omhoog. Een kritische biografie noemde hij enthousiast een ‘leuk boekje’.
Toch kon Rutte soms laten merken hoe hij werkelijk dacht over zijn critici. Een gesprek uit 2013 is me altijd bijgebleven. De premier had op het hoogtepunt van de economische crisis het volk opgeroepen het Centraal Planbureau (CPB) te verslaan. Door te stoppen met somberen zouden ‘we’ de negatieve economische prognosen kunnen logenstraffen. ‘Laten we wél die auto kopen, laten we wél dat huis kopen, we moeten een beetje risico nemen en vertrouwen hebben.’
Achteraf gezien een prima advies – hadden we toen maar dat huis gekocht – maar destijds resulteerde de peptalk vooral in een hoogconjunctuur aan sarcasme. Rutte was totaal wereldvreemd, zo luidde de algehele diagnose.
Na alle hoon vroeg iemand aan Rutte of hij nog een beetje plezier had in het premierschap. Hij stak een heel betoog af over hoe hij op zijn positie een echte bijdrage kon leveren aan het land, hoe hij kon samenwerken met andere partijen die ook iets wilden bereiken en hoeveel leuker, bevredigender en interessanter dat was dan alleen maar aan de zijlijn staan en commentaar geven.
Zijn punt was duidelijk. De aanwezige journalisten zwegen even.
De voormalige CDA-politicus Pieter Heerma speelde bij Ruttes afscheid in op hetzelfde sentiment door de premier uit te zwaaien met het bekende citaat van de Amerikaanse president Theodore Roosevelt:
‘Het is niet de criticus die telt, niet degene die erop wijst waarom de sterke man struikelt of wat de man van daad beter had kunnen doen. De eer komt toe aan de man die daadwerkelijk in de arena staat, zijn gezicht besmeurd met stof, zweet en bloed, die zich kranig weert, die fouten maakt en die desondanks toch probeert iets te bereiken, die zich helemaal geeft voor de goede zaak.’
Het blijft een aantrekkelijk beeld voor (aspirant-)politici. Dat lees je ook terug in de memoires van de Britse ex-politicus Rory Stewart, vorig jaar in het Nederlands verschenen onder de titel Op het scherpst van de snede. Er bestaat waarschijnlijk geen boek dat dichter bij de leefwereld van de moderne politicus komt dan deze terugblik op een decennium waarin de Britse politiek in de greep raakte van chaos, populisme, partijgekonkel en botsende persoonlijke ambities op de ministeries – de parallellen met de Nederlandse toestanden van de afgelopen jaren zijn moeilijk te overzien.
En bij bijna elke scène die Stewart beschrijft, dringt zich al snel de vraag op: waarom zou iemand in vredesnaam nog de politiek in willen?
Stewart, die tegenwoordig met ex-Labour-spindoctor Alastair Campbell de populaire podcast The Rest is Politics maakt, slaagt er in zijn memoires zelf ook niet helemaal in om die vraag te beantwoorden. Voordat hij in 2009 overstapt naar de politiek, heeft hij al een succesvolle carrière opgebouwd als militair, diplomaat, ontwikkelingswerker, hoogleraar en auteur van meerdere succesvolle boeken. Wat wil iemand nog meer?
De politiek in, dus. Een inspiratiebron is daarbij Michael Ignatieff, een bekende intellectueel die een jaar eerder de politiek is ingegaan om – tevergeefs – een gooi te doen naar het Canadese premierschap. Geheel in de geest van Roosevelt vertelt Ignatieff dat de politiek een kans biedt ‘om geen toeschouwer meer te zijn, de tribunes te verlaten en mee te gaan spelen’.
‘Niets vergt zo veel van je’, krijgt Stewart van hem te horen. ‘Politiek vraagt meer van je geest, van je ziel, van je emotie dan wat ook op aarde. Jij en ik zijn erin geoefend te speculeren, te herkauwen, te mijmeren over dingen, we zijn bezig met laten zien hoe slim we zijn. Het publiek is niet geïnteresseerd in hoe slim je bent. Ze zijn niet geïnteresseerd in jouw denken, ze willen weten waar je staat.’
Stewart raakt ervan overtuigd dat een leven aan de zijlijn niet genoeg is. ‘Ik kreeg het gevoel dat heel mijn openbare leven tot nu toe zinloos was, tenzij ik op zijn minst probeerde binnen te komen in wat Michael ‘de arena’ had genoemd.’
Maar dan nog blijft de vraag: waarom? Zelfs veel later in zijn carrière, als hij een gooi doet naar het premierschap, heeft Stewart moeite om uit te leggen wat zijn grote politieke drijfveer is. ‘Kan ik niet gewoon zeggen dat ik van Groot-Brittannië een beter en gelukkiger oord wil maken?’, vraagt hij zich bijna wanhopig af.
Stewart lijkt zo bijna een scène na te vertellen uit de documentaire De Wouter Tapes over de verkiezingsnederlaag van Wouter Bos in 2006. De PvdA-leider wordt daarin door adviseurs aangemoedigd om zijn diepste politieke motieven uit de doeken te doen, maar hij komt er niet uit. ‘Ik wil het leven gewoon een beetje beter maken voor mensen, maar dat is in het politieke discours niet genoeg, dat is geen visie’, zegt Bos mokkend.
Stewart en Bos lijken allebei te beseffen dat er iets ontbreekt om kiezers ervan te overtuigen dat ze door meer worden voortgestuwd dan persoonlijke ambitie en technocratische geldingsdrang.
Voor generatiegenoot Rutte gold hetzelfde: ook hij werd achtervolgd door de vraag wat hem nou precies dreef, behalve de wil om politiek te overleven.
In een medialandschap waarin politici steeds meer moeten vechten om de aandacht van de kiezer, is het niet moeilijk om te zien dat ze daarmee ruimte laten aan meer populistische politici. Die komen wel met grote verhalen – over het weer in eigen hand nemen van het lot (‘take back control’), het opnieuw great maken van een land dan wel het vechten tegen een door Wilders opgeroepen ‘multiculturele hel’.
Stewart begint zijn politieke loopbaan op het moment dat er helemaal geen behoefte is aan grote visies. Integendeel. Alles is gericht op de dagelijkse nieuwscyclus, de peilingen en de noodzaak van permanente politieke campagne.
Eenheid is het grootste goed, zo legt een fractiesecretaris van het Lagerhuis uit: ‘Ik probeer altijd consensus te bereiken. En de consensus is dat de premier gelijk heeft.’
Premier David Cameron zelf vat het anders samen: ‘Ik verdeel de wereld in teamspelers en rukkers: wees geen rukker.’
Stewart schikt zich de eerste jaren grotendeels in zijn rol. Aan zijn expertise, bijvoorbeeld over Afghanistan, waar hij jarenlang actief is geweest, wordt geen enkel belang gehecht. Cameron acht zichzelf de specialist. Stewart volgt de partijlijn, al verstopt hij zich een enkele keer tijdens een stemming op de wc.
Het zal herkenbaar zijn voor Nederlandse Kamerleden. Rutte leidde zijn VVD op een vergelijkbare manier: loyale Kamerleden overleefden, meer eigenzinnige types dropen af.
De hang naar controle hangt ook samen met angst voor de critici aan de zijlijn: elke fout kan leiden tot een storm op sociale media, zure columns in de krant en over elkaar heen buitelende tv-commentatoren. ‘We zijn trapezekunstenaars op roestige toestellen boven fatale diepten’, schrijft Stewart daarover. ‘Je valt voor je het weet.’
De ex-diplomaat ervaart dat zelf als hij in een onhandig interview zijn eigen kiezers lijkt weg te zetten als armoedige boerenkinkels. De ‘boerenkinkelblunder’ gaat de dagen daarna viraal, op tv wordt zijn aftreden geëist en de Daily Mail veegt de vloer aan met de ‘spottende hypocriet’.
Stewart denkt even dat de schaamte nooit meer te overwinnen zal zijn. Hij benadert de partijtop voor hulp, maar die wil even niets met hem te maken hebben. ‘Het lijkt belachelijk om het nu te vertellen – maar het was de enige keer in mijn leven dat ik even zelfmoord overwoog.’
Wie floreert in zo’n omgeving van enerzijds onderwerping en anderzijds permanent gevaar? Stewart piekert, ligt wakker, is uitgeput. ‘Ik bleef wanhopig een rechtvaardiging zoeken voor de jaren dat ik naar dit afschuwelijke beroep had toegewerkt.’
Ook Stewart wordt overvleugeld door een ander soort politicus, van wie de latere premier Liz Truss een exponent is. Ze klimt op in de rangen dankzij haar loyaliteit aan Cameron en doordat ze beeldvorming boven alles plaatst. Als Truss om een plan vraagt, wil ze geen echt plan, maar iets wat binnen drie dagen naar The Telegraph kan worden gestuurd. ‘Een persbericht dat zich voordoet als plan.’
‘Haar genialiteit lag in overdreven eenvoud’, concludeert Stewart somber. ‘Regeren kan een kwestie zijn van kritisch denken, maar bij de nieuwe stijl van politiek bedrijven was dat niet het geval. Kritisch denken mocht nederigheid vereisen, deze politiek vergde absoluut vertrouwen, bood in plaats van realiteit ongeremde hoop, bood in plaats van nauwkeurigheid vaagheid.’
Het is moeilijk om bij die beschrijving niet te denken aan het coalitieakkoord van het kabinet-Schoof. De plannen waren vaag en bleken veelal onuitvoerbaar, maar er was des te meer ‘hoop, lef en trots’, zoals de titel van het akkoord luidde.
De Britse politiek gaat er uiteindelijk aan ten onder. Stewart trekt een streep als de in zijn ogen ‘chaotische en gladde zwendelaar’ Boris Johnson zich in 2019 kandidaat stelt voor het partijleiderschap en daarmee het premierschap.
In een soort alles-of-niets-poging stelt Stewart zich ook kandidaat. Hij voert een campagne waarmee hij zich weet te onderscheiden van andere uitdagers, maar uiteindelijk blijft Johnson de publiekslieveling die met vage maar zelfverzekerde plannen belooft dat hij van het Verenigd Koninkrijk weer een trots en onafhankelijk land zal maken.
Stewart ziet dat zelfs partijgenoten die hij waardeert en die net als hij gruwelen van Johnson overstag gaan.
‘Hoe kun je hem ooit steunen?’, vraagt Stewart.
‘Omdat hij een winnaar is.’
‘Maar hij wordt een vreselijke premier.’
‘Niemand wordt premier als we de volgende verkiezingen niet winnen.’
De Conservatieve Partij wint onder leiding van Johnson inderdaad de verkiezingen, maar raakt onder zijn leiding en die van Truss totaal in verval. De huidige oppositiepartij moet nu vrezen weggevaagd te worden ten faveure van de rechts-radicaal Nigel Farage.
Stewart verlaat in 2019 in mineur de politiek. Er is misschien een lichte vorm van ruttiaanse wereldvreemdheid voor nodig, maar toch lijkt er ook iets positiefs te halen uit zijn ervaringen.
Stewart is een groot deel van zijn carrière wanhopig op zoek naar manieren om zijn overstap naar de politiek te verantwoorden. Pas aan het einde van zijn loopbaan vindt hij zijn missie in het bestrijden van de Brexit en Johnsons populisme. Hij weet daarmee ook een breder publiek te bereiken door meer eenvoudige taal en zelfs slogans te gebruiken. Zelf schrijft hij daarover: ‘Ik voelde me bozer worden. Tot mijn verbazing verloor ik mijn onbehagen over confronterende politiek. Nu zag ik het nut van politieke aanvaringen.’
De nieuwe generatie democratische politici hoeft er met de acute dreigingen voor de rechtsstaat en internationale veiligheid niet meer van doordrongen te raken dat er meer op het spel staat dan alleen het leven van mensen een beetje beter maken. Het is waarschijnlijk meer een vloek dan een zegen, maar ze hoeven niet meer wanhopig op zoek naar een verantwoording om te kiezen voor ‘een afschuwelijk beroep’.
Rory Stewart: Op het scherpst van de snede – Politiek van binnenuit. Uit het Engels vertaald door Mario Molegraaf. Prometheus; 480 pagina’s; € 29,99.
Luister hieronder naar onze politieke podcast De kamer van Klok. Al onze podcasts vind je op volkskrant.nl/podcasts.
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant