Zanger, tekstschrijver en theaterdirecteur Joost Nuissl, die afgelopen dinsdag na een kort ziekbed op 79-jarige leeftijd overleed, stond te boek als gedreven pleitbezorger van de Nederlandse kleinkunst en een innemende gastheer van ‘zijn’ theater, De Kleine Komedie in Amsterdam.
schrijft voor de Volkskrant over theater.
Toen Nuissl eind jaren tachtig aantrad als directeur van De Kleine Komedie, was het naar eigen zeggen ‘een puinhoop’ bij het theater aan de Amstel. Zowel de organisatie als het gebouw zelf stonden op omvallen. Bijna twintig jaar later liet Nuissl niet alleen een gezonde theaterinstelling achter: De Kleine Komedie groeide onder zijn leiding definitief uit tot de belangrijkste cabarettempel van Nederland. Als je naam bij hem op de gevel stond, was je ook in de rest van het land klaar voor de grote zalen.
Nuissl nam humor serieus en pleitte voor inhoud achter de grappen. ‘De Kleine Komedie is er niet voor het pure amusement, het moet ergens over gaan’, zei hij bij zijn aantreden in 1987.
Daarvoor had Nuissl al een carrière als luisterliedjeszanger achter de rug en schreef en vertaalde hij nummers voor onder meer Lenny Kuhr en Rob de Nijs. Vijftig jaar geleden scoorde hij, samen met een plaatselijk dameskoor en fanfare-orkest, de hit Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben. Begin jaren tachtig boekte hij met muzikant Joost Belinfante, met wie hij enkele jaren een duo vormde, nog een bescheiden succes met het nummer Lieve Lina.
Maar zijn echte passie vond hij achter de schermen, eerst als theaterdirecteur van het Waagtheater in Delft en later bij De Kleine Komedie, waar hij de langstzittende directeur van het theater tot dusver zou worden. Onder artiesten stond hij bekend als een gepassioneerde en zeer betrokken directeur, iemand die zenuwachtige cabaretiers vlak voor aanvang onvermoeibaar moed insprak in de kleedkamer. Zonder bespelers, wist hij, kan een theater niet floreren.
De loyaliteit was wederzijds, blijkt onder meer uit de diverse acties waarin cabaretiers belangeloos optraden om aandacht of financiële middelen voor het theater te genereren.
Populaire cabaretiers als Youp van ’t Hek, Herman Finkers en Brigitte Kaandorp, die begin jaren negentig het vijfhonderd stoelen tellende lijsttheater allang ontgroeid waren, bleven De Kleine Komedie nog lang trouw. Voor hen reserveerde Nuissl soms een hele maand in de agenda.
Maar naast de grote publiekstrekkers, maakte hij zich hard voor de nieuwe generatie, bijvoorbeeld met ‘cabarestafettes’ waarin meerdere aanstormende talenten op een avond optraden. Hij lanceerde onder meer Hans Teeuwen, Theo Maassen, Acda & De Munnik en Sanne Wallis de Vries in de cabaretwereld. Naast zijn werk als directeur nam hij zitting in diverse cabaretfestivaljury’s.
Als voorvechter voor cabaret als volwaardige podiumkunst, streed Nuissl bovendien jarenlang voor ‘een serieus te nemen prijs voor een serieus te nemen theatervorm’. In 1992 eerde hij cabaretiers al met twee prijzen: de Nar voor aankomend talent (gewonnen door Bert Visscher) en de Hofnar voor een gearriveerd artiest (voor Van ’t Hek).
Elf jaar later maakten de cabaretprijzen, mede op zijn initiatief, een definitieve doorstart als Poelifinario’s, de jaarlijkse onderscheidingen voor beste voorstelling van het voorbije seizoen, en de Neerlands Hoop voor meest veelbelovende debutant in cabaretland. Deze prijzen bestaan nog steeds en worden op maandag 13 oktober uitgereikt, twee dagen voordat Nuissl 80 jaar zou zijn geworden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant