Home

NOC-NSF ziet voor de topsport een ‘prestatievoordeel’ voor trans vrouwen, maar is dat er?

Topsport De druk om trans vrouwen te weren uit topsport neemt toe. Sportkoepel NOC-NSF acht bewezen dat zij soms een voordeel hebben. Maar het ontbreekt aan grote, vergelijkende studies. „Een wetenschappelijk manco.”

Trans vrouwen mogen in Nederland alleen nog meedoen aan de rugbyvrouwencompetitie na een ‘risico-inventarisatie’. Foto ANP

Agnes Elling, onderzoeker op het gebied van genderongelijkheid in de sport, knipperde met haar ogen toen ze op 26 september de Volkskrant las. Maarten Moen, chef-arts bij sportkoepel NOC-NSF, vertelde over de Handreiking trans personen in de Nederlandse topsport. Deze richtlijn, die nog niet af is en later dit jaar moet verschijnen, is bedoeld om sportbonden te helpen met de vraag onder welke voorwaarden trans personen mogen deelnemen aan de topsport.

Dat is „een ontzettend complex vraagstuk dat veel emoties oproept”, zegt Moen in het artikel. „Maar we hopen wel dat het voor de sport een minder complex gebeuren wordt door onze handreiking. Uiteindelijk draait het om de vraag: kun je als trans vrouw in de topsport wel of niet meedoen bij de vrouwen? Dat is per sport verschillend, maar uiteindelijk is het antwoord een ja of een nee.”

Moen vertelt dat het Erasmus Center for Sport Integrity & Transition in Rotterdam een „supermooie review” heeft gemaakt, die binnenkort moet verschijnen en het beschikbare onderzoek bundelt en analyseert. Met andere woorden: de handreiking is wetenschappelijk onderbouwd.

Ook bij het NOS-programma Nieuwsuur vertelt Moen op 26 september over het onderwerp. In de uitzending zegt hij dat trans vrouwen zich vaak miskend voelen, zich niet veilig voelen. „Een reëel geluid,” noemt hij het. Maar vrouwen die bij hun geboorte als vrouw geregistreerd zijn maken zich óók zorgen, zegt Moen.

Online besteedt de NOS ook aandacht aan de systematic review van Erasmus, die dus nog moet verschijnen. In dat artikel schrijft de NOS dat de onderzoekers „zich met name [baseren] op 38 wetenschappelijke onderzoeken over trans vrouwen in de topsport’.” Die laten, noteert de NOS, „volgens Moen een duidelijke trend zien: door het onderdrukken van testosteron nemen sommige prestatiewaarden – zoals spierkracht, spieromvang en rode bloedcellen – af, maar andere niet.”

In de Volkskrant haalt Moen twee specifieke voorbeelden aan. „Dan heb je het bijvoorbeeld over de knijpkracht van je hand. Die blijft hetzelfde nadat een man in transitie is gegaan. Er is ook een recente review die laat zien dat, als je eenmaal hoge testosteronwaardes hebt gehad, je ook als trans vrouw makkelijker tot nieuwe eiwitproductie kan komen. Daardoor zou je makkelijker spierkracht kunnen opbouwen dan wanneer je als vrouw bent geboren.”

De spieromvang van trans vrouwen wordt wel wat minder, zegt Moen, maar de conclusie is: „Er lijkt dus een prestatievoordeel te blijven na transitie.”

In een spagaat

Agnes Elling, als sportsocioloog verbonden aan het Mulier Instituut, een wetenschappelijk onderzoeksbureau dat zich richt op sport en bewegen, begrijpt niet wat Moen ertoe bewoog deze uitspraken te doen. Ze stuurt hem een e-mail. „Vroeg me af wat de aanleiding was van het door jou gegeven interview afgelopen week bij Nieuwsuur en voor de Volkskrant”, mailt ze hem op 1 oktober. Moen lijkt voorbarige conclusies aan de 38 onderzochte studies te verbinden, schrijft ze, die de auteurs van de review niet zullen kunnen trekken.

Ze is positief verrast dat de chef-arts haar meteen belt. „Hij zei dat er druk was vanuit sportbonden, die in een spagaat zitten. En dat er internationaal een verschuiving gaande is, onder meer bij het IOC, onder de nieuwe voorzitter Kirsty Coventry. Die vindt dat trans personen moeten worden uitgesloten van vrouwenonderdelen op grote toernooien als de Olympische Spelen.”

NOC-NSF stelt dat Moen dit „zeker niet op deze wijze” tegen Elling heeft gezegd. „De uitspraken van Coventry kunnen mogelijk ter sprake zijn gekomen”, mailt een woordvoerder, „maar ze zijn zeker niet de aanleiding voor het feit dat (of het moment dat) NOC-NSF zich heeft uitgesproken over de eerste resultaten van het onderzoek.”

Ook Sophie Schers, beleidsadviseur bij Transgender Netwerk, meldt zich na de interviews bij NOC-NSF. In een mail aan directeur topsport, André Cats, schrijft ze dat ze „enigszins verrast” is over de berichtgeving. Hij mailt terug dat de timing is ingegeven door de rugbybond, die twee weken daarvoor met nieuw beleid is gekomen. Mede door vragen uit de media daarover, schrijft Cats aan Schers, heeft NOC-NSF „de kans gegrepen onze visie naar buiten te brengen, voordat de handreiking volledig tot afronding is gekomen”.

Rugby Nederland besloot onlangs dat de nationale vrouwencompetitie openstaat „voor trans vrouwen en andere genderdiverse spelers vanaf 16 jaar”, mits zij hebben meegewerkt aan „een risico-inventarisatie en eventuele medische beoordeling door een multidisciplinair inclusiepanel”.

Het is een van de vele ontwikkelingen in een zwaar gepolitiseerd dossier, zeker sinds de Amerikaanse president Trump begin dit jaar per decreet besloot trans vrouwen te verbieden om deel te nemen aan vrouwencompetities.

De Nederlandse atletencommissie van de Atletiekunie schaarde zich in maart achter het besluit van de wereldatletiekbond om atletes tot een wangslijmtest te verplichten, die moet bepalen of deelnemers aan vrouwenevenementen het zogeheten SRY-gen hebben – een volgens de Atletiekunie „betrouwbare indicator voor het bepalen van biologische sekse”.

Noa-Lynn van Leuven mag door nieuwe regels van de Nederlandse Darts Bond niet meer meedoen aan de toernooien voor vrouwen. Foto Getty

Meerdere bonden – nationaal en mondiaal – scherpten dit jaar hun beleid aan. Zo besloot de Nederlandse Darts Bond onlangs om alleen nog speelsters toe te laten bij vrouwentoernooien die bij geboorte als vrouw zijn geregistreerd. Daardoor kan bijvoorbeeld Noa-Lynn van Leuven alleen nog uitkomen in de open categorie – iets dat ze overweegt, zegt ze tegen NRC.

Niet-bestaande studies

NOC-NSF is al jaren bezig met de wetenschappelijke benadering van trans personen in de topsport. In 2023 verscheen een studie in opdracht van de sportkoepel, ook gemaakt door het Erasmus Center for Sport Integrity & Transition. Dat Research Document on Sex, Gender and Elite Sport heeft een bredere insteek dan alleen trans -topsporters en gaat bijvoorbeeld ook over intersekse sporters, zoals hardloopster Caster Semenya.

Over trans sporters is de conclusie in dat document vrij kort: er is „weinig onderzoek over trans vrouwen en sportprestaties”, stellen de onderzoekers. En de weinige studies díé er zijn, vormen „geen reden” om trans vrouwen die hormoontherapie hebben ondergaan uit te sluiten van de vrouwencategorie. De auteurs schrijven bijvoorbeeld over de dan meest recente overzichtsstudie (2021), die concludeert dat er „momenteel geen direct of consistent onderzoek is” dat bevestigt dat trans vrouwen „een sportief voordeel hebben”. Restricties voor trans vrouwen in competitieve sport zouden daarom „overwogen en herzien” moeten worden.

Deze conclusie verschilt van het beeld dat naar voren komt in de interviews met Moen in de Volkskrant en Nieuwsuur. Hoe kan het dat er in 2023 ‘weinig onderzoek’ was en er twee jaar later, zoals de NOS noteerde, 38 studies zijn over trans vrouwen in de topsport?

Navraag bij Åsa Ekvall, een van de auteurs van de nog te verschijnen review, leert dat die studies er ook niet zijn. „Het gaat om studies over trans vrouwen in het algemeen, niet over trans vrouwen in de topsport”, mailt ze. Verder wil ze niet reageren voordat het onderzoek is afgerond.

Niet alleen gaf NOC-NSF de opdracht aan onafhankelijke onderzoekers, de sportkoepel richtte begin dit jaar ook een ‘klankbordgroep’ op, die adviseert bij het opstellen van de nieuwe richtlijn. Het gaat om drie medewerkers van een sportbond, twee topsporters, een medewerker van het Transgender Netwerk en twee experts op het gebied van mensenrechten en diversiteit.

Ze zijn meerdere keren bij elkaar gekomen en schreven een advies. De inhoud daarvan is niet openbaar. Volgens meerdere betrokkenen is binnen de klankbordgroep onder meer een mogelijk competitief voordeel van trans sporters aan bod gekomen, maar ook de tegenstrijdigheden in wetenschappelijk onderzoek, de gevolgen van buitensluiting en antidiscriminatiewetgeving. „Veel van die aspecten hoorde ik niet terug in wat Maarten Moen in zijn interviews zei”, zegt Schers van het Transgender Netwerk.

Op één hoop gooien

Eric van Breda, emeritus professor gezondheidswetenschappen aan de Universiteit Antwerpen, noemt het ontbreken van vergelijkende studies met grotere groepen sporters, verdeeld over verschillende sporten en over meer jaren „vanuit wetenschappelijk oogpunt een groot manco”. Topsporters kun je „niet één op één vergelijken met een ander persoon. Ze hebben jarenlang getraind, hun lichaamssamenstelling is anders, de hormoonhuishouding is anders”.

De onderzoeksresultaten die er wél zijn, komen uit studies gedaan met ‘gewone’ trans vrouwen – soms met een sportieve leefstijl en soms niet. Die studies worden dan vaak „geëxtrapoleerd naar trans vrouwen in de topsport”. Het gaat veelal om kleine studies met weinig deelnemers: een ander wetenschappelijk manco, aldus Van Breda. „Daardoor is de betrouwbaarheid minder sterk.”

Van Breda noemt het „lastig” om onderzoeken met zulke uiteenlopende deelnemers, meetmethoden en parameters „op één hoop te gooien en daar beleid op te bouwen”. „Ik snap dat dit voorlopig het enige is wat er ligt,” zegt hij, „maar wetenschappelijk gezien blijft het ontzettend moeilijk om zulke studies goed te vergelijken.” Om stevige conclusies te kunnen trekken is volgens hem meer onderzoek nodig, bij grotere groepen mensen. „Liefst trans topsporters, maar dat is ingewikkeld omdat het zo’n kleine groep is.”

Tegen de NOS zegt Moen dat „we het moeten doen met de onderzoeken die er zijn”. „En ondanks de beperkingen van die studies, zien we wel de tendens dat er verschillen bestaan tussen trans vrouwen en cis vrouwen in topsport.”

En hoe zit het dan met de specifieke voorbeelden die Moen aanhaalde, over knijpkracht en het makkelijker opbouwen van spierkracht? NRC vroeg NOC-NSF op welke studies Moen zijn uitspraken baseerde, waarna de sportkoepel de titel van één studie doorgaf (over het opbouwen van spierkracht).

De vraag over knijpkracht werd niet beantwoord, maar over dit onderwerp verscheen vorig jaar het artikel ‘Strength, power and aerobic capacity of transgender athletes: a cross-sectional study’ in de British Journal of Sports Medicine. Daaraan deden 23 trans vrouwen en 21 cis vrouwen mee, allen sportief maar geen profsporters.

Hieruit blijkt inderdaad dat trans vrouwen een sterkere knijpkracht hadden. Maar trans vrouwen lieten ook „een verminderde longfunctie” zien ten opzichte van cis vrouwen en hun springhoogte was minder goed. De onderzoekers concluderen dat „dringend behoefte is” aan onderzoek waarin trans sporters lange tijd gevolgd worden. Daarnaast waarschuwen ze op basis van deze uitkomsten voor „uitsluiting van sportdeelname, die niet gebaseerd is op sportspecifiek (of sportrelevant) onderzoek”.

Spiergeheugen

In de andere studie die Moen aanhaalde, ‘Skeletal Muscle Memory: An Update From the Antidoping Perspective’ gepubliceerd in  Drug Testing and Analysis (2024), wordt  het concept ‘spiergeheugen’  gekoppeld aan sporters die anabole steroïden hebben gebruikt. De studie presenteert indirecte aanwijzingen dat androgene hormonen, zoals testosteron, een langdurig effect hebben op de spierkracht. Over een mogelijk verband met trans vrouwen die hormoontherapie hebben ondergaan, wordt in het artikel niet gerept.

Eric van Breda vindt het „te vroeg” om dit onderzoek „binnen de kaders van trans vrouwen te laten vallen”. Het is „erg fundamenteel” van aard, zegt hij. „Vooral in dierstudies zijn er aanwijzingen dat het fenomeen bestaat, maar er zijn nog te weinig onderzoeken die het overtuigend onderbouwen, zeker bij mensen.”

In zijn algemeenheid stelt Van Breda dat het er op basis van bestaande wetenschappelijke literatuur „op lijkt dat de verschillen tussen trans vrouwen en cis vrouwen heel klein zijn”, waarbij trans vrouwen in sommige gevallen mogelijk een „minuscuul” fysiek voordeel hebben ten opzichte van cis vrouwen.

Van Breda pleit ervoor om per individu te kijken of een trans vrouw mee kan doen bij de vrouwencompetitie. Niet per sport, want de onderlinge verschillen, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd waarop iemand in transitie is gegaan, zijn groot. Door meer wetenschappelijke disciplines te betrekken bij het debat, zegt hij, voorkom je dat dat ontaardt in „biologisch moralisme”.

Bij publicatie van de review van het Erasmus Center for Sport Integrity & Transition, later dit jaar, zal blijken hoe de auteurs het onderzoek wegen. Feit blijft dat Maarten Moen namens NOC-NSF in de media uitspraken heeft gedaan over een studie die nog niet is verschenen. Hoe gangbaar is dat?

Arnout Geeraert, universitair docent internationaal sportbestuur aan de Universiteit Utrecht, vindt dat niet te prijzen. Over het algemeen ziet hij NOC-NSF als een sportorganisatie die „serieus werk” maakt van transparantie en daarin internationaal voorop loopt. „Maar in deze casus zie ik wel een probleempje. Als je als organisatie informatie over een onderzoek naar buiten brengt, moet je ervoor zorgen dat die compleet is, zodat buitenstaanders die kunnen evalueren. Doe je dat niet, dan ligt framing op de loer.”

M.m.v. Sander Voormolen

Reactie NOC-NSF

In reactie op vragen van NRC over de ‘systematic review’ schrijft NOC-NSF: „De review van de Erasmus Universiteit is zo goed als af, maar nog niet openbaar. Omdat er veel vragen over het onderwerp werden gesteld met betrekking tot de topsport, ook vanuit de bij NOC-NSF aangesloten bonden, heeft Maarten Moen de tendens die naar voren komt uit de review gedeeld.

„NOC-NSF concludeert met betrekking tot de topsport kort gezegd dat er mogelijk resterend prestatievoordeel is bij trans vrouwen, ook na hormonale verlaging van het testosteronniveau. Omdat er nog weinig onderzoeksmateriaal is, waardoor een duidelijk significant beeld nog ontbreekt, zijn we hierbij uiterst voorzichtig en tekenen we aan dat dit mogelijke resterende prestatievoordeel per sport kan verschillen.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next