De Israëlische activist Adi Ronen Argov geeft ieder kind dat in Gaza is vermoord een naam en een gezicht op haar Hebreeuwstalige website. ‘Ze waren hier, ze bestonden echt, en Israëliërs mogen later niet zeggen dat ‘ze het niet hebben geweten’.’
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël en de Palestijnse gebieden, het Midden-Oosten en België.
Ze durft het niet: opgelucht ademhalen en geloven dat het nu voorbij is. ‘Natuurlijk ben ik blij dat er een deal is tussen Israël en Hamas’, zegt de Israëlische activist Adi Ronen Argov. ‘Dit zal mensenlevens redden, want waarschijnlijk gaan de bombardementen op Gaza voorlopig stoppen en komen er gijzelaars vrij.’ Ze is even stil en vervolgt dan zachtjes: ‘Maar wat komt er daarna?’
Ronen Argov vreest dat haar lijst gewoon zal blijven groeien. Elke avond, na haar dagelijkse werk als traumatherapeut, zoekt ze uit welke kinderen er die dag zijn omgekomen. In Gaza, op de bezette Westelijke Jordaanoever, maar ook in Israël, Libanon, Iran en Syrië. Ieder kind dat in dit waanzinnige conflict is gedood, geeft zij op haar website The Daily File een gezicht, zodat de wereld kan zien wie er niet meer is.
Het project is uitgegroeid tot een document met duizenden foto’s. Sommige kinderen liggen in hun wiegje, andere hebben die lach waarbij een paar tanden missen omdat ze net aan het wisselen zijn, of kijken met de onzekere blik van een tiener. En ze zijn allemaal dood.
Wat deze lijst zo bijzonder maakt, is dat hij in het Hebreeuws is opgesteld, de taal die in Israël wordt gesproken; het land dat verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de doden, maar waar de ogen veelal worden gesloten voor de onschuldige slachtoffers. En juist dat wil Adi Ronen Argov (59) bestrijden.
Ze was al langer activist. Nadat Ronen Argov in 2021 met haar telefoon had gefilmd hoe de politie demonstranten voor de rechten van Palestijnen in elkaar sloeg, ging haar Hebreeuwstalige clip in Israël viral. ‘Ik bedacht me: waar Palestijnse stemmen in Israël niet worden gehoord, kan ik de boodschap misschien wel overbrengen. En dus ging ik Palestijnse herders op de Westelijke Jordaanoever vergezellen, of deed ik mee aan protesten op het land waar kolonisten mensen lastigvielen, en filmde dat.’
Uiteindelijk groeide haar activisme uit tot de website The Daily File, waar Ronen Argov de gevolgen van de bezetting op de Westoever samen met een groep mensen uitputtend documenteert. Na de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 lag dat werk even stil, omdat ze als therapeut overweldigd werd door Israëlische gezinnen die hulp nodig hadden, onder wie twee van haar eigen vrienden, wier 16-jarige zoon werd vermoord en 14-jarige dochter werd ontvoerd naar Gaza. Maar al na enkele weken pakte ze het weer op en ging de website zich ook op de gebeurtenissen in Gaza concentreren.
Het idee om een lijst van minderjarige slachtoffers bij te houden, ontstond nadat ze op sociale media een filmpje van Zain Orouq had gezien, een 12-jarige jongen die opgetogen vertelt dat hij na een luchtdropping boven Gaza een voedselpakket heeft bemachtigd. ‘Ik weet niet wat het was’, vertelt Ronen Argov in een café in Tel Aviv. ‘Zijn verlegen lach, zijn ogen – het kind raakte me diep toen hij vertelde hoe gevaarlijk het was om iets te eten te vinden.’
Een bericht gedeeld door Translating Palestine فلسطين (@translating_falasteen)
Een paar dagen later werd Zain alsnog gedood: hij werd geraakt door een pakket dat uit de lucht viel. Niet veel later maakte de Israëlische komiek Avi Nussbaum Palestijnen belachelijk die op deze manier om het leven komen. ‘De een sterft door een raket, de ander door een blikje maïs dat op zijn hoofd valt!’
‘Ik denk dat deze komiek uit onwetendheid sprak’, zegt Ronen Argov, ‘maar ik besefte ook dat het moorden juist vanwege die onwetendheid kan blijven doorgaan. En dat ik daartegen iets moest ondernemen.’
Misschien, vertelt Ronen Argov, heeft ze voor deze vorm gekozen vanwege haar eigen familieverhaal, waarin een kind zonder naam, over wie niemand haar meer wilde vertellen, een grote rol speelt. In de Tweede Wereldoorlog zaten haar grootouders in het verzet, Joden die zich bij de partizanen hadden aangesloten en in de bossen in het grensgebied van het huidige Belarus en Polen tegen de nazi’s vochten. Toen ze zelf nog klein was, kreeg Ronen Argov te horen dat er in die bossen een kind was geboren. De baby heeft het niet gehaald, vanwege honger, kou of geweld, ze weet het niet, en ze voelde dat ze er verder niet naar mocht vragen. Maar het kind zonder naam was er altijd, als een geest in haar kinderkamer.
‘Wellicht komt daar mijn behoefte vandaan om deze kinderen een naam te geven’, zegt Ronen Argov voorzichtig, alsof ze deze verklaring voor het eerst overweegt. ‘We kennen de Palestijnen in Israël eigenlijk alleen uit het nieuws, als de daders van terreuraanslagen, en we horen van jongs af aan dat zij anders zijn dan wij. Dat Palestijnen anders denken en andere gevoelens hebben, dat ze eigenlijk geen echte mensen zijn. Door deze slachtoffers een naam te geven en hun verhaal te vertellen, laat ik hun menselijkheid zien. Zij waren hier, ze bestonden echt, dat kleine meisje met die prinsessenjurk en die jongen met de ondeugende blik, en nu zijn ze weg, en dat komt door ons.’
Merkt u in de reacties dat Israëliërs hen herkennen als gewone kinderen die zijn vermoord?
‘Veel van de foto’s zijn gemaakt toen de kinderen hun mooiste kleding aanhadden, op een bruiloft, een vakantie of een andere speciale gelegenheid. ‘Ze zien er heel lief uit’, mailen sommige mensen me. ‘Ze lijken niet echt op Palestijnen.’ Het klinkt misschien vreemd, maar dat is precies mijn bedoeling. Dat het beeld schuift, dat mensen beseffen dat het normale kinderen zijn en dat er scheurtjes komen in die Israëlische muur van ontkenning.’
De tekst op uw website, ‘zodat we niet kunnen beweren dat we het niet wisten’, is beladen – zeker voor Israëliërs. Het is niet alleen een verklaring van uw eigen motieven, maar ook een verwijzing naar de houding van de Duitse bevolking na de Holocaust: ‘Wir haben es nicht gewusst.’
‘Maar daar gaat het toch ook over! We ontkennen dat er een genocide plaatsvindt. Dat wíj die zelf uitvoeren. Het is bot, het is direct, maar dat is precies mijn bedoeling. Sommige mensen suggereren dat ik iets subtieler moet zijn, omdat ik mensen nu wellicht afschrik. Dat je op deze manier nooit in gesprek zult raken met Israëliërs die weigeren te zien wat er in Gaza gebeurt. En zeker, een diplomatieke benadering is ook noodzakelijk, maar het is niet mijn manier. Ik wil het benoemen, de genocide niet afdekken omdat het anders misschien pijn kan doen.’
Dat niet-weten, is dat ook een impliciete beschuldiging aan het adres van de Israëlische media? Terwijl de hele wereld wordt overspoeld met de gruwelijkste beelden uit Gaza, berichten zij, op een enkele uitzondering na, nauwelijks over het lijden van de Palestijnen. Niet in het nieuws, niet in talkshows, niet in columns.
‘Dat gebrek aan informatie is enorm schadelijk. Je hoort de media zichzelf vaak verdedigen met het argument dat het publiek ‘het nu eenmaal niet wil zien’, maar dat is belachelijk. Als iets daadwerkelijk plaatsvindt, moet je erover berichten, zodat mensen weten wat er gebeurt. Het is daarna aan het publiek om zijn eigen mening te vormen.
‘Een ander excuus dat media vaak geven, is dat de informatie uit Gaza niet betrouwbaar is. Ik heb hierover contact opgenomen met een belangrijke Israëlische journalist. Zij reageerde en vroeg me naar data, die ik haar vervolgens een tijdlang heb gemaild, maar ze heeft nooit meer van zich laten horen. Het was duidelijk: ze willen het domweg niet.’
Hoe komt u zelf aan die informatie?
‘In het begin ging ik af op het nieuws en benaderde ik mensen via sociale media voor foto’s en details. Dat was nog erg rommelig en de informatie was incompleet: ik had vaak geen namen, geen foto’s, geen leeftijden. Nu zijn er verschillende websites die het aantal slachtoffers heel secuur bijhouden en dat controleer ik weer met de lijsten van het ministerie van Volksgezondheid in Gaza. Hamas, ja, maar bij oorlogen in het verleden is achteraf altijd gebleken dat hun informatie correct was. Ook nu zijn zij heel precies en vermelden ze bijvoorbeeld zelfs de ID-nummers van de doden.’
U gaat zelf ook de straat op. U staat in kleine groepen op verschillende locaties in de steden of bij legerbases met de foto’s van de kinderen. Hoe wordt er op u gereageerd?
‘Online krijg ik heel veel haat. Dat probeer ik te negeren, maar het is lastig: ik ben niet iemand van wie het gemakkelijk afglijdt, het doet me echt pijn. Maar er is ook veel steun en dat doet me goed. Zo heb ik bijvoorbeeld de Truth to Power-prijs gewonnen, die jaarlijks door een Israëlische organisatie wordt toegekend aan een individu dat ‘zich openlijk en onbevreesd verzet tegen de macht’. Het prijzengeld, ongeveer 25 duizend euro, gebruik ik om mijn website te verbeteren.
‘En ik zie verandering. Er zijn steeds meer mensen die oprecht geïnteresseerde vragen stellen of die willen meedoen aan onze demonstraties. Ik denk dat het de hongersnood is die mensen beroert. Tegelijkertijd zie ik echter ook het geweld tegen ons toenemen: mensen reageren veel agressiever dan voorheen. Ze schelden ons uit, proberen ons weg te duwen of soms zelfs te slaan. Ook dat zie ik als een teken dat er scheurtjes in de muur komen.’
Het klinkt tegenstrijdig: dat mensen juist agressiever worden zodra ze gaan inzien welk leed er wordt aangericht.
‘Als traumatherapeut weet ik dat het een heel logische, menselijke reactie is. Als je iets absoluut niet wilt zien, omdat anders jouw eigen angst of zelfs je daden niet meer gerechtvaardigd zijn, probeer je elke confrontatie met je ongelijk weg te duwen. Het kán niet waar zijn; degene die dat beweert, die liegt, die dient de vijand en die moet worden gestopt.’
Het is voor buitenstaanders bijna niet voor te stellen dat zo veel Israëliërs ontkennen wat er in Gaza gebeurt en constant verwijzen naar 7 oktober. Als het verdriet om 1.200 doden zo groot is, hoe kan het verdriet om bijna zeventigduizend doden dan niet worden gezien?
‘Onze samenleving lijdt aan een langdurig trauma en dan is het een heel gebruikelijke reactie om zwart-wit te denken. Het is een klein land, we kennen allemaal mensen die zijn vermoord of ontvoerd, en dan lukt het niet om de complexiteit te overzien of compassie met de Palestijnen te voelen: mensen zien hen als de daders.
‘We zijn bovendien opgegroeid met het idee dat wij slachtoffers zijn. Elk joodse feestdag wordt herinnerd hoe we zijn opgejaagd en vermoord door de Egyptenaren, de christenen, de nazi’s. We kunnen onszelf niet voorstellen dat we de daders zijn. Bovendien probeert de regering dat trauma levend te houden, zodat wij het gevoel blijven houden dat we onszelf moeten beschermen.
‘Ik denk dat we pas veel later zullen begrijpen wat wij hebben aangericht. Over twee, misschien drie generaties zullen we aan onze grootouders vragen of zij fout waren in de oorlog. Maar op dit moment zijn de soldaten nog degenen die ons veilig houden. En vergis je niet: iedereen hier kent een soldaat of is een soldaat. Het zijn mensen van wie je houdt – je kind, je vader, die leuke buurman – en het is onmogelijk om je voor te stellen dat iemand die zo belangrijk voor je is een oorlogsmisdadiger is. Dat idee is ondraaglijk, het komt te dichtbij.’
Maar u kunt dat wel. Hoe verklaart u dat verschil?
‘Waarschijnlijk omdat ik al veel langer activist ben en zelf veel op de Westelijke Jordaanoever ben geweest. Ik heb daar gezien hoeveel geweld er wordt gebruikt, hoe mensen worden vernederd en vermoord, en hoe agressief het leger zich opstelt zodra het om Palestijnen gaat. Ik weet dus waar onze ideale zonen en dochters toe in staat zijn. Maar als ik het niet met eigen ogen had gezien, zou het ook voor mij veel moeilijker zijn geweest om te geloven wat er in Gaza gebeurt.’
Is er nu, met het akkoord voor het staakt-het-vuren, ruimte voor optimisme?
‘Ik zou het zo graag willen, maar ik ben vooral bang. Bang dat het akkoord weer klapt zodra de gijzelaars zijn teruggegeven. Bang voor een explosie van geweld op de Westoever waar het oogstseizoen voor de olijven is begonnen en kolonisten agressiever zijn dan ooit – en daarbij worden gesteund door het leger. Bang omdat het bewustzijn van de gemiddelde Israëliër geen snippertje is veranderd.
‘Maar we moeten niet wegzinken in angst. En er is zeker iets om optimistisch over te zijn. Hier in Israël behoor ik weliswaar tot de minderheid, maar de afgelopen twee jaar is het aantal mensen dat strijdt voor de rechten van Palestijnen wereldwijd enorm gegroeid. Er wordt eindelijk erkend dat Israël land bezet en mensen onderdrukt, en we hebben niet eerder gezien dat zowel westerse als Arabische leiders zich zo hardmaken voor een Palestijnse staat. We maken dus deel uit van een grotere, groeiende beweging.’
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant