Beekbergerwoud Het Beekbergerwoud aan de oostkant van de Veluwe gold lang als oudste oerbos van Nederland. Ruim een eeuw na de kap keert het terug in een nieuwe gedaante.
Eddy Weeda op een vlonderpad in het Beekbergerwoud.
Enthousiast begroet botanicus Eddy Weeda (73) Natuurmonumenten-boswachter Ellen ter Stege bij de ingang van het Beekbergerwoud, ten zuidoosten van Apeldoorn. „Hoe staat het met de parnassia?”, vraagt hij vanonder zijn strohoed. Maar het bloemrijke grasland waarin de zeldzame plant groeide blijkt net gemaaid.
Weeda is stamgast in het Beekbergerwoud. 44 jaar geleden kwam hij er voor het eerst, aangetrokken door de legendarische status van de plek – lang gold dit als het laatste oerbos van Nederland. Aan het begin van de negentiende eeuw bezongen plantkundigen en dichters eensgezind de lof van het woud. Ze schreven over een bos met „duizenden vogelen”, „een der zeldzame plekjes oerwoud” en een „bloemtapijt schooner dan misschien in den rijksten bloemhof” – tot in 1869 de bijl erin ging. Of, in de woorden van Weeda: „De economie kreeg een goddelijk aureool en besliste over het lot van het Nederlandse landschap. Het werd een heilige plicht om uit de weg te ruimen wat niet aantoonbaar bijdroeg tot welvaart.”
Watermunt. „Daar kun je heerlijke thee van maken.”
Het Beekbergerwoud was op een zeker moment grotendeels in landbouwgebied veranderd.
Wat rest is een combinatie van door de A50 doorsneden landbouwgrond en een stukje moerasbos waar je via een vlonderpad doorheen kunt wandelen – ruim vijftien jaar geleden is Natuurmonumenten hier begonnen met de aanplant van elzenbomen in een eerste stap om het woud in oude staat te herstellen.
Maar wat wás die oude staat? Hoe ‘oer’ was het woud? Dat is een vraag die Weeda al bijna twintig jaar bezighoudt. Sinds 2006 doet hij onderzoek naar de geschiedenis van het Beekbergerwoud. „Uiteindelijk moet het uitmonden in een proefschrift, maar dat moet steeds worden teruggesnoeid om leesbaar te blijven. Voortdurend krijg ik nieuwe invallen. Er groeien hier bijvoorbeeld soorten die je niet direct verwacht in een moerasbos, zoals bosanemonen. Dan wil ik weten: hoe zijn die hier geraakt?”
Die gedrevenheid van Eddy Weeda wordt geroemd door heel plantminnend Nederland. De natuurliefde zat er vroeg in. „Op tweejarige leeftijd bladerde ik al enthousiast door de Verkadealbums van Jac. P. Thijsse. En op mijn zeventiende schreef ik mijn eerste botanische artikel, over de draadgentiaan.” Elke botanicus kent zijn vijfdelige Nederlandse Oecologische Flora; daarnaast schreef Weeda een reeks andere boeken en honderden artikelen. „In de winter schrijf ik, in de zomer ben ik in het veld te vinden.”
Ook nu, vanaf het vlonderpad, deelt hij bevlogen zijn kennis: „Zie je die lichtpaarse bloemen van de watermunt? Ruik maar eens aan de bladeren – heel pepermuntachtig. Daar kun je heerlijke thee van maken.” In tegenstelling tot de verleidelijk oranjerode bessen van de bitterzoet, familie van de aardappel en tomaat. „Die zijn giftig.”
Van oudsher was het Beekbergerwoud een kwelbos, vertelt Weeda: een plek waar zuur water opwelde uit de flank van de Veluwe en zich mengde met kalkhoudend grondwater uit de bodem van de IJsselvallei. „Aanvankelijk mondde ook de Oude Beek nog in het moerasbos uit, een beek die aan de westkant van het dorp Beekbergen ontsprong. Maar al rond de dertiende eeuw werd de loop verlegd om een watermolen draaiende te houden.”
Met andere woorden: toen al verdween een beetje oer uit het woud. Sowieso had Beekbergen destijds geen ongerepte wouden maar productiebossen met eiken en elzen. „De eikenstammen werden in de Middeleeuwen zelfs naar Arnhem geëxporteerd.” Later werden de elzen populair als hakhout, zeker toen de koperindustrie opkwam en elzen voor goede kwaliteit houtskool bleken te zorgen.
„Door oorlog waren veel bossen in de omgeving platgebrand – oorlog vormt al sinds mensenheugenis de grootste bedreiging voor de natuur, samen met economie. Maar het vrijgevochten dorp Beekbergen was een beetje Asterix & Obelix op de Veluwe, lange tijd hielden de inwoners zelf hun broek op.” Helaas: na een lange, strenge winter in 1740 was het woud geruïneerd en moest er opnieuw worden aangeplant. „Beekbergen raakte diep in de rode cijfers en pas in de negentiende eeuw was het bos weer uitgegroeid tot een woud van betekenis.”
Weeda wijst naar een elzenboom vlak naast het vlonderpad. „Nu hebben de elzen maar enkele stammen, maar destijds stond het hier vol elzenstobben: bomen met een veelvoud aan stammen, ontstaan door steeds herhaalde kap van het hout.” De bladeren van de huidige elzen zitten vol gaatjes. „Vraat van de elzenhaantjes, mooie goudkleurige kevertjes. Die kunnen geen kwaad, de bomen groeien er niet minder om.”
De romantische negentiende-eeuwse kijk op het Beekbergerwoud laaide op dankzij de landbouwkundige en botanicus Jan Wttewaall (spreek uit: Utewaal). „Die beschreef het woud in 1836 als een botanische schatkamer.” Vervolgens kwamen grote namen de in hun ogen ongerepte natuur bewonderen, onder wie bodemkundepionier Winand Staring en de filantroop ds. Ottho Heldring. „Er werd volop verzameld: in het herbarium van Naturalis in Leiden liggen honderden gedroogde planten uit het Beekbergerwoud.”
Van oudsher is het Beekbergerwoud een kwelbos, waar water uit de Veluwe naartoe sijpelt.
De elzen zijn aangevreten door „mooie goudkleurige kevertjes”.
Zo werd het tot een woud met een hoofdletter W. Een oerwoud. „Al moet je dat woord wel zien in het licht van de negentiende-eeuwse Romantiek. Een woud is in de oorspronkelijke betekenis van het woord simpelweg een moeras of een nat bos, en een oerwoud is dan gewoon een woud dat een oer-gevoel geeft. Ik ben dol op kunst uit de Romantiek, maar wetenschappelijk moet je de beschrijvingen kritisch tegen het licht houden. Ze werden geleidelijk steeds meer gefictionaliseerd, iedereen deed er een schepje bovenop, tot er een soort pastiche ontstond waarin het bos bulkte van de reusachtige, eeuwenoude bomen. En die verheerlijking werd alleen maar groter toen het bos eenmaal gekapt was.”
Niet elke Wttewaall was evenzeer onder de indruk van de waarde van het woud. „Een neef van Jan, baron Sloet tot Oldhuis, bekeek de prachtige elzen met een financiële bril en werd vervolgens lobbyist voor de sloop van het woud”, vertelt Weeda, omringd door fraaie planten als bosbies en de vlammend paarse kattenstaart. „Naar zijn idee konden er na kap en verkoop van al het hout 36 boerenbedrijfjes worden gesticht.” Voor ruim 100.000 gulden werd het woud verkocht; op 1 november 1869 ging de eerste boom tegen de vlakte. „NRC schreef er destijds heel lovend over. Ze verheerlijkten die orgie van bosvernietiging als teken van vooruitgang.” De enige krant die zich sceptisch uitliet over de kap was het katholieke weekblad De Maasbode. „Die waarschuwde dat verdwijning van het woud tot klimaatverandering kon leiden.”
Pas na afloop kwam er meer kritiek. „Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst”, schreef Frederik van Eeden senior. „Het redden van zulke merkwaardige plekjes uit sloopers handen moest aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen worden opgedragen.” Maar zijn woorden kwamen als mosterd na de maaltijd. „En dat terwijl het allemaal uitliep op een financiële strop”, zegt Weeda, terwijl in de verte het lawaai van de A50 klinkt. „Het hout werd voor een prikje opgekocht door een fabrikant die er sigarenkistjes van liet maken. Ook was het woud na de ontginning veel minder rendabel dan baron Sloet tot Oldhuis had voorspeld.”
De rest is geschiedenis. Het Beekbergerwoud kreeg een legendarische status aangemeten en veranderde grotendeels in landbouwgrond, tot Natuurmonumenten zich erover ontfermde. In 2006 werden de werkzaamheden gestart. Om water langer vast te houden zijn greppels gedicht en stuwen geplaatst; daarnaast heeft de aanleg van kunstmatige hogere zandheuvels voor meer reliëf gezorgd. Die zogeheten horsten zijn beplant met boomsoorten die uit het gebied verdwenen zijn, zoals haagbeuk en winterlinde. Ook is het vlonderpad aangelegd en zijn runderen uitgezet voor begrazing van het gebied. Weeda dook intussen de geschiedenis in: hij doorploos onder meer herbaria, historische publicaties en kasboeken om de onderste steen boven te halen.
Aanvankelijk trok hij ook op eigen houtje de ruigere oostkant van het Beekbergerwoud in. „Maar dat vindt boswachter Ellen niet meer zo’n goed idee, voor het geval me iets zou overkomen.” Gelukkig is er in het minder wilde gedeelte ook voldoende te ontdekken. „Knikkend nagelkruid bijvoorbeeld, en dus die bosanemonen. Soorten die je hier niet verwacht maar die mogelijk in de achttiende eeuw met nieuw aangeplante eiken meekwamen. Mijn onderzoek begon in 2006 met de witte ganzerik, een uitheemse soort die vermoedelijk met Oostenrijks pootgoed in het Woud is terechtgekomen. Vanwege de hoogteverschillen die er vroeger waren konden droogteminnende soorten in de hogere delen van het woud overleven.”
Inmiddels is dat uitgesproken reliëf verdwenen. „Alles is geëgaliseerd. Het Beekbergerwoud écht in z’n oude staat herstellen kan dus niet, ook omdat het woud door de eeuwen heen verschillende verschijningsvormen heeft gehad. Maar nu komt er door de inspanningen van Natuurmonumenten wel iets anders moois voor terug. Lange tijd was in Nederland de opvatting dat je zo min mogelijk moest ingrijpen in de natuur, maar soms is beheer noodzakelijk om de grootste diversiteit te bereiken.”
Op de open vlakte waar recent gemaaid werd hurkt Weeda neer bij wat bloeiende planten. De parnassia blijkt inderdaad verdwenen, net als de blauwe knoop – een door insecten geliefde soort uit de kamperfoeliefamilie. „Maar kijk! Die plant met de gele bloemen is heelblaadjes, kenmerkend voor gebieden met kalkhoudend grondwater. En het gevleugeld hertshooi even verderop is een indicator voor kwelwater. Zo vind je altijd wel wat interessants.”
Teruglopend naar zijn fiets neuriet hij een stukje uit Waldszenen, een negentiende-eeuwse negendelige romantische pianocompositie van Robert Schumann. Enkele titels van de afzonderlijke delen, waaronder Eenzame bloemen en Vaarwel, lijken zo op het Beekbergerwoud van toepassing. „Soms lopen kunst en wetenschap mooi in elkaar over.”
Eddy Weeda in het Beekbergerwoud. De botanicus doet al jaren onderzoek naar het gebied.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC