Flamenco Biënnale In ‘Mariana’ draaft Luz Arcas rondjes als een getemd circusdier. De feministische lading van het stuk is voelbaar, maar kan nog uitwerking gebruiken.
Danser Luz Arcas tijdens haar uitvoering van Mariana. Foto Luz Soria
De twintigste editie van de Flamenco Biënnale ging woensdag in een bomvol Theater Carré van start met een verwennerij voor de liefhebbers van de klassieke flamenco. Danseres Manuela Carrasco, zanger Manuel Moreno Maya ‘El Pele’, twee oude rotten en iconen van de flamenco, brachten samen met de pakweg dertig jaar jongere Antonio Molina ‘El Choro’ de zaal in vervoering.
Flamenco Biënnale: Mariana van Luz Arcas/La Phármaco. Gezien 9/10, ITA Amsterdam. Info: flamencobiennale.nl
Een dag later al wees het kompas van het festival in tegenovergestelde richting. Luz Arcas is een van de jongste dansvernieuwers van het genre. In navolging van iconoclasten als Israél Galván en Rocío Molina (beiden ook in het festival) verzet zij eveneens de bakens van de dans van de gitanos. Niet, zoals Galván en Molina, van binnenuit (zij zijn virtuoze flamencistas) maar vanuit haar achtergrond in de hedendaagse dans.
Geen traditionele dansen op met ijzer beslagen flamencoschoenen dus, zelfs helemaal geen schoenen. De choreografie Mariana draait dan ook niet om virtuoos voetenwerk, al gebruikt Arcas haar blote voeten regelmatig om haar rondgangen over het toneel ritmisch te markeren of te reageren op de percussie van Carlos Gonzáles. Ook ontbreken welbekende bata de cola (flamencojurk met sleep) en mantón (omslagdoek): na een korte introductie in zwarte kniebroek en rood overhemd danst Arcas in huidkleurig ondergoed met een bellentuig met leidsels waarmee ezels op het platteland worden bestuurd. Arcas verdiepte zich voor haar solo in de complexe relatie tussen mens en werkdier en werd ook geïnspireerd door de marianas, een flamencostijl uit de omgeving van Málaga, haar geboortestad. Marianas werden gezongen tijdens dorpsfeesten en bij het werken met en temmen van last-, trek- én showdieren.
Arcas vertaalt de scheve verhouding, waarbij de mens, meestal de man, dominant is naar een voorstelling die een onderzoekend karakter heeft. Ze put daarbij uit vele bronnen. In haar passen en markante armposities zijn zowel elementen en houdingen van de flamenco herkenbaar als verwijzingen naar de bewegingen van een dier: het krabben van de aarde met de hoefjes, het draven, het achteruit schoppen. Daarnaast zijn er ook andere invloeden te zien in de gehoekte armhoudingen en uitgedraaide, gebogen benen: de Indiase kathak, de diepe oorsprong van de flamenco, die met nomadische volken in Andalusië arriveerde.
Thematisch trekt ze ook een parallel tussen de dominantie over het dier en de traditioneel ondergeschikte positie van de vrouw. Die feministische lading wordt heel concreet als ze een ezelkarretje voortrekt met daarop zangeres Lola Dolores die een lied met een deels seksistische tekst zingt. Later verhuist Arcas haar rode, bepluimde sierhoofdtuig van haar hoofd naar haar buik om uitdagend met haar bekken te stoten. Alsof het circusdier in opstand is gekomen.
Dergelijke beelden geven broodnodige focus aan Mariana, dat nu (nog) wat te aftastend en voorzichtig overkomt. Wel intrigerend, door de onderzoekende houding van Arcas en het muziekensemble dat is samengesteld uit musici met en zonder flamenco-achtergrond: de veelzijdige Dolores, een oerklassieke zanger (Tomás de Perrate) en flamencogitarist Bonela Chico en een bugelspeler (Abraham Romero) en percussionist ‘van buiten’. Met meer richting en uitwerking van Mariana, dat overigens werd bekroond met een belangrijke Spaanse dansprijs, zou de radicaliteit van Arcas beter tot zijn recht komen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC