Honden Arjen van Veelen, doodsbang voor honden, verdiepte zich in hun gedrag en voelt sindsdien: het gevaar loopt aan de ándere kant van de riem.
In Epe, op de Veluwe, trokken laatst tientallen boze hondenliefhebbers naar het stadhuis samen met hun dierbare keffertjes. De baasjes kwamen om te protesteren tegen de wolf, die op de Veluwe welig tiert. Ze durfden er hun hondjes nauwelijks nog uit te laten.
„Schiet ze af in hemelsnaam!”, zei een vrouwelijke hondenbezitter in een reportage van de Telegraaf. Een man vertelde dat hij bij het wandelen tegenwoordig altijd veiligheidshalve een mes bij zich droeg, mocht zo’n wolf hem eens aanzien voor een lekker hapje.
Ik voelde zijn pijn. Toevallig had ik zelf net zitten googelen op pepperspray.
Aan de rand van de stad ligt een klein beschermd natuurgebiedje waar ik graag rondstruin. Het is een woeste jungle vol essen, vlieren en wilgen, veel mensen zien het echter als hondenuitlaatstrook. Hoewel hier een ‘aanlijnplicht’ geldt, laten ze de honden vaak los.
Fijn voor die honden, die al de hele dag opgesloten zitten in zo’n steriel mensennest. Maar soms slenter ik over zo’n zandpaadje, zie ik in de verte een hond die blaffend op me af komt rennen alsof ik een verdacht sujet ben. Dan versnelt mijn hartslag, stokt mijn adem, schieten mijn schouderbladen naar elkaar toe alsof iemand aan een touwtje trekt. De dromerige wandelflow is dan weg.
Voor mij bestaat er niet slechts één probleemwolf; Nederland telt er twee miljoen. Ik huiver allereerst voor rottweilers, herders, pitbulls: alles wat tot de tanden toe bewapend is. Maar op een slechte dag maakt ook een teckel me nerveus. Ik schaam me niet. Er is een groot verborgen genootschap van volwassen, moedige mensen die nu eenmaal zo zijn bedraad dat zelfs een chihuahua op hen kan overkomen als een rondtippelende tarantula.
Tot voor kort was ik zelfs trots op mijn angst. Hondenvrees leek me namelijk een rationele huiver, schreef ik eens. Waar veel mensen bang zijn voor huisspinnen die niets doen, of voor wolven, die verlegen dieren, daar vreesde ik tenminste een dier dat in Nederland jaarlijks 150.000 mensen bijt, ruim duizend schapen vermoordt en gemiddeld één mens om het leven brengt. Om nog te zwijgen over de mentale schade door de scheepshoornachtige herrie die honden kunnen produceren en alle verloren tijd en levensgeluk door de bermbom genaamd hondendrol.
Ja. Er zijn volop argumenten voor hondenangst. Zo zijn zelfs baasjes vaak bang voor andere honden. Of neem het feit dat de teckel is gefokt om dassen uit holen te jagen, het is een moordlustig dier. Maar als je zo op je angst focust, neemt die niet af.
Een tijd lang probeerde ik de hond daarom als smaakverrijker te zien. Zoals de aanwezigheid van de wolf die brave Veluwe wat peper had gegeven, zo voelde mijn wildernisje dankzij de honden pas echt wíld. Ik hoef niet naar het regenwoud, de teckel is mijn jaguar. Maar op den duur sidderde ik voor elk geritsel.
Uiteindelijk is angst gewoon irritant.
En ook niet rationeel. De kans dat een hellehond mij zou aanvliegen was nihil. En die tienduizenden hondenbeten dan? Maar zoom eens in op de data. Honden bijten meestal hun baasjes of hun naasten. Verder vooral pakketbezorgers die in hun territorium komen. In het bos zijn honden blij. Ze happen hooguit konijnen in tweeën van louter spelplezier; mensen laten ze met rust.
Kortom ik had een fobie, een overdreven vrees. Waar was ik dan ten diepste bang voor?
Misschien voor alles wat ik niet begreep. En ik begreep honden niet, ik sprak hun taal niet.
Ik heb weleens geprobeerd het hier met baasjes over te hebben. Dat leken me per slot van rekening de experts op hondengebied. Het was alleen niet makkelijk om rustig met ze te praten, omdat hun hond, hun baby, hun trippelende tarantula, altijd in de buurt was. Dat maakte me nerveus, zelfs als de tarantula was aangelijnd.
Maar vooral: hondenliefhebbers snappen zelden waarom je niet liefhebt wat zij liefhebben. Ik neem ze dat niet kwalijk. Het is de wet van blinde liefde. Zeggen dat je bang bent voor hun hond voelt voor het baasje alsof je op kraamvisite boven het wiegje niet koediekoedie doet maar vol afgrijzen je gelaat afwendt.
„Ben je dan eens gebeten?” zeggen ze verbaasd. Alsof alleen PTSS je afkeer kan verklaren. Alsof, wanneer je weigert om de zee in te stappen waar net een haai zwom, je wel eens gebeten moet zijn door een haai.
Mijn verontschuldigingen aan alle wijze, echte baasjes. Jullie weten wie jullie zijn. De baasjes wier hond niet aan de lijn trekt. Maar de meeste baasjes praten over honden zoals rechtse Amerikanen over vuurwapens: ‘als je weet hoe je er mee om moet gaan, is er geen probleem.’ En uiteraard weten zij zélf hoe ze met hun hond om moeten gaan. Het welbekende ‘mijn hond doet niets hoor.’
In dat ‘hij doet niets, hoor’ zit een heel wereldbeeld besloten. Een diepgeworteld geloof in de onfeilbaarheid van de eigen hond. Een hardnekkige onschuldpresumptie die zelfs koppig wordt volgehouden als de hond evident iets heeft misdaan. Dan klinkt het ‘dat doet hij normaal nooit’. Ofwel, het ligt nog steeds niet aan de hond, maar aan het slachtoffer, die dit uitzonderlijke gedrag heeft uitgelokt. Jij liep raar, je maakte een verkeerde beweging, je rende.
En de allerergste: ‘Jij bent bang, dat kan de hond ruiken.’
Jarenlang heb ik dat echt geloofd. Jarenlang heeft dat mijn angst nodeloos gevoed. De gedachte dat elke hond mijn gedachten en karakter las als een helderziende. Een wandelende leugendetector. Een genadeloze aurareader.
Ze wísten dat ik had gegoogeld op pepperspray. Ze róken dat ik eens een artikel had gepubliceerd dat honden veel erger zijn dan wolven.
Ik keek kortom huizenhoog tegen honden op. Misschien ook tegen baasjes, de dompteurs die leeuwen hadden getemd, de alfa’s van hun kleine roedel.
Precies daarom leek pepperspray me aanvankelijk best briljant. Daar kon ik mijzelf mee voor de gek houden, mezelf sussen: mocht die gruwelijke hellehond ooit daadwerkelijk met opengesperde bek en fonkelende geelgroene ogen uit de bosjes opduiken – nou, even pssst en hij droop met de staart tussen de poten af. De rest van de tijd zou ik dan weer kalm rondslenteren, zonder de angstgeur van boterzuur, zonder de snel deinende borstkas. Geen hond zou nog naar me blaffen, de vicieuze cirkel was doorbroken. Dan had ik mijn onbekommerde bos terug.
Je kunt die spuitbusjes voor een paar euro op internet kopen, maar net voordat ik op ‘bestel’ klikte las ik dat een echt boze hond niet stopt door pepperspray. Sterker, geconcentreerde cayennepeper in de ogen kan het dier – heel raar – juist razend maken. Bovendien hoeft de wind maar verkeerd te staan en je bent stekeblind naast een extra boze hond. Kortom: slecht plan!
Ik gooide het over een andere boeg: boeken lezen. Als honden mij konden lezen, kon ik altijd teruglezen. Mijn angst had te maken met het feit dat ik hun taal niet sprak – dan kon ik hun taal maar beter leren.
Dus verslond ik klassiekers over hondenpsychologie, zoals De wereld van de hond en keek ik YouTube-tutorials over de taal van kwispelen en likken. Op straat oefende ik de onregelmatige grammatica van hun staarten, oren en nekharen. Ik probeerde hondenfluisteraar te worden.
Probleem: de beste hondenboeken zijn geschreven door de grootste hondenliefhebbers. En hondenliefhebbers – het is een natuurwet – kunnen zich domweg niet voorstellen dat iemand niet op hun hond is gesteld.
Deze boeken bevestigden aanvankelijk juist mijn grote vrees: dat honden mij doorzien.
„Zodra je ook maar iets van je angst vertoont, weet de hond onmiddellijk dat hij tegenover jou in het voordeel is”, schrijft de beroemde hondenfluisteraar Cesar Milan in Cesars aanpak. Om weer baas over je hond te worden. „In de natuur leggen de zwaksten al snel het loodje, daar komt geen goed of kwaad aan te pas, dat is gewoon hoe het leven op aarde hier al miljoenen jaren functioneer.”
Bedankt voor de tip, Cesar!
„Trek je je wenkbrauw een millimeter op?”, schrijft Patricia B. McConnell in The other end of the leash vol bewondering. „Dat is al gemakkelijk te zien voor je hond!” Je ogen een centimeter naar links of rechts; je adem een seconde ingehouden; je lichaam een millimeter naar voren of achter: dat is het verschil tussen een kalme en woeste hond. McConnell vertelt ook doodleuk dat ze eens ‘een microseconde’ recht in de ogen van een kalme mastiff keek – die vervolgens ontplofte en haar aanviel.
Goed om te weten!
Maar tussen de regels lezend vond ik informatie die me wel kalmeerde. Bijvoorbeeld dat honden niet zitten te wachten op een druk of hard pratend alfabaasje; ze houden van kalme, stille leiders. Maar wat me vooral geruststelde: honden zijn veel minder slim dan ik dacht.
Honden zijn niet helderziend. Ja, ze hebben fabelachtige zintuigen. Maar nee, ze zijn juist niet per se goed in chocola maken van wat ze waarnemen. Van wat er in je hoofd omgaat. Ze zien wat er gebeurt, niet wat het betekent.
Logisch, achteraf gezien: als ze echt helderziend waren, hadden ze allang geconcludeerd dat ik hen nooit kwaad zou willen doen.
Honden hebben ook een beperkt inlevingsvermogen, geeft Alexandra Horowitz bijna schoorvoetend toe in De wereld van de hond. Wat honden zien, ruiken en weten. In de psychologie noemen ze dat theory of mind: inlevingsvermogen. Mensen zijn daar goed in, hoewel niet alle mensen (denk aan mensen die onderaan een roltrap blijven stilstaan en rondkijken waar ze heen moeten, alsof er geen mensen na hen komen; denk aan de mensen achter hen die zich daar heel erg aan ergeren, alsof ze niet kunnen zien dat de mensen voor hen toeristen zijn, moe van een lange reis, en de weg hier niet kennen).
Honden snappen vaak niets van wat er gebeurt. Ze slaan bijvoorbeeld alarm als dat niet nodig is. Zoals tientallen keren ER STAAT EEN MENS VOOR DE DEUR! ER STAAT EEN MENS VOOR DE DEUR! blaffen. En andersom: soms slaan ze geen alarm als dat juist gepast is. Als het baasje in de problemen is – op de grond ligt met een hartaanval – gaan ze er soms gewoon naast liggen tukken.
Honden lezen geen gedachten; ze lezen lichamen. Een keer fietste ik schuin achter een herdershond die zich plots omdraaide en blafte. Nu snap ik: de hond heeft een blikveld van 270 graden, zag mij – en zag hoe ik hem in de gaten hield. Honden ervaren een directe blik als een belediging of bedreiging. Ik priemde per ongeluk met mijn ogen.
Zonder het te weten had ik jarenlang middelvingers opgestoken naar honden. Honden waren bang voor me. In plaats daarvan, las ik, kon ik beter mijn hoofd wegdraaien, wat een vredesteken is. Kijk, daar kon ik tenminste iets mee.
Ik mik mijn blik nu op staart en oren. Ik probeer mijn ademhaling te controleren, zodat ik een normale trage deining te pakken heb, die mij maar ook de hond kalmeert. Ik heb er een sport van gemaakt om blaffende honden te negeren. Het werkt als een tierelier, vooralsnog. Geen hellehond meer gezien sinds ik dit weet.
Ik heb goede hoop dat ik mijn angst kan africhten. In elk geval mijn angst voor de hond. De mens is een ander verhaal.
De mens heeft duizenden jaren geleden honden gedomesticeerd door steeds de liefste trouwste wolvenpuppies te kiezen en van die puppies weer steeds de liefste en trouwste nakomelingen te nemen. Eerst fokte de mens om zo jacht- en waakhonden te verkrijgen, maar de laatste drie eeuwen vooral om honden versneld te laten evolueren tot wezens die ons de hele tijd met grote lieve ogen aankeken. Wezens die ons het onwrikbare gevoel gaven dat wij deugden, dat wij onfeilbaar waren, maakt niet uit wat we uitspookten. Honden zijn genetisch gezien nog steeds wolven, maar verder totaal anders. Het zijn liefdesmachines. De mens schiep de hond om geadoreerd te worden met een onvoorwaardelijke liefde. Daarom houden dictators van honden.
Daarom geven honden geen kik, zelfs als een mens rare dingen doet, zoals hem regenjasjes aantrekken, of hondenshampoo in het haar smeren, wat honden allebei vaak erg vervelend vinden.
In De wereld van de hond staan hilarische maar ook best schokkende foto’s van baasjes die hun hond knuffelen. Dat doen primaten namelijk als ze iemand leuk vinden. Voor honden voelt dit heel naar en bedreigend. Je ziet baasjes met gelukzalig gezichten en honden met hun mondhoeken bang of beteuterd weg gekruld.
Maar ze bijten niet. Ze zijn geprogrammeerd voor onvoorwaardelijke liefde. Maar blinde liefde gaat altijd gepaard gaat met beperkt inlevingsvermogen in anderen. En met blinde haat.
Ursula von der Leyen, de machtigste vrouw van Europa, had een pony genaamd Dolly. Op een dag beet een wolf haar pony dood. Vanaf dat moment ontketende Von der Leyen een spreekwoordelijke jacht op alle wolven. Ze hief het jachtverbod op.
Nederland telt twee miljoen honden, die dag in dag uit hun baasjes trainen in blinde liefde. „Schiet ze af in hemelsnaam!” roept de hondenbezitter in een filmpje van de Telegraaf – en ik kan het haar niet eens kwalijk nemen, haar hond heeft haar gehypnotiseerd. Maar dit is precies wat me bang maakt: de wetenschap dat als zich ooit een situatie voordoet waarbij het baasje moet kiezen tussen hond en mij, de eigenaar zonder twijfel voor het dier zal kiezen. Het is niet de hond zelf, het is de selectieve liefde waar ik al die tijd doodsbang voor ben geweest, en blijf.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC