Simone de Beauvoir In het opnieuw vertaalde Een zachte dood vindt de filosofe vrede met haar moeder. Maar niet met de dood.
Ziekenhuis in Parijs.
‘Wat is doodgaan een zwaar karwei als je zo van het leven houdt.” Het is een kernachtige zin die Simone de Beauvoir noteerde in Een zachte dood, het boek dat in 1964 verscheen onder de titel Une mort très douce. Het verhaal vangt aan in oktober 1963 in Rome wanneer de filosofe in haar hotel het bericht krijgt dat haar moeder, die in Parijs woont, in de badkamer is gevallen en haar heup heeft gebroken. De Beauvoir keert terug naar huis en eenmaal in het ziekenhuis blijkt, na een röntgenonderzoek, dat er meer aan de hand is. Kwakkelde haar moeder al voor de val met haar gezondheid, nu ineens blijkt er echt iets mis te zijn: haar dunne darm is afgesloten door een tumor. Het is kanker.
Na dat bericht begint ook meteen de ziekenhuis-ellende. Er zijn sondes om maagsappen af te voeren, morfine-injecties, bloedmonsters, discussies over wel of niet opereren – zo slecht gaat het ineens dat een uitgeputte De Beauvoir, eenmaal thuis bij Sartre, een huilbui krijgt die „bijna ontaardde in een zenuwtoeval”. Het is een reactie die de schrijfster zelf niet had zien aankomen. „Tot aan deze avond had ik al mijn verdriet begrepen; zelfs als het me overweldigde kon ik mijzelf erin herkennen. Maar nu was ik de macht over mijn wanhoop kwijt. In mij huilde iemand anders dan ik.”
Het zijn rauwe, eerlijke woorden die De Beauvoir schrijft. Eerlijk omdat de filosofe niet onder stoelen of banken steekt dat ze een moeilijke relatie had met haar moeder. Rauw omdat ze de aftakeling van haar moeder in detail beschrijft. Zo gruwt ze van de manier waarop haar moeder water met ingehouden zuigbeweging drinkt uit een rietje. In die mond leest ze „onderdrukte gulzigheid, bijna slaafse deemoed, hoop, angst, onuitgesproken eenzaamheid – de eenzaamheid van haar dood, de eenzaamheid van haar leven.”
En niet alleen dat, met een mengeling van afschuw en tederheid beschrijft De Beauvoir hoe haar moeder verandert in een licht hallucinerend wezen, dat de meest onverwachte uitspraken doet. Zo vraagt haar moeder op een gegeven moment: „Heb ik eigenlijk een rechterkant?” Gilt ze uit: „Ik heb een wind gelaten!” en meldt ze, dat ze bij het verlaten van het ziekenhuis, dokter N. een „trommel met bolussen” zal sturen. Het zijn zwart-komische passages die De Beauvoir afwisselt met filosofische overpeinzingen over het stervensproces, het recht op euthanasie, het botte gedrag van de mannelijke artsen, de verdeling van de zorgtaken met haar zus en nicht en het verstikkende burgerlijke milieu waar haar moeder, volgens haar, het slachtoffer van was.
Dat levert interessante literatuur op, maar de vraag is wel of deze nieuwe uitgave van Een zachte dood – vertaald door Greetje van den Bergh en met een essay van Niña Weijers – echt iets toevoegt aan de kwestie ‘wat doen we met onze ouderen?’ en ‘hoe begeleiden we hen naar het einde?’ zoals op de achterflap staat. Want met concrete oplossingen voor deze kwesties komt De Beauvoir niet. Integendeel. Eerder gaat dit boek over de verbijstering die een kind ervaart wanneer een ouder voorgoed de wereld verlaat. En over de emotionele verwarring die deze gebeurtenis losmaakt, zeker bij De Beauvoir die het gedrag van haar moeder, afkomstig uit een provinciale, katholieke middenklasse, verfoeide. Het is dan ook een haat-liefde verhouding die ze beschrijft, vermengd met afschuw over de aftakeling: „De overgang van mijn moeder in een levend lijk had zich definitief voltrokken. De wereld was ineengekrompen tot de afmetingen van haar kamer; als ik met een taxi door Parijs reed, zag ik de stad alleen nog maar als een decor waarin figuranten rondliepen. Mijn werkelijke leven speelde zich af bij haar en had maar één doel: haar beschermen.”
Het is een treffende beschrijving van de tunnelvisie die ontstaat als het leven alleen nog maar bestaat uit zorg en ziekenhuis. Mooi, en toch doet dit werk soms wat gedateerd aan. Destijds was het misschien schokkend wat De Beauvoir schreef, inmiddels zijn we wat meer gewend geraakt aan feministische ‘haat-en wraakliteratuur’ gericht op het afrekenen met een bekrompen milieu en de daarbij behorende moeder – denk Elfriede Jelinek, Rachel Cusk of Clare Boylan. Bovendien kun je ook vraagtekens zetten bij de conclusies die De Beauvoir uit het onbesuisde gedrag van haar moeder trekt. Zo stelt ze dat haar moeder, nu ze zo ziek is, zich voor het eerst in zichzelf terugtrekt. „Ze was haar leven lang heel sterk op de buitenwereld gericht geweest, en het ontroerde me haar nu plotseling volledig in zichzelf te zien opgaan.”
De Beauvoir beschouwt dit gedrag als een vorm van emancipatie: eindelijk laat haar moeder alle vooroordelen en pretenties vallen, eindelijk zegt ze wat ze werkelijk vindt, bevrijdt ze zichzelf.
Toch is dat een naïeve hoop, schrijft Weijers terecht in het voorwoord. Want onder het juk van al die maatschappelijke onderdrukking, meent De Beauvoir dat er in haar moeder zoiets schuilt als haar ‘ware zelf’, vrij van misvorming en verminking. Een hoop die natuurlijk ook zijn weerslag vindt in De Tweede Sekse, het filosofische werk dat De Beauvoir in 1949 publiceerde en dat de verschillende oorzaken van de minderwaardige maatschappelijke positie van de vrouw onderzoekt.
Haar moeder was volgens De Beauvoir een slachtoffer van de patriarchale samenleving, een vrouw die gedwongen werd zich te conformeren aan de fatsoensnormen in plaats van haar eigen instinctieve levenslust te volgen. Françoise Brasseur, zoals de meisjesnaam van haar moeder luidde, is dan ook het prototype van het soort vrouw dat ze analyseert in De Tweede Sekse. „Om de leegte in hun leven te compenseren en zichzelf te straffen voor vijandige gevoelens die zij niet willen bekennen, maken sommige moeders van zichzelf de slavin van hun nakomelingen”, schrijft De Beauvoir in het hoofdstuk over de moeder. Dat verklaart wellicht ‘die naïeve hoop’ waar Weijers over schrijft. De Beauvoir beschouwt haar moeder op het einde als ‘bevrijd’, terwijl dit nieuwe gedrag waarschijnlijk deel uitmaakte van het stervensproces: wie lichamelijk en geestelijk lijdt, keert zich logischerwijs van de wereld af.
Toch ontroert Een zachte dood. Want, zoals schrijfster Clare Boylan het ooit bondig in een interview verwoordde: „Naarmate de levenslange strijd om invloed van de moeder en goedkeuring van de dochter ten einde loopt, waardeert men eindelijk de pure, spirituele intensiteit van de verbintenis.” Dat is precies wat er met De Beauvoir gebeurt. Op het einde schrijft ze: „Ik was me gaan hechten aan deze stervende vrouw. Terwijl wij in het halfduister met elkaar praatten, maakte ik iets goed wat ik altijd had betreurd: ik hervatte de dialoog die in mijn puberteit was afgebroken en die wij nooit weer hadden kunnen aanknopen omdat we te veel van elkaar verschilden en te veel op elkaar leken. En de liefde van vroeger, die ik volkomen uitgedoofd had gewaand, leefde weer op (...).”
De Beauvoir vond, kortom, vrede met haar moeder. Maar niet met de dood. Uiteindelijk vormt haar boek zelfs een filosofische aanklacht tegen onze sterfelijkheid. „Er bestaat geen natuurlijke dood. Niets van wat de mens overkomt is ooit natuurlijk, omdat zijn aanwezigheid de wereld op losse schroeven zet. Alle mensen zijn sterfelijk; maar voor ieder mens is zijn eigen dood een ongeval, en zelfs als hij het weet en er niet tegen protesteert, een ongehoorde daad van geweld.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC