Scheepsramp Op 19 januari 1942 verging een Nederlands schip vol Duitse geïnterneerde burgers. De bemanning redde zichzelf en liet de opvarenden aan hun lot over. Toen die zichzelf alsnog wisten te bevrijden, weigerde Nederland de drenkelingen uit het water te halen.
De Van Imhoff in Nederlands-Indië.
Ze zaten in kooien van prikkeldraad, op een zinkend schip op de Indische Oceaan. Bijna vijfhonderd Duitse mannen, burgers, waren aan hun lot overgelaten door de Nederlandse bemanning van de Van Imhoff. Nadat dit vaartuig op 19 januari 1942 door een Japans vliegtuig was gebombardeerd, waren de Nederlanders in de sloepen gestapt, met achterlating van hun menselijke vracht. Het lukte alle gevangenen uiteindelijk zich te bevrijden en overboord te springen, maar Nederlandse schepen die naar de rampplek waren gevaren om hulp te bieden, weigerden de Duitse drenkelingen op te pikken.
Zo kwamen 415 mensen om het leven. Voor „het ontbreken van deugdelijke reddingspogingen en het feit dat niet eerder rekenschap is afgelegd over het handelen van de Nederlandse autoriteiten”, heeft het kabinet deze donderdag bij monde van de ministers Frank Rijkaart (Binnenlandse Zaken, BBB) en Ruben Brekelmans (Defensie, VVD) tijdens een bijeenkomst in Den Haag excuses aangeboden aan tientallen nabestaanden.
De bewindslieden namen in Museum Sophiahof het boek De ramp met de Van Imhoff en het lot van Duitse burgers in Nederlands-Indië in ontvangst. Dat bevat het verslag van het onderzoek waartoe de ministeries vier jaar geleden opdracht gaven aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Ellen Klinkers, Linda Terpstra en Maaike van der Kloet hebben het werk uitgevoerd.
De aanzet tot het onderzoek kwam mede van Duitse nabestaanden van de ramp, zegt Van der Kloet. „Ze hadden in 2017 een documentaire van BNNVARA gezien over de ondergang van de Van Imhoff en wilden erkenning voor het leed van hun grootvaders. Deze mensen, negentigers nu, lopen al decennia rond met verdriet over wat er in 1942 is gebeurd.”
Duitse geïnterneerden in het kamp op Onrust in 1940
Duitse burgers in Nederlands-Indië vormden een geaccepteerd onderdeel van de koloniale maatschappij, tot de machtsovername van Adolf Hitler in 1933, zegt Van der Kloet. „Toen begonnen Duitse organisaties te nazificeren. Op gezelligheidsverenigingen en in krantjes betuigden ze steun aan de Führer. Hierdoor ontstond het idee dat zij in geval van oorlog een gevaar zouden kunnen vormen. Het bestuur in de kolonie besloot bij het uitbreken van een conflict Duitsers als staatsvijandelijke burgers te interneren, net zoals dat zou gebeuren met mensen uit landen als Tsjechië en Hongarije en Nederlandse NSB’ers.”
In totaal werden zo drieduizend Duitse mannen en 150 „gevaarlijke” Duitse vrouwen in interneringskampen opgesloten, nadat de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland waren binnengevallen. Op 8 december 1941 begon de oorlog tussen Nederland en Japan, al snel werd duidelijk dat de Japanners Nederlands-Indië zouden veroveren. De autoriteiten stuurden daarom de geïnterneerde Duitsers naar India, waar de Britten de scepter zwaaiden. Er deden drie schepen mee aan dit transport, waarvan de Van Imhoff de laatste was.
De Van Imhoff was eigendom van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij en vervoerde goederen en personen tussen de eilanden van de archipel. In eerste instantie weigerde kapitein Herman Hoeksema alle Duitsers aan boord te nemen die stonden te wachten op de kade van Sibolga op Sumatra. „Hij gaf als reden dat er onvoldoende reddingsmiddelen aan boord waren”, zegt Klinkers. „Het schip is vervolgens uitgevaren, maar moest door omstandigheden weer omkeren. Toen gaf admiraal Conrad Helfrich, commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië, het bevel alsnog de resterende geïnterneerden op te pikken. Dat heeft Hoeksema gedaan, waardoor er in totaal 473 gevangenen aan boord waren. Ze werden opgesloten in kooien van prikkeldraad, op het achterdek en in het ruim.”
Op de dag van vertrek, 18 januari 1942, werd aan boord een zogenoemde ‘sloepenrol’ gehouden. Bij zo’n oefening gaan alle opvarenden naar de reddingsboot waarbij ze zijn ingedeeld. De Duitsers mochten niet meedoen. Klinkers: „In de officiële documenten is dat nooit benoemd, maar een aantal bewakers heeft dit later verklaard.”
Betekent dit dat was besloten dat in geval van nood de Duitsers aan hun lot zouden worden overgelaten? Van der Kloet: „Dat kunnen we niet met complete zekerheid zeggen. De Duitse mannen wisten in ieder geval niet wat ze moesten doen in een noodsituatie.” Klinkers: „Dat ze niet meededen aan die oefening én dat ze later inderdaad werden achtergelaten, maakt in ieder geval dat de Nederlandse bemanning en meereizende bewakers de schijn tegen hebben.”
Groepsfoto overlevenden op Nias
Het bombardement van het Japanse vliegtuig op 19 januari sloeg een gat onder de waterlijn van het gevangenentransport. Kapitein Hoeksema besloot drie uur na de aanval het schip te verlaten, terwijl het uiteindelijk zeven uur zou duren voordat de Van Imhoff geheel onder de golven was verdwenen. De Duitsers liet hij in hun kooien achter, maar ze wisten zichzelf allemaal tijdig te bevrijden.
Hierna trachtten de geïnterneerden zich met één overgebleven sloep, een werkbootje en een aantal vlotten en zwemvesten van de verdrinkingsdood te redden. Eén Duister probeerde aan boord te klimmen van een Nederlandse sloep. Hij werd beschoten door een bewaker, geraakt in de hand, maar daarna wel gered.
De andere geïnterneerden waren aangewezen op een veel te klein aantal drijvende voorwerpen. Klinkers: „Lang niet alle Duisters konden zich in veiligheid brengen. Dat is voor de overlevenden — uiteindelijk wisten 68 man het eiland Nias te bereiken — enorm traumatisch geweest. Ze hebben op een gegeven moment het koord losgemaakt van vlotten die ze achter hun sloep aantrokken, omdat ze met roeien niet meer vooruitkwamen. Zoiets is natuurlijk vreselijk.”
Op het noodsignaal van de Van Imhoff waren intussen Nederlandse schepen en vliegtuigen afgekomen. Zij waren op weg gestuurd met bijzondere orders van admiraal Helfrich: eerst moesten alle Nederlanders gered worden, en als het kon daarna ook de „betrouwbare” Duitsers. Het controversiële telegram met dit bevel is nooit teruggevonden, maar getuigen hebben over het bestaan ervan verklaard. Feit is dat kapitein Marius Berveling van de Boelongan wegvoer van de Duitse drenkelingen nadat hij had geïnformeerd of zich tussen hen ook Nederlanders bevonden.
Klinkers: „Er is altijd discussie geweest of die order door Helfrich inderdaad is uitgevaardigd, maar naast Berveling verklaarden ook anderen dat ze een gelijkluidend bevel hebben gehad. De verantwoordelijkheid voor wat rond de Van Imhoff gebeurde, is altijd gelegd bij kapiteins als Hoeksema en Berveling, terwijl hun meerderen ten onrechte buiten schot bleven.”
Van der Kloet: „Het bevel om onderscheid te maken tussen drenkelingen was onwettig, ook toen al. Hij had het niet mogen geven en zijn ondergeschikten hadden het niet mogen opvolgen. Je hebt de plicht op zee iedereen uit het water te redden, niet alleen je landgenoten.”
Voor de omdraaiing van het slachtofferschap — Duisters die slachtoffer waren geworden van Nederlanders — was na de oorlog lang geen plek. Journalist Dick Verkijk maakte in 1965 een documentaire over de ramp met de Van Imhoff, maar de VARA verbood die uit te zenden. In de Duitse media sprak men van een doofpot. In 1999 nog wezen minister Els Borst (D66) en premier Wim Kok (PvdA) een schadeclaim van een van de nabestaanden af.
Deze donderdag volgden dan toch excuses. In een brief aan de Tweede Kamer schrijven Rijkaart en Brekelmans dat het interneren en verschepen van de geïnterneerden rechtmatig was, ook valt te verklaren in de context van de Tweede Wereldoorlog. Maar het kabinet betreurt de houding van de Nederlandse overheid na de aanval op de Van Imhoff en in de nasleep van de ramp.
Niet alleen is geen recht gedaan aan wat de overlevenden hebben moeten doorstaan, maar ook niet aan de nawerking van de afschuwelijke, traumatische ontberingen van de Duitse drenkelingen op hun nazaten, aldus de bewindslieden. „Het is pijnlijk te constateren hoe indertijd is omgegaan met de weerloze geïnterneerden aan boord van het schip en dat zij niet de hulp hebben gekregen die nodig was om de ramp te overleven.”
Marineofficier Conrad Emile Lambert Helfrich (1886-1962)
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC